is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 46, 17-08-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De geliquideerde paardentram

EEN VERHAAL MET EEN MORAAL

Toen Amersfoort nog een kleinsteeds stadje was, reed er een paardentram. Dat was in de tijd, toen alleen zéér ondernemende lieden het initiatief hadden buiten de oude wallen, die tot plantsoenen gepacificeerd waren te gaan wonen. Toen bestond het plaveisel nog uit kinderkopjes, afstammelingen van de Grote Kei en toen regende het carillon van de toren over alle burgers nog gelijkelijk zijn klanken.

Die paardentram was er gekomen, toen de Spoorwegen het station vèr buiten de stad bouwden, en men zelfs moest klimmen om naar ’t spoor te gaan. Scherpziende en ondernemende burgers hadden begrepen, dat er wat inzat, en ze brachten een verbinding tot stand tussen stad en station. Zelf reden ze met een waggelend coupétje, maar er waren ook anderen, die moe werden van de afstand en het wegdek. Voor hen was dan de paardentram.

NAAR WIE TREKT ZE DE NEUS?

Zo werd die paardentram, na de kinderwagen mijn tweede equipage. Meestal was het ’s avonds laat, als je nog doezelig uit de trein kwam en vader vooruit holde, om te zien, of de paardentram er nog stond. Was ie weg, dan was ’t half uur wachterr op de volgende tram niet de moeite waard. In die tijd kon je ruimschoots je huis bereiken. Stond ie er, dan mocht je mee. Je genoot van zoveel comfort.

Maar soms, als je bij Tante, die aan het eindpunt van de tram woonde, een middagje mocht spelen, en als ze glad met je verlegen was, dan kwam de heerlijkst denkbare tractatie: met een retour naar het station. De hele stad door. Naar de koetsier kijken, die een groen pak aan had en doorgeurd was van paardevijgen. Zijn zweep gebruikte hij om clandestiene jongens weg te jagen van de treeplank en in zijn gezicht was een zak voor een pruim. Overal stopte je, en dan kon je alles zien. Halverwege, bij de remise, kwam er een paard bij. Want dan ging het de hoogte op. En bij het station kon je naar de rookplui-

men van de treinen zien, en de koetsier horen praten met de conducteur en als je dan terug reed, was ’t net, alsof je een beetje bij de tram hoorde en waren alle nieuwe passagiers indringers. Aan het eindpunt zei je beleefd gedag, en dat alles had Tante vijf cent gekost. Op zo’n tram kon je trots zijn. Je leven was niet denkbaar zonder tram.

Maar daar trokken de heren commissarissen zich niets van aan. Het waren liberale burgers, en ze hadden nog niet gehoord, dat het algemeen belang boven eigenbaat gaat. De tram rendeerde niet en de Maatschappij tot Exploitatie enz. werd geliquideerd. De koetsier kreeg een baantje bij de Gemeente, de rails werden opgegraven, de wegen verbeterd, de fiets kwam in zwang. Maar daarmee was de tram niet verdwenen.

Want op een dag kwam Vader thuis. Hij had wat voor ons. Hij maakte ons nieuwsgierig. En toen wij het zagen, zeiden we allemaal: óóó... Hij was.n.l. op een of ander manier begiftigd met een pak kaartjes, echte, geldige, nog niet gebruikte kaartjes van de geliquideerde paardentram. De revolutie in het vervoerswezen was schijn geweest. De paardentram wè,s er nog. Bij ons aan huis. Vertegenwoordigd door de kaartjes.

De trekkar werd paardentram. Een zweep en een bel waren er gauw te vinden. Alle jongens uit de buurt kregen een aanzegging: de tram rijdt weer! Morgen zou de dienst heropend worden. Dat ging een dag goed. De kaartjes hadden een fascinerende werking. Je gaf ze af tegen betaling van een knoop of een platte steen, je knalde met de zweep, je zwaaide met de bel, je vloekte op de jongen, die de kar moest trekken, en en aan ’t eind van de dag was de winst een zalige nachtrust.

Maar de tweede dag bleven de passagiers weg. Ze waren niet te verbidden. Je liet je

stapel kaartjes zien. Je beloofde gratis ritten. Je dreigde met bet opzeggen van de vriendschap, voor goed en voor eeuwig. Geen jongen wilde meer meedoen. De een had dit, de ander had dat. Wanhopig vroeg ik: maar waarom dan niet? Een sloeg de zeepbel der verbeelding kapot. Die zei: Nee, hjaor, ’t is tóch niet echt. Je hebt geen rails en*een echt paard loopt er ook niet voor.

Nu de moraal. Dat is deze: In Nederland zijn er veel grote mensen, die blij zijn met de kaartjes en die het nu duidelijk moeten verstaan, dat hun blijdschap een illusie is. Bewijzen?

Daar ontmoet ik een man, die hoog opgeeft van het socialisme, dat nu bezig is, zich te verwerkelijken. Hij is altijd een vechter geweest. Hij heeft het socialisme gediend, en niets dan het socialisme. En nu wordt hem verteld, dat hij dóór mag vechten voor het socialisme. Hij hoort dezelfde woorden van altijd. Hij hoort ’t woord burgerlijk, en hij denkt: dat ken ik. Hij hoort het woord kapitalisme, en hij realiseert zich, dat hij er altijd tegen is geweest. Een heeft hij zijn hart vastgehouden, gevreesd, dat nu alles verloren was. Maar er is niets verloren. De naam van Troelstra zelfs wordt in zijn lijfblad aangehaald met achting, in de krant, die hij jaren lang las, en die dezelfde tint van papier heeft als altijd. Toch zal hij het merken: de jongens uit de buurt doen niet méé. Want die weten ’t wel. Die weten, dat het niet alleen de woorden zijn, die socialisme tot socialisme maakten, maar dat het socialisme waar zij in Nederland voor stonden een naar wezen, naar bedoeling, naar methode ander socialisme is, dan waarvoor zij nu worden opgeroepen. Maar de goede kerel denkt dat de tram nog rijdt, omdat hij kaartjes met woorden heeft.

Het zijn echter niet alleen dergelijke kameraden, die dóór willen spelen met de geliquideerde paardentram. Hendrik de Man spreekt over een Europese vrede, die op til is, en wéér vragen we ons af, of hier iemand aan het woord is, die kaartjes van de geliquideerde paardentram in handen heeft. Want alweer: als wij vroeger over Europese vrede spraken, dan was dat een vrede tussen zelfstandige volkeren, op grondslag van erkenning van wederzijdse economische behoefte en eerbiediging van elkanders historie. Wat zich nu ontwikkelt, is een onder Duitse leiding georganiseerd Europa, waarbij de onderdelen ondergeschikt worden gemaakt aan het geheel. Over het voor en tegen van een en ander valt nu niet te discussiëren. Maar wél staat vast, dat dit een andere vrede is, dan wij bedoeld hebben. En nu doen wij goed andere woorden te gebruiken.

Dezelfde Hendrik de Man spreekt over sociale rechtvaardigheid, die nu verwerkelijkt kan worden. En alweer vragen wij: is dat woord niet onbruikbaar geworden voor hen, die er te voren een geheel andere inhoud aangaven dan thans mogelijk is?

En zie hier nu de bijzonder moeilijke, én bijzonder waardevolle taak van het Religieus-Socialisme in het heden. Wij hebben duidelijk te maken, dat de geliquideerde tram niet meer rijdt. Wij hebben aan te tonen, dat het niet de kaartjes zijn, maar de gehele structuur van een beweging, zijn diepste beginselen, waar het om gaat. En dan zullen wij verder moeten zoeken naar nieuwe woorden in de nieuwe verhoudingen. Wij zijn realisten. Wij willen niet net-doen-alsof. Daarom vraag ik mij zelfs af, of wij thans nog prijs moeten stellen op het woord socialisme. Het kon wel eens zeer goed zijn, dat van de vrijheid, de waardigheid van de mens, de heiligheid van God, de dienst van het Rijk, waarom het ons in én door het, d.w.z. dat speciale socialisme ging, op andere wijze, in andere bewegingen, of misschien wel in eenzaamheid zal moeten worden getuigd. Dat zal ónze manier zijn, waarop wij met onze tijd meegaan.

Ja, het is zo heerlijk-verleidelijk, gerust te zijn bij de woorden van vroeger. Maar onze religieus-socialistische arbeid van lange jaren zou tevergeefs geweest zijn, als wij niet héél goed wisten, dat woorden tenslotte maar woorden zijn. Woorden, die zelfs pijn gaan doen, als hun betekenis devalueert, woorden, die voorbijgaan, als de tijden veranderen en onze waarheid tóch rechtop blijft staan.