is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 41, 13-07-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GELUKKIG KIND

Gelukkig kind,

dat ligt en laat geworden al ’t geen den mensch zoo driftiglijk beroert!

Gelukkig kind,

dat niet en peinst op morgen, dat alles mint.

en nijdig niets beloert!

Gelukkig kind, dat eiken stap in 't leven een stap vernaarst

aan 't heilig kinderland!

Gelukkig kind, 'k zou alles, alles geven

voor uw geluk, mijn kind, dat ligt

en roert in 't zand!

GUIDO GEZELLE

Tien jaar Internationaal Vrijzinnig-Christendom

In de jongste aflevering van „Theologie en Practijk”, tijdschrift voor den predikant, heeft Dr. H. Faber een artikel gepubliceerd, dat niet alleen voor predikanten van betekenis Is. Hij geeft een overzicht van het werk, dat in de laatste tien jaren verricht is door hen, die geloven in de roeping en de internationale betekenis van het Vrijzinnig-Christendom. Gaarne geef ik verslag van de zaken, die Dr. Faber meedeelt.

Vooraf dit: het is zonder meer duidelijk, dat het Christendom een tendens heeft naar internationale samenwerking. Het Is hier niet de plaats na te gaan, hoe dat Christendom in de tijden van het Romeinse keizerlijk universeel gedacht is, en hoe de Katholieke Kerk die universaliteit ook belichaamde. Evenmin kunneri wij erop ingaan, hoe de Hervorming de nooit verdwenen tendens naar z.g. landskerken versterkte, en er nationale kerken ontstonden. Dat proces is ingewikkeld en van lange duur geweest. Een tegenbeweging is pas in de jongste eeuw ontstaan. Nu mene men niet, dat kerkelijk „internationalisme” niet anders dan religieus kosmopolitisme was. Zeker, de 19de eeuw was die van verlangen naar wereldburgerdom, naar verdoezeling der grenzen op velerlei gebied.

Maar het mag merkwaardig heten, dat pas toen het getij kenterde en toen de zin voor het nationale opkwam, in de kerken het verlangen naar internationale verbindingen sterker dan sinds eeuwen naar voren kwam. Vijanden van de eenheidsbeweging der kerken doen het wel eens voorkomen, alsof dit internationalisme der verschillende kerkelijke geledingen een soort Volkenbondachtig streven was, die mét de ondergang van de Volkenbond ook als beweging ten dode is opgeschreven. Deze kijk is niet juist. Wel zal het internationalisme op velerlei gebied (het waren niet alleen de staten, die zich orgapiseerden) velen in de kerken open hebben gemaakt voor kerkelijk internationalisme, maar de diepere grond was van andere aard; tegenover een wereld, die steeds minder gevoelig werd voor de christelijke prediking moesten alle krachten verzameld worden; én: het bestaan van verschillende groepen met allerlei nuances prikkelde hen, die het waarheidsprobleem met nieuwe scherpte wilden stellen, waaruit verlangen naar contact ontstond. Apostolaat en bezinning, dat waren de drijfveren van het kerkelijk, breder, het godsdienstig internationalisme.

Ondertussen moeten wD vaststellen, dat zonder ook een bepaalde politiek en cultureel internationaal gerichte mentaliteit, van een godsdienstig Internationalisme moeilijk sprake kan zijn. Maar juist in dat laatste internationalisme liggen de geneeskrachten tegen een al te vlot en vlak internationalisme, dat wij beter kosmopolitisme kunnen noemen.

In dit verband hebben wij dan ook het werk van het Internationaal Verbond voor Vrijzinnig-Christendom te zien. Hierover thans meer.

Vóór 1930 was er wel tussen Vrijzinnig-Christenen internationaal contact geweest. Maar dat beperkte zich tot het houden van congressen. Daaruit een soUede organisatie te bouwen, bleek niet mogelük.

Het zijn de Amerikaanse Unitariërs (een typisch vrijzinnig kerkgenootschap), die de stoot gaven tot het vormen van een vaste vereniging. In 1930 kwamen 60 personen uit verschillende landen bijeen te Arnhem. Daar werd de organisatie gesticht. Kerken en kerkelijke groepen konden lid worden.

Het secretariaat werd In Nederland gevestigd. Waarom? In Nederland was het reeds gelukt, een concentratie tot stand te brengen van verschillende groeperingen met een eigen Centraal Secretariaat. Bovendien was opgevallen, hoe de Nederlanders krachtens hun geografische ligging verschillende talen spraken en bruggen vormden tussen de verschillende grote landen met hun aparte cultuur en godsdienstige tradities. De eerste secretaris werd Dr. (thans Prof.) L. J. van Holk.

Toen men weer uit Arnhem thuis was gekomen, doofde veel vuur. De eerste jaren hebben de secretarissen (Dr. Bleeker en Dr. Noordhoff waren den Isten secretaris toegevoegd) moeten worstelen met het feit, dat zelfs de meest belangrijke brieven onbeantwoord bleven. Dat verhinderde echter niet, dat men plannen maakte. Men droomde van een vrijgestelden, reizenden secretaris, van een internationale theologische school. Maar een geest van internationale gezindheid Is niet van nature aanwezig, en de werkelijkheid deed schema’s stranden.

In 1932 volgden de bijeenkomsten van Frankfort en St. Gallen. De eerste was nodig, om met Duitse geestverwanten contact te krijgen. Het Vrijzinnig-Christendom is in Duitsland minder dan hier een zaak van een bredere kring, veeleer een kwestie voor vakgeleerden. Bovendien was het nodig tegenwicht te wekken tegen het Barthianisme. De resultaten van Frankfort waren gunstig.

Een groot congres, waaraan 300 personen deelnamen, werd in 1934 in Kopenhagen gehouden. Merkwaardig is het, op te merken, dat in de Scandinavische landen de politieke vooruitstrevenheid géén moderne theologie heeft gestimuleerd. In Denemarken is slechts een kleine groep bewust Vrijzinnig, terwijl in het toch zéér vooruitstrevende Noorwegen geen contact met Vrijzinnig-Protestantse origanisaties ibestaat. Gelukkig, zo merkt Dr. Faber op, is een der secretarissen, Dr. Blee-

ker, met een Zweedse vrouw getrouwd. Die kan het contact levend houden.

In Zwitserland kon de aldaar georganiseerde conferentie niet doorgaan. Ofschoon er een sterke vrijzinnige beweging is, is er weinig internationaal besef. Het contact met de Vrijzinnig-Christenen op de Filippijnen, een groep, die zich onder bisschop Aghpay van de R.K. Kerk heeft afgezonderd, eveneens dat met de Brahmo-Somaj in Brits-Indië, gaat stroef.

Van grote betekenis was het congres van Oxford 1937, dat samenviel met het oecumenisch congres aldaar. Daar werd getuigd, dat de wereld het Vrijzinnig-Christendom nodig heeft om van de verbrokkeling, de haat en de geestelijke verwildering los te komen. 400 a 500 bezoekers waren naar het stijlvolle Oxford van heinde en ver gekomen. Van betekenis is dit congres vooral geweest vanwege het contact met de vrijzinnige beweging in de Engelse Staatskerk.

Een rnoeilijk, en nog onbeslist punt is de verhouding met de Oecumenische bew'eging die, terwille van haar kracht, naar een gemeenschappelijke belijdenis zoekt, terwijl de belijdenis, die door de wereldraad van deze beweging wordt voorgesteld, niet door alle Vrijzinnigen kan (worden aanvaard. Indien de Vrijzinnigen niet aan de Oecumenische beweging hun krachten konden geven, zou dat voor beiden een groot verlies zijn.

In 1940 zou het congres in Budapest gehouden worden. In verband met de welbekende omstandigheden, zijn de voorbereidingen voor dit congres gestaakt.

Ziehier een stuk godsdienstig internationalisme. De organisatoren weten goed, hoe ’n zwakke plant het nog is. Maar zij zijn volstrekt overtuigd van de noodzaak, dat het werk na de oorlog op een of andere wijze weer moet worden opgenomen.

De Kerk, dus ook het Vrijzinnig-Christendom, zal steeds de grenzen van volk en land moeten overschrijden. Op het ogenblik, dat zD dit niet meer doen kan, in welke vorm dan ook, is zij geen kerk meer.

L. H. RUITENBERG,

„Scheppingsdroom" ’)

Het was in de oorlogsdagen zelf, dat de redacteur mij dit boek overhandigde. „Scheppingsdroom”, en wij wisten belden wat wij dachten: maar de vernietiging is realiteit.

En toch Is dit een gedachte, die je niet aanvaardt, ondanks het bewijsmateriaal van iedere dag en ieder uur. Wij willen geen onverantwoordelijke dromers zijn, wij willen ons niet koesteren aan de fantaslevoorstelltng van een wereld „vanzelf geworden en vanzelf ook goed”, terwijl om ons heen onze eigen wereld in stukken kraakt. En toch, ondanks die werkelijkheid, die zach aan ons opdringt, trekken wij dan onze rug weer recht, uit een onvernietigbaar geloof aan die krachten, die het woord scheppingsdroom symboliseert: de kracht van opbouw, ordening en herstel, en de Geest, die sterker is dan tanks en bommen.

Daarom schaam ik mij ook niet, dat ik te midden van de vernietiging getracht heb dit nieuw verschenen dichtwerk te lezen; ik heb er de bevestiging In gezocht van het geloof, dat ons allen In deze tijd staande moet houden. Ik heb er die bevestiging ook gevonden, zij het op andere wijze dan ik had verwacht.

Lijkt het zinloos, honderd bladzijden poëzie, terwijl een stad in puin ligt? Integendeel, wij zien met dankbare verwondering, dat in een wereld, waarin zoveel in puin valt, nog honderd. bladzijden poëzie mogelijk zijn.

Dit meen ik zo ernstig en zo letterlijk mogelijk. Vaak hebben wij ons toch af gevraagd of in een wereld zo wreed en zo ongeestelijk als dit oorlogs-Europa, nog plaats was voor het scheppend kunstenaarschap; of iemand in zo’n omgeving nog de animo, de rust, de volharding en het vertrouwen zou kunnen vinden, nodig voor een kunstwerk van wat langere adem. Wij kennen wel de troosteloze relazen en de vertwijfelde kreten van mensen-met-een-artis-