is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 40, 06-07-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BINNENLAND

Bacillen

Door vele maatregelen in het belang der volksgezondheid, keuring der levensmiddelen, waterleiding, betere volkswoningen, wettelijke bescherming van de arbeid, nieuwe inzichten over de waarde van water, lucht en zonlicht voor het lichaam, terugkeer naar de natuur, maar ook door het werk der tuberculosebestrijding, dat in weinige landen zo stevig is aange – pakt’ als in ons land, is de sterfte aan deze ziekte sterk gedaald en de kans op genezing aanmerkelijk toegenomen. Het woord t.b.c. betekende eens een doodvonnis en werd zo weinig mogelijk genoemd. Thans betekent het woord een vijand, die men in het gezicht durft zien en met goede moed aanpakken en die steeds meer op de terugtocht is.

Op de jaarvergadering der Centr. Ver. tot Bestrijding der Tuberculose werd megedeeld, dat de sterfte thans in 1939 per 10.000 inwoners tot 4.1 gedaald is; een recordcijfer, waarop ons volk trots kan zijn. Deze daling is vooral groot voor de sterfte aan de door de ziekte meest bedreigde organen der ademhaling. Het werk van consultatiebureaux, sanatoriums, zusters, die toezien op de patiënten thuis, maatregelen om hun woningen te verbeteren, zorg voor goede ligtenten enz, enz, heeft ieder jaar meer succes. Overheid en particulieren geven daarvoor grote bedragen. Was er nog meer geld schikbaar, dan zouden nog meer levens te redden zijn. Wij zien hier een edele drang in ons volksleven werkzaam; de sterken zorgen voor de zwakken, het tegenwoordige geslacht voor hen, die komen. Eerbied voor het leven en de roeping om het leven te beschermen en uit gevaar te redden, hebben tot de strijd tegen de onzichtbare vijand, de t.b.c.-bacil geleid.

Voor mij liggen twee bacillen van staal en koper; men heeft geen microscoop nodig om ze te zien. Het zijn kogeltjes, uit mitraiileurs afgeschoten. Ais de scherpe spits doordringt in een der edelste levensorganen, is de dood bijna zeker. Millioenen zijn er de laatste weken afgeschoten van de grond en uit de lucht. Ze hebben zich verspreid ais een hagelbui, door een storm gedreven. Menige sterke is er invalide door geworden en menige ievende is er de dood door ingegaan. Wie thans door ons land heenreist, ziet overal de vernielende kracht van de oorlog. De zware ijzeren gevaarten van bruggen als door de voet van een reus in het water getrapt. Tussen korenvelden en grazend vee en kippenhokken een verzameling ruïnes van huizen, waar kort geleden nog kinderen in de wieg sliepen, moeders van ochtend tot avond ijverig bezig waren, het gezin gezellige uren van rustig samenzijn genoot. Overal het grijze beton van kazematten en mitrailleuropstellingen; hoeveie jonge mannen hebben daar enige weken geleden op de harde grond, ver van de hunnen, het hoofd neergelegd om te sterven! Het zonderlinge schouwspel van een heideveld, dat vol ligt met alierlei kapotte en oude auto’s om de landing van vliegtuigen onmogeiijk te maken. Hopen steen en oud ijzer en balken, die eens magazijnen, werkplaatsen en seinhuizen bij de stations waren. Maar al die verwoesting is als een pas gesloten graf, dat nog niet door zerk of zoden bedekt is, maar waarop de zwarte aarde een heuveltje heeft gevormd. Het lijden en de dood ziet men niet. Zo ziet men ook niets van de strijd, de woede, de angst, de pijn, de wonden en de dood in de streken, waarover het ooriogspweld als een storm gevaren is. Maar men ziet genoeg om te begrijpen, dat ten opzichte van het ooriogskwaad de verbeelding bij de werkelijkheid ten achter blijft.

En men voelt ook, dat de volkeren de taak wacht om de wereld tegen dit kwaad te beveiligen. Een nieuwe wereld en een betere wereld is niet mogeiijk, althans op de duur niet bestaanbaar, indien niet recht en redelijkheid maar geweld, wantrouwen en bitterheid de verhouding tussen staten en volken beheersen. Daartoe is een geestelijke ommekeer in de internationale gezindheid nodig i dat is geen kleinigheid, maar het gaat ook om grote din-

gen, om het behoud van onze kostelijkste, geestelijke goederen. En laten wij niet vergeten, dat ook kleine dingen meewerken om grote dingen tot stand te brengen.

De jaardag der Leidse Universiteit

In 1575 werd na het beleg en ontzet der stad de Leidse academie gesticht, voorai om aan de kerk „een kweekschool van kundige en waardige leraren” te bezorgen. Ze is van zulke kerkelijke kweekschool gegroeid tot een der beroemde universiteiten der wereld, waaraan de namen van tal van grote mannen op ieder terrein van wetenschap verbonden zijn. Zonder enige feestelijkheid was de vorige week het lustrum, de vijfjarige herdenking der stichting van dit centrum onzer wetenschap. In zijn rede vergeleek prof. Fr. Muller den geleerde bij Socrates; hij moet als deze wegwijzer der toekomst, padvinder naar een nooit vermoede rijkdom van de menselijke geest, een niets sparende waarheidzoeker, een bouwer aan de toekomst onzer beschaving zijn.

Prof. Muller wees op de band tussen eenvoud en wetenschap. Hij doelde op het leven, dat niet beheerst wordt door stoffelijke eisen en behoeften en dat in geestelijke rijkdom zijn vreugde en voldoening geeft en daarom tot soberheid leidt, zonder tot kloosterarmoede te vervallen. Wie geestelijke .rijkdom kent, zal niet veel waarde hechten aan schitterende sieraden en prachtige meubelen en al te overvloedig tafeigenot.

Ook maakte deze geleerde op een andere stem dan die der wetenschap opmerkzaam Het is de stem, waarnaar wij met aandacht moeten luisteren en die in ons de meest pijnlijke vraag naar goed en kwaad stil maakt, door te gewagen van:

„Leer mij volgen, zonder vragen; Vader, wat Gij doet, is goed.”

Er is een tijd geweest, dat de wetenschap zich voelde en gedroeg als de trotse ontdekkingsreiziger, die straks ook het laatste onbekende.gebied zal doorvorsen en kennen. Thans begint de wetenschap al meer eerbiedig stil te staan en zich te buigen voor het mysterie in leven en wereld. Van die houding getuigde ook het woord van-den hoogleraar, dat gehoorzaamheid, volgzaamheid en vertrouwen van ons vraagt en dat alleen in een nederig gemoed weerklank vindt.

Prof. Muller wees ook op de band tussen wetenschap en gemeenschap. De eerste moet de gemeenschap wijzen op datgene, wat haar als de schat der eeuwen is toevertrouwd, maar de dienaren der gemeenschap ook opwekken tot het moedige experiment, tot een ijverig en onverschrokken zoeken dus van nieuwe wegen.

De wetenschap en haar instellingen zijn eens als bergen geweest in het gewone volksleven; tussen berg en dal was weinig of geen verbinding. De berg- en dalbewoners hadden dan ook weinig of geen verbinding met elkaar. De taal der geleerden en universiteiten was voor het volk een onverstaanbare taal, zelfs al werd niet het Latijn gebruikt. De democratie van de nieuwe tijd heeft de afstand tussen universiteit en volk kleiner gemaakt. Zij heeft verschiliende kanalen gemaakt van volksontwikkeling, waardoor het geestesleven van het bergland naar het dal kan vloeien. Zij heeft de wetenschap gepopulariseerd, wat iets anders is, dan vakgeleerdheid tot gemeen goed te maken. Zij heeft veel goeds te denken gegeven en vooral velen leren denken.

De stichting van Prins Willem, die zo grote invloed op het karakter van staat en volk heeft gehad en ons de band tussen vrijheid en verdraagzaamheid als voor beiden onmisbaar geleerd heeft, vormt de geestelijke leiders van ons volk en leidt tot verschillende betrekkingen op, maar zij doet veel meer; zij leert ons volk scherper zien, richt het oog naar wijdere horizont, leert als gids de weg vinden in het geestelijk leven.

Geleerden en studerenden moeten zich dan ook niet buiten het volksleven plaatsen en zich bewust zijn van de band, die hen met de gemeenschap verenigt, voor haar verantwoordelijk maakt en een taak oplegt. J. A. BRUINS.

Eenheid of hutspot?

Er zijn nu eenmaal altijd mensen, die met wonderlijke plannen lopen. Ook op kerkelijk gebied. Een voorbeeld daarvan zij in wat volgt aangewezen.

Nederland wordt oorlogstoneel. En vervolgens bezet gebied. Dat woelt ons wezen om. Het doet ons beseffen: veel is bezig te veranderen. Maar wat, hoe, in welke richting? Overhaaste lieden weten het onmiddellijk, machtsbegerigen denken hun plan al klaar te hebben, de meeste verantwoordelijke geestelijke leiders zeggen, na het eerste ogenknipperen: laten wij nagaan, wat er eigenlijk gebeurt. Zij kennen misschien het Franse spreekwoord: „hoe meer alies verandert, hoe meer alles hetzelfde blijft”.

De Kerk verkeert daarbij in een moeilijke situatie. Van nature is zij conservatief. Eik priesterdom is altijd en overal conservatief. En in elke kerkelijke formatie ontstaat onherroepeiijk een priesterlijke geest. Nu staat de Kerk in een zich veranderende wereld. Sommigen hebben dat pas sinds de 10de Mei van dit jaar ontdekt. Voor velen was het al meer dan een mensenleeftijd duidelijk. Zij zagen ook, dat de Kerk die veranderingen aan moest kunnen en spoorden daarom aan tot „gesprek”, „bezinnen”, „actualiteit”, kortom: zoeken naar eenheid. Want zij zagen en zien tot op deze dag: een Kerk, uiteenvallende in kerken, weike binnensmuurs soms op haar beurt weer kraken van spanning. En, voegen wij er direct aan toe: deze verscheidenheid, deze „ruzies”, deze tegensteilingen waren en zijn zinvoiler, dan de buitenstaander vaak wil aannemen. Om in ons land te blijven. Achter ons Hollands particularisme steekt een (wel is waar verkeerd toegepaste) vrijheidszin en een (soms fanatiek toegespitste) waarheidsdrift. Omdat deze twee eigenschappen ons zéér veel waard zijn, zullen wij thans de beschimping van onze fouten, die met onze deugden samenhangen, moeiiijk dulden. Vooral, omdat het op het ogenblik zo zeldzaam gemakkelijk en onridderlijk is en in ieder geval gebrek aan trouw onthult.

Daarom wijzen wij het artikel, dat onlangs in „Eenheid”, godsdienstig Maandblad voor de Ned. Herv. Kerk te Santpoort verscheen, met klem af. De redactie van „Woord en Geest”, die het stuk afdrukte, heeft het met ontsteltenis gelezen. Wij vinden dit een zwak woord. Niet, omdat de werkingssfeer van dit artikel zo groot is, maar omdat dit stuk wel eens symptomatisch voor sommigen in de Kerk kon zijn, willen wij er hier iets nader op in gaan. Hier voigt de aanhaling van de hoofdzaak:

„Met één slag is onze samenleving veranderd. Jaren van vinnige poiitieke en kerkelijke strijd iiggen achter ons, jaren, waarin het alleen is gegaan om mijn partij en mijn kerk. Het grote volksbelang stond op de achtergrond, het privé- en partij- en kerkbelang op de voorgrond. Corruptie, uitbuiting, schijnheiligheid en onverdraagzaamheid zijn woorden, welke wij gerust neerschrijven, die kenmerkend waren voor de tijd, die achter ons ligt.”

Zo begint het. In ons blad hebben wij vaak principiële critiek op bestaande toestanden en denkbeelden gegeven. Daarom zijn wij gerechtigd het volgende te zeggen: niet één enkel woord kan de schrijver van zijn aantijgingen waarmaken. Stond bij de kerkelijke en poiitieke arbeid van de laatste halve eeuw inderdaad het „grote volksbelang” op de achtergrond? Welk groot volksbelang? Wat is het „groot volksbelang”? Het is onze stellige overtuiging, dat bij alie falen van ons allen, de motieven van het handelen en het spreken van hen, die ons volk in velerlei opzicht geleid hebben zeker precies zo zuiver waren als van den schrijver in „Eenheid”. Laat de schrijver bewijzen, dat deze leiders corrupt waren! Hij moge zeggen, dat ze niet breed van visie waren, misschien onbewogen, maar corrupt waren ze niet. Indien wel, dan had hij dat eerder moeten zeggen, en bewijzen. Want corruptie is strafbaar. Verder: laat de schrijver zeggen, wat hij met die schijnheiligheid bedoelt! Schijnheiligheid bestaat waarschijnlijk nergens zo weinig ais in Nederiand, waar humor en nuchterheid elke schijn, en vooral de schijn van heiligheid uitiacht en weghoont.