is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 43, 27-07-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar een nóg actueler voorbeeld: De distributie. Hoe kan nu de Organisator optreden: ieder het zijne; precies het zijne. Hij weet alles en laat de gegevens maar door de Hollerytmachine draaien, en de Nederlander staat naar lichaam en ziel op een kaart. Daar zijn wij allen bij. Ja, daardoor zijn we er volkomen bij. De Organisator heeft ons in de macht, en wij vinden het ook wel goed zo.

Onvenooestbaar zelfvertrouwen. Haha! stap zijn kantoor binnen en gij zijt al geïmponeerd. Hij doet zakelijk alles af. Hij geeft het preciese antwoord. Hij heeft steeds vóór zich wat hij wil. Hij geeft bevelen op een manier, die geen tegenspraak duldt. Waarom ook? Hij, de Organisator, weet het toch immers en hij wil weten, dat hij het weet. Bovendien is het voor alle andere mensen heel gemakkelijk, want nu behoeven zij het niet te weten. Dat zelfvertrouwen is in de grond onuitstaanbaar, maar dat beseffen vooral zij, die met zichzelf overhoop liggen. Maar soms is het tegelijkertijd bekoorlijk. Vanwege het aroma van vitaliteit om zo’n man. Zo’n echte man, zo’n heersende man. Want een Organisator is een man, ook al is zij nu toevallig een vrouw. Wat staat zo’n organisator in het leven! Ja, maar in dit leven. Alle andere levens van straks en van ginds zijn hem vreemd. In de beperking toont zich den meester. Welnu, hier, in deze wereld, is hij meester. Dat is zijn beperking, zijn grens. Tenslotte, zo zal straks blijken, zijn noodlottige grens.

Practische mensenkennis. Daarmee overtompelt de Organisator U. Hij weet, hoe zwak gij zijt. Hij kent Uw verlangens. Hij zegt ze te dienen, ze te ontzien. En omdat hij zo’n goede mensenkenner is, zegt hij dat alles zo, dat het ook aannemelijk wordt. Hij, de Organisator, weet, wie hij op de schouders moet kloppen en wie op een afstand behandeld wil worden. Hij weet ook, wie op de verschillende posten het best past. Hij voorvoelt de grenzen van iemands kunnen en hij vergist zich zelden. Hij ruikt U, hij doorschouwt U. ledereen wordt materiaal. Onderdeel. De Organisator is mechanicus, maar zijn materiaal is van vlees en bloed.

De Organisator heeft altijd een doel, waarvoor hij organiseert. Soms is dat een verheven doel, soms is het niets dan het organiseren van een landelijk verband van liefhebberijhengelaars. Die doeleinden zijn den waren Organisator betrekkelijk onverschillig. Daarover te spreken, laat hij anderen over. In zijn hart heeft hij daar minachting voor, ook al organiseert hij de propagandadienst nog zo voortreffelijk.

Toch grijpt de Organisator er op den duur naast. Want hij mist ook iets. lets zéér wezenlijks: hij heeft geen eerbied voor mensen. Hij ziet hun nut, niet hun innerlijke waarde. Daarom is hij niet sentimenteel en daarom moet hij beschikken over stalen zenuwen. Daarom haat hij alles wat op bespiegeling lijkt, want peinzen maakt moe en in-actief. Direct daarmee in verband staande: de Organisator, of hij vroom of niet vroom, links of rechts is, kent geen Heilige. Misschien heeft hij ervan geleerd, hij is er niet door be-leerd. Hij wil de dingen afmaken, ordenen, feUloos laten marcheren. Dat kan een mens niet, als hij rekening gaat houden met den Volmaker, met den Ordenaar, met den Regeerder. De Organisator heeft steeds de strekking in zich, banaal gezegd, om God concurrentie aan te doen. Ook al spreekt hij graag en veel over de Voorzienigheid.

Waarom ik dit alles schrijf? Omdat ik zo bang ben, dat velen vergeten gaan, dat organisatie een middel is tot bevrijding van lasten, maar nooit doel in zichzelf mag worden. Ik ben bang, dat men de organisatie om haarzelfswil schoon gaat vinden. Dat er een vrome stemming komt jegens hen, die ailes, alles, alles, organiseren, een stemming van eerbied en afgunst.

Wie organiseert (en wij doen het allen op z’n tijd, al worden weinigen Organisator), wete van het begin af de grenzen. Wete, dat organisatie buitenkant is. Wie geneigd is te buigen voor de organisatie, wete, dat hij knielt voor een gestalte, die spoedig de trekken van een demon vertoont. L. H. RUITENBERG

In het Mauritshuis

De oude kunst der musea, tijdens de oorlog opgeborgen, wordt weer voorzichtig te voorschijn gehaald, en is in bescheiden mate voor het publiek zichtbaar gesteld. De directie van het Mauritshuis heeft het goede voorbeeld gegeven: in enkele benedenzalen hangen weer enige schilderijen, vanzelfsprekend niet de meest waardevolle der collectie, maar toch zijn er steeds, door wisseling, bovendien gevariëerd, enkele voortreffelijke werken te zien. Kan het in deze boze tijden, behoort deze actie tot dat wat „gewoon” doorgaat in den zin van waar dr. Banning onlangs over schreef in ~Tijd en Taak”? Het is als moeten wij de waarde onzer munten alle herzien; de verschrikking die over ons is gegaan, voor de een vlak bij, voor de ander op een afstand, heeft ons in onze bedrijvigheid van werken en ont ■ spanning door elkaar gerammeld. Wat was die kunst eigenlijk voor hen, die haar verrichtten èn voor hen, die haar tot zich namen: een tijdverdrijf, een vlucht of een functie, die behoort bij het scheppend organisme van den mens? Als overbodigheid wordt zij nu weggevaagd, zij kan nóg voortbestaan als de luxe van slagroom met aardbeien voor hen, die de weelde bezitten, zij kan tot vluchtoord van zwemmerige sentimentaliteiten worden, omdat de hardheid van het leven sentimenten uitbant, zij kan misbruikt worden als verdoving om zich aan de werkelijkheid te onttrekken. Zij is steeds een overvloed, een zegen die zich baanbreekt onverwacht dwars door de verschrikkingen heen, die er altijd zijn. De schoonheid mag niet als een cultus beoefend worden en God verdringen. Wij hebben in deze dagen beseft hoe alles ons ontnomen kan worden, elk huis ter beschutting gebouwd, is bedreigd. De kunst is in de ergste zonde en beklemming niet een zeker geneesmiddel. Maar wèl is zij er plotseling als een waarheid, die stilte en ontspanning brengt, óf als een aanklacht die haar stem verheft, een werkelijkheid die zich niet laat verdringen en aanwezig is.

Zo is het zien van een goed schilderij, het horen van muziek een bijzondere verrijking in onze dagen.

In het Mauritshuis vindt men thans beide, schilderkunst en muziek. In één der bovenzalen laten iedere middag om 3 uur met de week afwisselend voortreffelijke muzikanten zich horen. Er is geen vertoon van aanzienlijk publiek, men hoort er geen artistieke capriolen van een virtuoos, slechts een goed en aandachtig musiceren voor enkelen die luisteren met al hun aandacht. De muziek is hier gehaald uit de pronk der concertzaal met de kletterende applaudisserenden binnen de stijlvolle sfeer der intimiteit, waar de uitvoerenden allereerst de muziek dienen. Een voortreffelijke opzet, uit de nood geboren, die naar mijn mening alle aandacht verdient. Drie landschappen, een van Goyen, een

Potter, een Alb. Cuyp, behoorden die week tot het belangrijkste der schilderijen. Bovenal de prachtige, hierbij afgebeeide van Goyen had mijn aandacht.

Verwonderlijk is steeds bij vele der Oud-Hollandsche landschapschilders het samengaan van een speelse luchtigheid met een strenge overweging der compositie. Ze geven niet een brok gesneden uit de natuur, maar een zorgvuldig in het atelier gecomponeerd landschap, voorzien van een goede stoffering. Bij de minder sterke talenten wordt het al gauw een kundig gepenseeld tafereel, waarop heel wat is te zien, maar het werk van een groot schilder als van Goyen ademt een geest van vrijheid en natuurlijkheid niettegenstaande het veel voorkomend schema der verdeling van de schaduw die over de voorgrond trekt om het licht effectvol tot zijn recht te doen komen. Men lette op de bouw van het stuk: de drie roeibootjes als silhouetterende accenten uit de schaduwen over het water, het zeilbootje links met de roeiboot op de voorgrond een stevige flankering van de oever met de huizen en paarden rechts. Lxistig zijn schepen, kruivende golven, figuurtjes in actie, het getril van gebladerte tegen de grijze wapperende wolken, het gekriebel aan de horizon met de zware toren, die zich prachtig voegt in de hoek rechts, getekend. Het is een tekening in wat oker en bruin, met een groen en rood en blauw ter afwisseling, waarmee een rijk, sterk coloriet wordt gesuggereerd. Het licht tipt door de schaduwen heen, over de schuimkronen der golven, langs de bil van een paard en over de schouder van zijn berijder, het raakt ritselend aan de vormen der dingen, die in de donkerten gedoken liggen. En uit dit gehele verhaal van onderdelen klinkt maar één toon: het ruisende geluld van de wind over het vlakke land en water van Holland. Blijf maar eens een half uur zitten voor zo’n schilderij, dommel er bij in en hoor de wind, kijk weer op en zie de gloed van het coloriet, dat aanwakkert of matter wordt naarmate het licht van buiten sterk wisselend of stil is. Zo komt het geheim van een organisme, dat een eigen leven kent met verrijkende kracht tot u. Wij zijn er dankbaar voor dat het kan!

H. A. GERRETSEN

BOEKAANKONDIGING

De verlaten tuin door A. J. C. Miedema—Zilver. Uitg. Mij. „Editio”, Hillegom 1940. Prijs ƒ 1.50—ƒ 2.—.

Het best is dit bundeltje schetsen misschien aan te duiden als „Zondagschoolverhalen voor ouderen”. Dit klinkt misschien wat kleinerend en toch bedoel ik het niet zo. Het zijn gevoelige grepen uit het leven, zeer eenvoudig en dan ook van waarde, dunkt me, voor eenvoudige mensen. Ik denk, dat bv. dorpspredikanten het graag zullen te lezen geven aan zieke moeders of oudere meisjes. Al te origineel zijn de verhalen niet; het aardigst is in dat opzicht het schetsje, waaraan het bundeltje z’n naam ontleent. H. B.—S.