is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 37, 15-06-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het allemaal toe” —, en misschien hebt u iiet toch zelf niet kunnen laten. Niet omdat het zo noodzakelijk was, deze of gene medeaeiing aan deze of gene bekende te doen, maar omdat het uitspreken van bitter pijnlijke dingen toch een soort van verlichting geeft.

Zo kan het wezen, dat een schrijver zich van een ondraaglijke beklemming bevrijdt, door „van zich af te schrijven” wat hem drukt. Als hij haar eenmaal onder woorden heeft gebracht en in een boek als het ware buiten zijn eigen leven heeft gesteld, is zijn ervaring hanteerbaar geworden en makkelijksr te dragen. En het kan zijn, dat deze zelfbevrijding van de schrijver ook tot een bevrijding wordt voor zijn lezers.

Dat kan in de eerste plaats als hij een begenadigd kunstenaar is. De auteurs van de hier genoemde boeken zijn dat geen van drieën. Het meeste talent heeft zeker de Noor, het minst de bombastische Vlaming. Wat onze landgenoot Van Loggem aangaat, onder andere omstandigheden zouden wij zijn eersteling waarschijnlijk zorgvuldig op artistieke teiten en mogelijkheden hebben getoetst; op het ogenblik ware het een wereldvreemde bezigheid, te willen bepalen in welke mate een matig belangrijke roman belangrijk is.

Maar er zijn andere overwegingen: in hoeverre deze boeken een stuk gestreden menselijke strijd vertegenwoordigen. Het is een andere strijd dan die nu alle gedachten beheerst, een ander leed dan waar wij allen mee te kampen hebben; toch een zeer reëel leed en strijd tegen een zeer reëel kwaad.

Bij Van Loggem is de vijand de neerdrukkende invloed van de werkloosheid, bij de anderen de benepen geest, de vooroordelen van een provincieplaatsje, waardoor ieder élan wordt gesmoord. Het provincieplaatsje van Delbeke is dan fijn-katholiek, in dat van Sandemose zijn de mensen „of socialistisch of niks”, maar de geestelijke armoede is in beide gevallen even groot. Zou het misplaatst zijn te zeggen, dat in alle drie deze boeken de strijd tegen de geestelijke leegte gaat?

Het boek zelf is in zo’n geval meer dan de uitbeelding van een conflict of het verslag van een strijd. Elk van deze boeken is een fel gevecht en hun waarde ontlenen zij daaraan.

A. RODIN

DE KUS

De Vlaming Delbeke is dunkt mij van de drie de man, die zijn conflict het volledigst achter zich heeft. In de strijd met bekrompenheid en dogmatisme is hij de overwinnaar, en men ziet hem de overwinnaar op honderd meter afstand, aan. Wat niet betekent, dat hij ons het meeste te zeggen heeft. Zijn triomfgebrul, zijn dreunende passen en fiere blikken, nu ja, dat heeft tenslotte allemaal niet veel geestelijke inhoud. En de zware, dikke woorden, waarmee hij ons nu aan ’t verstand wil brengen hoe moeilijk hij het wel gehad heeft en hoe ernstig zijn strijd was, die werken met elkaar niet erg overtuigend. De worsteling zelf immers nemen wij niet waar, en hoe kunnen wij iemand als overwinnaar in een geestelijke strijd zien, die in die strijd niet de kracht van zijn geest, maar het recht van zijn zinnen heeft ingezet? Dit sensualisme maakt voor anderen dan de schrijver zelf het hele boek onbelangrijk.

Zo zwoegend en moeizaam als alles bij de Noor Sandemose is hij zelf spreekt ervan, dat „in hem een gespleten bergmassief dreigend boven een bergmeer hangt. En dat de lawine nog moet komen” zo veel als hij vertelt over de taaie weerstand en zo weinig over eigen successen in de strijd, hier zijn een ernst en een eerlijkheid, die direct aanspreken; en wij voelen, dat elke duimbreed, die deze man verovert op zijn leed, gewonnen is voor geestelijke waarden.

Van Loggem geeft de duidelijkst geformuleerde conclusies. In hem is door alle ellende heen de overtuiging gegroeid, dat zowel de instincten als de maatschappelijke krachten een machtige factor zijn in de mensenwereld, maar dat toch ook steeds werkt de kracht van de opbouw, „de vlam der humaniteit”. Wie zich in dienst van die opbouw mag stellen en van die vlam iets verder dragen, in welke omstandigheden ook, die zal nooit kunnen zeggen, dat zijn bestaan zonder zin is. Inderdaad; wij zouden ook niet weten hoe wij het leveri léven moesten, als het niet was uit deze kracht. Maar het is alweer niet de geformuleerde conclusie, die hier het meeste waarde heeft.

„Zo schiep God den mens''

Gen. 1 : 27. Zo schiep God den mens als Zijn evenbeeld; als beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.

In onze bloeiende tuin slaat een merel en er is veel gerucht van klein vogelgoed, dat ik tot mijn schande niet geheel bij name ken. De ramen staan open. Boven slapen de kinderen. Het is allemaal heel gewoon. Maar juist dat allergewoonste is in deze voorzomer zo beklemmend.

Er zijn er te velen die het missen. Wij zijn de uitzonderingen, wij gewone gezinnen. En dan denken we aan al de vaders, die een andere taak hebben, ja zeker, en misschien vinden ze die heel belangrijk, maar er zullen in hun leven toch de stille uren zijn van zorg om dat verre huis, van verlangen. We denken aan de moeders, die kribberig worden door de angst, en doordat ze in hun drukke dagen de ogenblikken niet missen kunnen, waarin zij zich veilig kunnen uiten, de ogenblikken waarin de wereld wegzinkt. We denken aan de kinderen, die het gewone, het grote geluk van de gesloten kring moeten ontberen en er misschien onbewust —■ door lijden.

Maar er zijn toch altijd door de omstandigheden gescheiden gezinnen geweest? Ja, Nansen was de enige niet, die maanden lang in gevaar van huis was, omdat iets hem riep, waaraan hij moest gehoorzamen. Dat zijn in „normale” tijden de uitzonderingen.

Formules zijn gemakkelijk. Als ik in deze weken iets aan anderen te danken heb gehad, dan was het niet om de meer of minder verstandige woorden die zij spraken, maar om de ernst waarmee ik hen heb zien vechten. Vecht ermee, dat is waar het op aankomt. M. H. VAN DER ZEYDE.

Dat het nu regel is, verandert alles. De eerbied en de overgave van Rodins beeld treffen ons als iets zeer bijzonders, als iets zeer schoons.

Is het niet nóg ontroerender, dat het tegelijk iets zo gewoons en zo algemeens is. In gewone huizen, in vredige tijden, waar mensen bijeenhoren, vaders en moeders, waar zij stil de dagelijkse moeiten verliezen in een glimlach van begrip. Onder de jongens en meisjes in deze tijd die men slecht noemt kunnen we nog overal zien het eerbiedige gebaar, het verlangen en afstand bewaren in één. En dit gewone, dit bijzondere, dit menselijke, is nu een uitzonderingsgeschenk. We beseffen hoe Jac. V. d. Waals, toen zij wist hoe elke levensdag een toegift voor haar was, kon zeggen: ~En ’k had het leven nooit zo lief gehad.”

Wij hoeven er niet om heen te praten. Zoals Jahwe het gekerm der Joden uit Egypteland hoorde opstijgen, zo moet er in onze dagen, naast alle kreunen om lichaamspijn en zieleleed, een zucht opstijgen van heel gewoon, heel menselijk verlangen van mannen naar hun vrouw, van vrouwen naar haar man. En we weten hoe mensenlevens daardoor geknoeid kunnen worden.

Daarom is het zo boven alles nodig om nu één ding te beseffen. Dit, dat de liefde, die mensen lijden doet, die het alles nog zwaarder schijnt te maken, de liefde, die niet vrij ademen kan in deze tijd, toch met God te maken heeft en niet met den duivel. „Man en vrouw schiep Hij hen”, en dat het het gewone is wat hen bindt, maakt hen gewoon als de sterrenhemel en de bloeiende seringen; het kan nooit plat zijn.

Mochten wij ervaren, dat onze aardse liefde over alle aardse verschrikkingen heen, onblusbaar is, zoals het Hooglied zegt en dat ze is „een vlam van Jahwe”. (Hoogl. 8:6). F. KALMA—KOOPS.