is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 37, 15-06-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Reddende Roep

Jezus Christus zegt: „Komt herwaarts tot mij, allen die vermoeid en belast zijt en ik zal u rust geven”.

Ev. V. Matth. 11 vers 28.

Dit woord spreekt ons aan.

Want wij weten ons de vermoeiden en de belasten.

En een ieder weet wel, waar de vermoeidheid het meest drukkend is, en waar de last ons het zwaarst weegt.

En nu gaan we „op weg”, een ieder met zijn pak leed en angst en onzekerheid en vermoeidheid en wanhoop. Waarheen?

Vaak naar andere mensen. En wij praten over onze last, die ons drukt. In de meeste gevallen is het resultaat: een wederzijdse nervositeit. Onze angst is verdubbeld. De rust is er niet.

Of ook: We blijven onze last torsen binnen de grenzen van ons eigen bestaan. We praten er niet met anderen over, maar met onszelf. Steeds door. We sluiten ons op met ons leed. En we sluiten ons af. In de meeste gevallen is het resultaat: onverschilligheid, wrangheid, verbetenheid. En onze vermoeidheid verslapt ons nóg meer; de last drukt onze innerlijke weerstand stuk. De rust is er niet.

Nu klinkt er een ander Geluid. Een reddende Roep. Komt! Komt naar mij! Niet naar anderen, niet naar uzelf maar: naar mij! En: Komt zoals ge zijt. Vermoeid. Beladen. Gehavend. Verbitterd.

Het is de Stem van Jezus Christus. En in Zijn Woord bereikt ons de Roep van de levende God. Want God lééft. Zijn Stem bereikt ons nü. terwijl we dit lezen: Komt.

Er is slechts één beperking in het „Komt alten”. Er staat bij: die vermoeid en belast zijt. Alleen zij kunnen de rust, de vrede, bij God vinden.

De sterken-in-eigen-oog (zij zijn wézenlijk de zwakken laten wij dit nooit vergeten) hebben God niet nodig. Het is beneden hun waardigheid vermoeid en beladen te zijn. Niet de volte, maar de holte zielen kunnen met Gods Genezing, met Zijn vrede, vervuld worden.

Maar ook: er wordt in die Roep: „Komt allen” inbreuk gemaakt op onze klein-menselijke grenzen-trekkerijen. Alten mogen komen. Onze grenzen van rijk-arm; dom-ontwikkeld: vriend-vijand; fatsoenlijk-onfatsoenlijk; politieke eensgezindheid en politieke tegenstelling vervallen.

Komt allen, die vermoeid en belast zijt! Niet de weg tot de andere mens, niet de weg tot onszelf, maar de weg tot God, zoals Jezus Christus Hem ons toont, voert tot de rust.

Als wij die „weg” opgaan, weten wij onze smart en onze schuld in eeuwigheidsverband opgenomen. Dan weten wij, door alle twijfel heen, hoe God, ondanks alles, onze „Vader in de hemelen” blijft. Dan kunnen wij zingen: ~Als God mij vertroost, is ’t kruis niet te zwaar, dan ken ik geen vrees in ’t bangste gevaar.”

De mens, die dit ervaart, als wèrkelijkheid en dat kan, God dank, ook nü! gevoelt zich innerlijk genezen en gesterkt. Hij heeft deel aan de Vrede, die alle verstand te boven gaat.

De Zaterdag-van-de-oorlog zag ik de in vuurgloed rood dreigende hemel van het brandende Rotterdam, ’n Droevig gezicht. Oneindig triest. Toen heb ik de waarheid van dit Christus-woord beseft.

„Komt tot mij dat is de weg naar de rust”. Maar Europa van 1919 en daarna heeft gezegd: wij komen niet. En de Waarheid en de Gerechtigheid werden stelselmatig vertrapt, In plaats van de vrede kwam de oorlog; in plaats van de rust de chaos. De rode hemel boven Rotterdam sprak van onze schuld.

Maar het is ook een Reddende Roep. Dat zelfs in de eerste plaats. De terugkeer naar Christus, het zich weer wenden naar het Evangelie dat is de enige redding. Ook voor de wereld van nu.

Behalve de belijdenis van onze schuld, het gehoorzaam aanvaarden van onze taak, is er ook: de werkelijkheid van Gods vergeving voor

üllen, die ~vermoeid en beladen” zijn. In de vuur-hemel boven Rotterdam stond geschreven de door niets en door niemand te vernietigen Roep Gods (en hij stond daar, voor vriend én voor vijand):

„Komt herwaarts tot mij, alten die vermoeid en belast zijt en ik zal u rust geven.”

En nu is de spanning niet weg.

En wij zulten wel weer eens de grens van de wanhoop bereiken.

Maar daar is ook, zéér werkelijk: deze Reddende Roep Gods. Tot de wereld. Tot Europa. Tot ons. KR. STRIJD.

Katholiek vermaan

Behoort het misschien tot de zegeningen van deze tijd, dat wij thans gedwongen worden, opnieuw naar elkander te luisteren? Terwijl de bredere aandacht voor de dageiykse publicaties in pers en radio zeer verminderd is, zullen velen de noodzaak beseffen, om hun vrijgekomen aandacht meer dan anders te richten op wat anderen, tot nu toe in geestelijke zin vreemdelingen, zeggen. Omdat dit een algemeen verschijnsel is, heeft elke geestelijke beweging van zichzelf het gevoél, dat zij byzondere kansen heeft. Wat tot op zekere hoogte inderdaad voor elke geestelijke beweging waar is.

In ieder geval is het boeiender dan ooit te voren, juist nu, op de geestelijke gedragingen te letten van hen, die tevoren tegenover ons stonden. Want ofschoon alle voorspelUngen over nieuwe mogelijkheden voorbarig zijn, één ding is zeker: de omstandigheden dwingen met alle kansen rekening te houden. Wie de zegen van de huidige ramp deelachtig wil worden, zal daarvoor open moeten zijn.

In deze gestemdheid heb ik de brief van den aartsbisschop van Utrecht, Mgr. De Jong, gericht aan de geestelijken en gelovigen van zyn aartsbisdom, gelezen. Het is mij een behoefte, daarover enige opmerkingen van niet-polemische aard te maken.

Zeker, er staat geen nieuws in deze brief. Maar het wordt in een nieuwe tijd gezegd. Mgr. De Jong constateert, dat de plannen der goddelijke voorzienigheid moeten gezien worden van het standpunt der eeuwigheid. Inderdaad, dat brengt ons tot het nemen van een gezonde afstand tot het heden. De aartsbisschop, die voorhoudt, dat „door de zonde het evenwicht der goddelijke orde verstoord is”, vermaant de gelovigen, wél te weten, dat ~wat op een bepaald ogenblik in de geschiedenis verwarring lijkt, eenmaal plaats maakt voor volmaakte harmonie”. Daarom kan de gelovige dit alles verdragen. De gebeurtenissen van de laatste maanden brengen hem tot een dieper besef van het ware levensdoel, dat niet deze wereld, maar de hemel is. „Nu vooral zien wij, hoe ijdel en vergankelyk de aardse goederen zijn”. De vele verliezen op stoffelijk gebied „moge ons een aanmaning zijn, dat v.uj reeds vóór de grote dag, waarop wij eens van alles afstand zullen moeten doen, ons onthechten aan het aardse”.

Als houding voor de practijk van het dageiijkse leven wordt, behalve een krachtig en aanhoudend gebed, een sober leven aanbevolen. „Wy behoeven u niet te vermanen meer dan ooit u thans te onthouden van lichtzinnige vermaken. Er wordt zo onnoemelijk veel geleden in de wereld; zulk een geest zou een mens en een Christen onwaardig zijn.”

In andere tijden zouden wij als niet-Rooms-Katholieken wellicht weinig aandacht aan dit stuk geschonken hebben. Misschien zouden wij gewezen hebben op het gevaar van wereldontvluchting, dat er in besloten ligt en gezegd hebben, dat wij teven op een aarde, die des Heren is. En dat is ook thans nog waar.

Maar afgezien van de theoretische waardering van het aardse, is het een feit, dat de ontzagwekkende vernietiging van menselijke arbeid ook ons, die de aarde zo lief hebben, de betrekkelijkheid van het aardse opnieuw doen beseffen. De vraag nu komt bij mij op, of wij dit besef wel productief maken. Ik meen van niet. Ik voel met schaamte, hoezeer wij in de dagelijkse levenspractijk verzuimd hebben met-de-daad mee te teven. Wij hebben medelijden, vooral, nu dat lijden ons zo

nabij is. Maar welke gestalte krijgt dat medeiijden? Zeker, nog behoren wij niet tot tot de zeer veten, die de remmen losgooien, naar genietingen smachten en de vergetelheid zoeken. En wij minachten die zelfzuchtige oppervlakkigheid van hen, die bang zijn hun Zondagse sigaar en him gesuikerde thee te verliezen, wij kunnen van onszelf toch niet zeggen, dat wij ons terwille van anderen van vermaken onthouden. D.w.z. onze verbondenheid uitdrukken door een sober, ingetogen teven. Het orgaan daarvoor is in ons geloofsleven eenvoudig afgestompt. Wij hebben de Roomse boetepractijk afgewezen, want zij leidde tot werkheiligheid. Wij hebben geen kloosterachtige ascese willen beoefenen, want wij geloven niet, dat de weg tot God geforceerd wordt met dergelijke middelen. Maar daarmee hebben wij tevens de vormen verloren, om te rouwen met de rouwenden, om weerstand te bieden tegen de zuiging van de vergetelheidin-vermaak. En dat is, zo wil het mij voorkomen, verlies, ernstig verlies.

Wij spreken nu over waarden en waarheden, die wij willen behouden en beveiligen tegen de stormen van deze tijd. Is er ook geen reden naar deze Roomse vermaning te luisteren, wanneer zij heenwijst naar een levensstijl, die nodig is, om verbondenheid uit te drukken, en daarmee het grote lijden mede te dragen?

L. H. RUITERBERG.

FUNK JONG MEISJE

zag zich gaarne geplaatst (als huisgenote) bij kinderen. Heeft reeds een jaar in klein kinderhuis gewerkt. Br. onder no. A 9306, bur v. d. blad.

E. C. Knappert op kaar tacktigste verjaardag

Zaterdag 15 Juni wordt mej. E. C. Knappert, onzen lezers welbe: kend, tachtig jaar. Zij behoort daardoor (zie psalm 90) tot de zeer sterken. En waarlijk niet alleen naar het getal der jaren en de kracht van het lichaam.

Zij zal zich verzetten, wanneer zij dit korte stukje in ons blad vindt en zeer nadrukkelijk protest teren: het is waarachtig nogal een tijd om aan persoonlijke dingen aandacht te schenken. Ik antwoord, op mijn wijze óók nadrukkelijk: u hebt gelijk, maar u vergist zich. Het is inderdaad nü de tijd om dankbaar te wijzen op figuren die onder alle stormen door wisten, wat rechtop leven is. Het is nü de tijd neen niet van enige hulde, maar wel van grote en oprechte dankbaarheid om wat door een mensenleven heen komen mocht tot andere levens. De handdruk die wij elkaar nü geven, het sobere woord dat wij elkander nü zeggen, de blik waarmee wij elkaar nü aam zien, is warmer, vaster en bewogen ner dan in jaren van voorspoed: wij weten nü, dat een gelukwens aan een persoon een belofte aan een zaak en beginsel insluit.

Zo, juffrouw Knappert, zeggen wij u dank.

Gods kracht droeg u door jaren van arbeid en ophouw. Zij drage u en de waarheid waarvoor u hebt mogen leven, ook door déze jaren. iv. B.