is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 44, 03-08-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BINNENLANDSE KRONIEK

De positie der Joden in ons land

De „N.R.Crt.” wil de aan ons volkskarakter eigene verdraagzaamheid laten aansluiten aan de Duitse denkbeelden over bloed en ras. Of dit mogelijk is? Deze tegenstelling zal alleen overbrugd kunnen worden, indien de Duitse denkbeelden zeer verzacht worden of wij onze verdraagzaamheid beperken en verzwakken; dan zal het. nog de vraag zijn, of men een op de duur houdbare brug zal kunnen bouwen.

Het blad behandelt de moeilijke kwestie met grote voorzichtigheid, die denken doet aan de poes en de pot met hete brij. Trouwens iedere journalist bedenkt tegenwoordig bij zijn werk het: Poes, brand je bekje niet! Sommigen draaien om de pot heen en mijden het gevaar, zich te branden, zorgvuldig.

Volgens de „N.R.Crt.” was de leiding der socialistische partijen hier sterk doortrokken van Joodse elementen, die daar een veel grotere rol speelden, dan door het percentage van de aangesloten arbeiders werd gerechtvaardigd.

Van de leiding der twee voornaamste organisaties der moderne arbeidersbeweging, S.D.A.P. en N.V.V., geldt dit echter zeker niet. In hun thans afgezette hoofdbesturen nam het Joodse element zeker een niet te grote plaats in. Wel waren er vele Joden onder de leiders der moderne arbeidersbeweging in onze hoofd – stad; misschien was hun aantal, als men er een rekensommetje van maakt, te groot. Onder deze leiders van Joodse afkomst waren echter zeer bekwame mannen; van een Joodse bevoorrechting hebben wij nooit iets gemerkt, al uitte zich meermalen hun sterke gehechtheid aan hun ras en rasgenoten. Dit laatste was b.v. bij A. B. K. het geval, maar wij waardeerden eerder deze trouw, dan dat wij er aanstoot aan namen; deze trouw ging ook samen met een ruime opvatting en een diepgaand begrip van anderen; zo leek A. B. K. soms even Rooms- als Joodsgezind.

Over het algemeen vindt men bij den Jood, ook al heeft hij met het geloof en de zeden en wetten zijner voorvaderen gebroken, een sterk rasgevoel. Dat kan leiden tot overheersing, tot een rassenimperialisme over alle levensterreinen. Voordat in Duitsland het nat. socialisme de Joden terugdrong, was het aantal Joden in de pers, de politiek, de advocatuur, de handel, industrie en geneeskunde daar bijzonder groot; dat gold bovenal van Berlijn. Dat feit heeft het vuur van het antisemitisme daar mede zo hoog doen opvlammen. In ons land is dit echter niet het geval. Indertijd heeft Henri Polak aangetoond, dat het aantal Joden in vooraanstaande betrekkingen in ons land verhoudingsgewijze gering en zeker niet te hoog is.

Ten opzichte van deze kwestie schrijft de „N.R.Crt.”: „ledere geweldpleging ware kinderachtig, zo niet erger.”

Wij vertrouwen, dat en onze traditionele welwillendheid jegens hen, die van vreemde afkomst zijn en onze christelijke opvatting over saamhorigheid ondanks verschil van ras of natie ons volk inderdaad van iedere geweldpleging tegen de Joden zal weerhouden. Pogroms maar ook kleine plagerijen horen hier niet thuis.

Gemis aan leiding

Ons land doet thans denken aan een brand, waarbij meerderen zich opwerpen als leiders en roepen: Hier water! Zo moet je het vuur aanpakken! De officiële brandweer blijft uit en nu is het een warboel, een door elkaar heenlopen van mensen, die graag wat willen doen. Regering en parlement ontbreken thans in ons land; de politieke partijen zijn tijdelijk op non-activiteit; in onze pers is het als van ouds: zoveel hoofden zoveel zinnen en er zijn vele hoofden. We hebben leiding nodig op de weg naar een nieuwe tijd; zonder sterkere volkseenheid zou ons volk wel eens verloren kunnen gaan. En de drang naar eenheid

schijnt wel de nieuwe reden tot verdeeldheid te zijn. We hebben de 100 pet. Nederlanders en de organisatie Nieuw Nederland, de N.S.B. en het Nationale Front; we hebben ook de Nederlandse Unie, die waarschijnlijk het grootste aantal aanhangers zal winnen, maar die nog te weinig duidelijk en scherp haar doel heeft gesteld. De leider moet precies de richting weten en aan wij zen, waarin men gaan moet. Laten de drie mannen der Unie na, dit laatste te doen, dan zal er van hun woord weinig kracht uitgaan en naar hun advies niet gehandeld worden.

De nood van de tijd en de vragen der toekomstige ontwikkeling, waarin vooral het oeconomische leven verkeert, hebben nog geen nieuwe volkseenheid kunnen smeden.

De wil en het woord van een man, dien allen vertrouwen, helpt soms allen zonder ongelukken een brandende zaal te verlaten. Vaak echter roept dan de een: Door deze deur!, de ander: Langs die gang!, maar geen enkele stem dwingt tot luisteren en gehoorzamen en er ontstaat een wild gevaarlijk gedrang. Zal het zo ook in ons land gaan?

J. A. BRUINS.

De Nederlandse Unie

Het stukje dat onze vriend Bruins hierboven schreef over „Gemis aan leiding” is door een uitvoeriger publicatie van de Nederlandse Unie achterhaald. Uit de Persconferentie van Zaterdag j.l. is wel gebleken, dat deze eenheidsbeweging bewust thans niet met politieke programpunten komt; een periode van bezetting is daartoe volstrekt ongeschikt. Wèl komt zij met een sociaal-economisch program, dat sterk aan het Roomse solidarisme doet denken, en hecht zij grote waarde aan opvoedkundig werk in Nederlandse geest, terwijl volkomen duidelijk geloofs- en gewetensvrijheid en verdraagzaamheid, op Christelijke grondslag, wordt voorgestaan. Dit gepubliceerde program lijkt mij heel wat duidelijker dan dat van andere groepen, vooral omdat de opstellers diep doordrongen blijken van het besef, dat in een noodtoestand niet vooruit mag worden gegrepen op het politieke bestel; daarover, zo zei met nadruk mr. Einthoven, kan pas gesproken worden bij de vredesonderhandelingen en daarna. Het bedenkelijke van andere groepen is juist, dat men doet alsof wij in Nederland en Europa reeds voor definitieve toestanden staan. En om deze reden, èn omdat zonder enige reserve de dictatuurgedachte is afgewezen, mogen wij met belangstelling de werkzaamheid van de Nederlandse Unie volgen, en verwachten wij goeds van haar. Voor overspannen verwachtingen zullen de voormannen zich wel hoeden, omdat zij voortdurend bedenken, dat Nederland bezet gebied is en Duitsland in een oorlog gewikkeld is waarbij alles op het spel staat. Binnen de grenzen door deze harde feiten gesteld, is niet alles mogelijk wat men wel wenst. W. B.

Boekaankondiging

Oorlogskookboek, door A. Geurts. 2e druk, 1940. Ultg. J. J. Romen en Zonen, Roermond-Maaseik.

Van dit handige kookboekje kunnen heel veel huisvrouwen plezier hebben, ook buiten oorlogstijd. Men vindt er alle mogelijke goede raadgevingen in verzameld, die we bij stukjes en beetjes in de huisvrouwenrubrieken van de dagbladen toegediend kregen de laatste tijd, over besparing van brandstof, besparing van suiker, van koffie en thee, van boter bij de broodmaaltijden, enz. enz. Verder geeft het eenvoudige recepten voor 33 warme maaltijden en raad over inmaak. Mijn enige bezwaar tegen dit aardige boekje is, dat het eigenlijk alweer door de distributiemaatregelen achterhaald is: er wordt nogal heel wat in gebakken en gebraden, meer dan het boterrantsoen toelaat. Maar dat is meer een bezwaar tegen het lage boterrantsoen dan tegen het boekje.

H. B.—S.

UITING

Onlangs ben ik een paar dagen in Rotterdam geweest. Het was niet de eerste maal dat ik er kwam na de verschrikkingen van de 14e Mei, en ik ging niet om puinhopen te zien en verhalen van ellende te horen. Ik ging om particuliere redenen, maar ik heb gespannen geluisterd naar het geluid van mijn stad, zoals men luistert naar de ademhaling van een zieke.

Ik kwam er tegen de avond, en er was hier en daar in het vallend donker een onheilspellend gegons. Neen, ik bedoel geen vliegtuigen; het was een geluid als een verontruste bijenkorf, een geluid van mensen die het gebeuren tè hard heeft aangegrepen en die zich niet uiten kunnen. Mensen die op straat zijn omdat zij de rust missen om binnen te blijven, die rumoeren omdat zdj te gespannen zijn om de stilte te kunnen verdragen. Een bóós gegons; de patiënt heeft koorts.

Maar in de heldere dag heb ik door de straten gedwaald waar het leven zijn gang gaat, in de roezende binnenstad waar de ruimers de toon aangeven, op de markt waar de handel geanimeerd is, waar het goede Hollandse fruit wordt verkocht en de vlugge woorden heen en weer vliegen. Toen heb ik tot mijzelf gezegd dat mijn stad leefde en niet onder zou gaan

Eerst hebben de mensen versuft bij de verwoestingen gestaan. Zij hadden geen woorden, zij hadden nauwelijks gedachten voor wat er gebeurd was. Nu heeft de stad haar houding en haar uiting alweer gevonden. Ik heb mij de verhalen laten vertellen, de prachtige verhalen, van kerkdiensten in bioscoopgebouwen en concerten in de Manege deze stad laat zich haar uitingsmogelijkheden niet ontnemen —, ik heb op de winderige Zondagmiddag het Rotterdams Phllharmonisch Orkest horen spelen in de tuin van de Buitensocieteit: „Die Himmel erzahlen die Ehre Gottes”, was het dan ook geen prachtige dag, met zon en wolken en glans over het water, en zouden niet langer „de hemelen Gods heerlijkheid vermelden” als de mensen ellende brengen over elkaar?

Toen heb ik er iets van begrepen, hoe bitter nodig het voor mens en mensengemeenschap is, zich te kunnen uiten. Het is eenvoudig een levensvoorwaarde. Rotterdam zoemt op het ogenblik van de moppen. Dat is niet omdat de Rotterdammers zulke geestige lui zijn, en nog minder omdat zij ongevoelig zijn voor het ongeluk van hun'stad. Geestig of zouteloos, onschuldig of met een heel bittere smaak, de mop is een uitingsvorm. De jongensachtige dwaasheden die men op de puinruimersauto’s lezen kan, de wrange geestigheid waarmee de ene vriend de andere een ogenblik opwekt, zij voldoen alle aan dezelfde behoefte: een innerlijke spanning wat te ontladen, die anders ondragelijk zou worden. Goddank dat ons volk die weg gevonden heeft, dat het, geslagen, nog moppen maken kan!

Natuurlijk is de mop geen oplossing, zomin als het concert een oplossing is, of, op ander niveau, de draai om de oren van uw jengelend kroost. De oorzaak van de spanningen wordt er niet mee weggenomen; maar het is een zaak van geestelijke gezondheid, dat wij er op het ogenblik in slagen, althans de spanningen zelf wat te ontladen.

Misschien is dit een tijd, dat velen kunnen leren op een andere manier naar een kunstenaar te luisteren dan vroeger. De kunstenaar is immers de mens, die uitdrukt wat wij niec uitdrukken kunnen. Misschien dat wij nu, nu de behoefte aan uiting een levenskwestie wordt, pas leren om werkelijk de kunstenaar te verstaan. Er is een dichterwoord dat ik de laatste tijd ontelbare keren bij mijzelf herhaald heb. Maar in een andere tijd zoudt gij, lezer, mij waarschijnlijk niet begrijpen, als ik zei dat het bitterder is dan de bitterste mop, schoon als een concert, en even heftig in zijn