is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 43, 27-07-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het streven naar eenheid

III 111 tl ||

Als ernstig gevaar een gezm bedreigt en rampen het gewone gezinsleven verstoren en tot bijzondere maatregelen dwingen, sluiten de gezinsleden zich nauw aaneen, zijn en doen ze meer voor elkaar dan gewoonlijk; het leed doet het vuur der liefde opleven, zodat het meer warmte geeft. Die ervaring deed een predikant, die veel zorg en moeite in zijn gezin had, bezwaar maken tegen de psalmwoorden: ~Weer steeds alle smart!”, die hij dan ook gewijzigd deed zingen door zijn gemeente. Evenals het familiegevoel wordt het nationale gevoel sterker in tijden van nood en beseffen de leden van een volk dan klaarder en krachtiger, dat zij bij elkaar behoren, ziet men de noodzaak van eenheid in en streeft daarnaar. De oorlog en de bezetting en de grote moeilijkheden, die daarvan een gevolg zijn, hebben bij ons de behoefte naar meer eenheid en sterkere leiding gewekt. Er gaat door ons volk héén een stroom van vernieuwing of juister van verlangen daarnaar. Zelfs conservatieve naturen voelen, dat er zich een overgang aan het voltrekken is van oud naar nieuw en dat daartoe maatregelen, die men vroeger dwaas en zelfs onmogelijk achtte, noodzakelijk zijn.

Velen behoren tot hen, die volgens mr. Linthorst Homan de grote gebeurtenissen, die zij betreuren, menen te moeten aangrijpen, om in open werkelijkheidszin de fouten van het oude uit te bannen en de goede kanten van de nieuwe plannen ernstig te bezien en bij accoordbevinding in te voeren.

Men zoekt naar eenheid, maar kan echter de weg daarheen nog niet vinden. Er zijn thans te veel gidsen en verschillende wegen worden ons als de goede aangewezen. Er is verdeeldheid over de eenheid! Velen willen ook wel het nieuwe, maar weten niet recht wat zij willen. Het moet anders worden, maar zij weten zelfs niet in grote lijnen aan te duiden, wat dit andere is. Men wil aan een klein aantal der besten de leiding geven, maar wie zijn deze besten? Men wil op allerlei gebied herstellen en bouwen, maar is het niet eens over de plannen daartoe en heeft niet veel meer dan een vage voorstelling ervan, een schetsmatig krabbeltje in plaats van een tekening in hoofdlijnen.

Dat wij in een overgangstijd leven, staat wel vast. Op ieder gebied ziet men reeds enkele tekenen, die erop wijzen. Er gaat een orkaan door de wereld, die op de duur zuiverend zal werken, maar ook veel schade doet en leven vernietigt. Een overgangstijd is steeds vol verwarring en stelt voor zware problemen. Dat is een reden mee van de onzekerheid, de besluiteloosheid en de verdeeldheid inzake de eenheid en het nieuwe, die komen moeten. Men raadt daarom wel aan, om thans te doen als de dokter, die bij een patiënt aanvankelijk niet ingrijpt en geen middel toepast maar wacht tot er duidelijker tekenen zijn, die hem de aard der ziekte leren kennen en daarbij de weg tot genezing aanwijzen. Die raad is echter niet ongevaarlijk.

De eenheid en het nieuwe, willen zij levenskrachtig zijn, moeten zijn naar onze historie en volksaard. Het gaat met een volk als met een voet; niet elke schoen past het. In andermans schoenen loopt men moeilijk en pijnlijk!

Germaanse wedergeboorte

Volgens het Nat. Dagblad moet de vernieuwing in Nederland een Germaanse wedergeboorte zijn van het Germaanse Nederlandse volk. En niets anders.

De grote vraag is dan ook, of wij een Germaans Nederland willen, bereid en in staat zijn plaats in het Europese front der gezamenlijke Germaanse volken in te nemen. Wie die Germaanse wedergeboorte van ons volk afwijst, heet het dan verder, is „volksvijandig”, omdat hij zich tegenover de eigen aard van zijn volk plaatst.

Niemand ontkent het bestaan van rassen en van rassenonderscheid. Blanken zijn geen zwarten en Germanen geen Slaven. Het natuurlijke onderscheid is echter meer naar het uiterlijk dan naar het innerlijk. En door de dooreenmenging der rassen is het onderscheid ook lang zo scherp niet meer, als het aanvankelijk was. Wetenschappelijk staat over de verdeling der mensheid in rassen niet veel vast. In Europa is zeker geen land, dat bijna uitsluitend door leden van één ras bewoond wordt. Ijsland wellicht uitgezonderd. Tegen de geest van het Christendom is zeker de overheersing en de verdrukking van het ene door het andere ras. De leden van een ander ras, hoe sterk ook van het onze verschillend, zijn onze medeschepselen, ook kinderen van den Alvader. In de éne kudde is plaats voor witte maar ook voor zwarte schapen. Het is niet voldoende, om goed Nederlander of een goed Germaan te zijn. Een goed mens te wezen, betekent en vereist meer. Lessing tekent ons in zijn Nathan, die tot het verachte ras behoorde, den mens van het warme hart, de ruime geest en de zuivere vroomheid. Het is van belang op de raszuiverheid van het vee te letten; maar een medemens mag men niet veroordelen en verstoten, omdat hij tot een ander ras behoort. Als er één gedachte christelijk is. dan zeker wel deze.

Daarom wijzen we ook de eis, dat ons volk als een Germaans volk wedergeboren moet worden af, ook al worden wij daarom door het Nat. Dagblad „volksvijandig” geacht. Een wedergeboorte tot dienaren der gemeenschap, tot strijders voor de gerechtigheid, tot bewaarders onzer geestelijke goederen, waartoe we ook onze taal, onze historie, onze volksaard, onze nationale kunst en de schoonheid van ons land rekenen, deze is nodig en zal de kracht geven aan ons onder de voet gelopen volk, om zich weer op te richten en een eigen volk te blijven. Een volk, dat bereid is, samen te werken met den groten nabuur, maar daarbij vrij moet blijven, naar zijn aard en traditie en inzicht ook over rassenonderscheid te oordelen en dit dus als Nederlanders te doen.

Een getuigenis der Synode

De Synode, het hoogste bestuur der N.H. Kerk heeft een getuigenis gegeven van het geloof dezer kerk. Een geloofsgetuigenis kan in deze tijd van onzekerheid en verwarring zeker waarde hebben. Het komt echter niet alleen op de inhoud maar ook op de taal aan. Het geloof maakt op menigeen geen indruk en stoot zelfs af om de taal, waarin het geuit wordt. Het is vaak de taal van vorige eeuwen. Over het algemeen is de taal van de Bijbel krachtig en zeer schoon. Bootst men ze na en spreekt men alleen bijbeltaal, dan maakt ze geen indruk. Men moet niet de taal van Bijbel en verleden maar de eigen taal spreken. Dat doet de Synode in haar getuigenis niet; haar taal schrikt eerder af dan tot lezen te lokken. Ze is zeer plechtstatig, maar mist de krachtige klop, die de harten doet openen.

Ook door de kerk moet niet de tale Kanaans maar de taal van Nederland, de eigen, levende taal gesproken worden.

J. A. BRUINS

DE ORGANISATOR

Laten wij samen, geduldige lezer, tot den Organisator het verzoek richten om een ogenblik zich tot onze beschikking te stellen en zich te laten beschouwen. Wij zien hem dagelijks langs ons heen stappen, fietsen, rijden, soms zelfs boven onze hoofden vliegen, en nu komt de lust op, te vragen, wie hij eigenlijk wel is. Let eens op, lezer, van die vraag wordt hij schichtig, en in ieder geval ongeduldig. De Organisator heeft n.l. een vlotte mensenkennis, maar evenredig weinig zelfkennis. Hij weet precies, hoe men een en ander aan moet pakken, maar wie hij zelf is, kan hij U niet zeggen.

De Organisator komt langs: ’s morgens vroeg al, met een PTT-pet op, daarna de melkboer van de zuivelfabriek, dan de meteropnemer van het electriciteitsbedrijf, de loper van de coöperatie, en als gij ’s avonds een ommetje maakt, dan staat de politieagent het verkeer te regelen of een bekeuring te noteren. Wat een organisatie! Ja, en dat is allemaal maar uiterlijk. De inwendige mens merkt tegenwoordig ook wel iets van de Organisator: één bevel, en de koffieroom, Zondagmorgense heerlijkheid, is weggeroomd.

Nu pleegt een mens speciaal bewondering te hebben, voor wat hij niet bezit. Daarom wordt nu méér dan ooit de Organisator, dat is de figuur, die achter de organisatie staat, stil vereerd en met huiveringwekkende eerbied omgeven. De Organisator doet ’t ’m toch maar!

Die eerbied is niet van vandaag of gisteren. Maar gisteren stonden wij er toch anders tegenover dan vandaag. Gisteren kon men grote groepen medeburgers met rustig vertrouwen horen spreken over de Organisatie. Hün Organisatie. De Organisatie, die hun kleine wil tot een grote macht smeedde. De Organisatie, die veiligheid betekende. En aan de top stonden kerels, keien. Die confereerden, schudden met de vuisten, sleepten een stukje levensvreugde voor je in de wacht, en maakten, dat je ’s avonds vrij was om te kuieren of om de radio aan te zetten. Vandaag echter blijken al die organisaties iets wonderlijks te hebben. De machinerie loopt gewoon door. En het papier, waarop de kranten gedrukt worden, is van dezelfde tint, maar er is iets veranderd. De Organisatie had het mogelijk gemaakt door het verzetten van één schroef, het overhalen van één handle, ons, georganiseerden, over te schakelen op een andere stroomsterkte.

Ja, Organisatie was wel een toverwoord. D.w.z. een woord uit de toverwereld. En ’t is als met alle tovenarij: zij, de Organisatie, begint met zoet te lokken, maar openbaart tenslotte een huiveringwekkende wereld. Organisatie leek: verband-tot-vrijheid. Organisatie bleek: vrijheid-in-banden.

Wat zijn dat nu voor mensen, die organiseren? Niet iedereen kan dat. Integendeel, slechts weinigen zijn in staat, een organisatie op te bouwen en te beheersen. Daarvoor heeft men kwaliteiten nodig. Welke?

Ik zie er drie. Zin voor orde, onverwoestbaar zelfvertrouwen en practische mensenkennis, De Organisator moet ook sommige dingen niet hebben: hij mag geen last hebben van een bespiegelende geest, noch van sentimentaliteit, noch van zenuwen.

Laten wij zijn eigenschappen van meer nabij zien.

Zin voor orde. Hierin ligt het vrijheidselement van alle organisatie. Organisatie brengt orde in een chaos. En het brengen van orde behoort tot de allerwezenlijkste kenmerken van de menselijke geest. Maar de meeste mensen ordenen maar heel weinig. Hoogstens hun arbeid, zelden hun vrije tijd.

Al spoedig laten wij de rest op z’n beloop. Wij zeggen dan, dat wij het niet verder aankunnen. Maar de ware Organisator kan het altijd aan. Hem is elke oneffenheid in het systeem een gruwel. Om een actueel voorbeeld te noemen: Daarom moesten bij de Nederlandse Spoorwegen de uurdiensten worden ingevoerd. Géén particuliere belangen, géén streekbelangen, één strakke lijn. Wij reizigers vinden het prettig, want ook de reiziger is een mens, en een mens is lui. En ik verwijs