is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 49, 07-09-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van week tot week

Het rassenvraagstuk

Terecht maakte C. S. er in een vorig nummer bezwaar tegen, dat door mij van het Joodse „ras” geschreven werd. Prof. Steinmetz is volgens het citaat van C.S. van oordeel, dat de Joden geen afzonderlijk ras uitmaken. Dezelfde mening vinden we ook bij prof. dr. J. Boeke, ook een man van gezag in zake de rassenkwestie. Deze verklaart toch, dat er geen Joods ras bestaat en dat de Joden zelfs geen onderras vormen. Hij maakt ook de opmerking, dat er over rassen veel beweerd wordt, wat met werkelijke wetenschap al heel weinig te maken heeft. Daarbij komt nog, dat het woord ras lang niet altijd en overal dezelfde betekenis heeft. Gemeenschappelijk en erfelijk bezit van een aantal kenmerken van het lichaam duidt een ras aan. Maar ras heeft ook met de geest te maken. De leden van verschillende rassen verschillen ook van elkaar door sommige geestelijke eigenschappen. Het is echter uiterst moeilijk, om die vast te stellen.

Daarbij komt nog, dat de rassen min of meer dooreengemengd zijn en er eigenlijk nergens meer een zuiver ras te vinden is. De geestelijke kenmerken hangen ook af van de omgeving en levensomstandigheden en lotgevallen van een volk of groep. Deze invloed is, naar wij menen, heel sterk bij de Joden geweest. Zij zijn eeuwenlang verstoten, verjaagd, veracht en mishandeld; dat heeft groten invloed op hun volksaard gehad, daardoor is heel sterk bij hen het gevoel van saamhorigheid geworden. Het type der Joden, zoals we dat kennen uit de wereld van het Oude Testament, is geheel anders dan het type der tegenwoordige Joden. De invloed der omgeving en der sociale omstandigheden vooral blijkt uit het verschil tussen de Joden in het Oosten en het Westen van Europa.

Prof. Boeke noemt het rassenvraagstuk uiterst samengesteld en vaak verward. Dit wordt tegenwoordig nog verergerd door de rassenleer, die wel van de rassenwetenschap onderscheiden moet worden. Wel vaker wordt de wetenschap, die op de werkelijkheid moet steunen, gericht naar de leer en om haar ook omgebogen en verknoeid. Tegen een welbekende rassenleer merkt prof. Boeke op, dat men niet het recht heeft, voor hen, die het noordelijk en westelijk deel van Europa bewonen, het voorrecht op te eisen, dat zij allen tot een bepaald ras behoren en te menen, dat alle beschaving en cultuur, die onze maatschappij haar eigendom mag noemen, van ons ras afkomstig zou zijn en door de voorvaderen uit dat ras alleen in eigen noesten cultuurarbeid voor ons is opgebouwd.

De kracht en eenheid der Joden schuUen volgens hem in de rijke, eeuwenoude traditie van hun geestelijk leven en de religieuze overtuiging, het uitverkoren volk te zijn.

Door enige bijzondere lichamelijke en vooral geestelijke kenmerken Onderscheiden de Joden zich van de andere bewoners van ons land. Prof. Boeke noemt als minder aantrekkelijke eigenschappen o.a. de geldzucht, de pralerij en de onsympathieke slimheid. Maar hij wijst ter verklaring op de eeuwen van verdrukking en verguizing, die achter de Joden liggen en op het ontzaglijk vele, dat onze beschaving aan leden van den Joodsen stam te danken hebben. Ook is hier op zijn plaats, de raad van Christus tot zelfonderzoek en oordeel, voordat men een steen opneemt, om een ander te raken.

Prof. Boeke herinnert eraan, dat vrijheid en verdraagzaamheid steeds onze kracht en trots zijn geweest en dat ontrouw daaraan geestelijke achteruitgang zou betekenen.

In een wetenschappelijke voordracht over de rassenkwestie heeft indertijd prof. Barge het geheel in de geest van het Christendom gezegd:

„dat het nimmer geoorloofd is, iemand op grond van zijn ras op een minder menselijke manier te behandelen dan de leden van het eigen ras.”

Vergaderen

Men moet soms contributie betalen en vraagt daarbij: Ben ik wel lid van die vereniging? De meesten geven jaarlijks een aanzienlijke som voor lidmaatschappen uit en het verenigingsleven kost ook veel tijd. Nu zijn er meerdere verenigingen, die slapen, misschien dood zijn, waarvan men niets meer hoort en die men ook niet mist. We waren overgeorganiseerd. Men past thans de rationalisatie ook toe op het organisatiewezen en zo is door samenvloeiing het aantal organisaties kleiner geworden. De gelegenheid om te vergaderen is door de toestand van bezetting ook moeilijker geworden; er zal veel minder vergaderd worden in de wintermaanden dan gewoonlijk. Dat is niet enkel een nadeel. De agenda’s voor vergaderingen namen bij velen een veel te grote plaats in op de werklijst van hun leven. Vriendschappelijk verkeer, huiselijk leven, lectuur en studie leden daaronder. De helft der avonden was bij menigeen bezet met allerlei vergaderingen.

Men behoeft het niet eens te zijn met prof. de Chantepie de ia Saussaye, die een vergaderavond als een verloren avond beschouwde. Deze geleerde beweerde eens, dat hij na een vergadering zich gewoonlijk geestelijk armer voelde. Wel echter heeft men na afloop vaak het gevoel, dat men de avond beter had kunnen gebruiken. Dat geldt in bijzonder van bestuurs- en ledenvergaderingen, waar men urenlang samen is en praat over een agenda, die kort en zakelijk in een uurtje afgehandeld kon worden. Zo’n avond was dan wel eens genoegelijk en gezellig, maar had beter besteed kunnen worden.

We herinneren ons vergaderingen, die een dieper inzicht gaven in moeilijke vragen of die als een blaasbalg het smeulende vuur van het hart deden opvlammen, vergaderingen, die als een krijgsraad waren, die de rechte wijze en middelen voor de goede strijd aanwezen, maar ook velen, die inderdaad verspilling waren van kracht en tijd. De organisatie heeft vooral de krachten gewekt en verzameld en geleid, waardoor een belangrijke sociale vooruitgang is ontstaan. Maar ze is vaak ontaard in veel peuterig gedoe, gewichtige schijn zonder inhoud, praat zonder daad.

In de komende winter zullen wij alleen vergaderen, als het nodig is en het verenigingsleven zal minder avonden bezetten, nu de bezetting van ons land het vergaderen bezwaarlijk maakt.

Gemis doet waarderen

Wij leven ’s avonds in huizen met verduisterde gangen en trappen en in kamers, waarin het licht zoveel mogelijk afgesloten is; wij gaan langs donkere wegen en gebruiken lichtgevende knopen of dragen witte jassen, om botsingen te voorkomen. We merken met schrik, dat de duisternis al zo vroeg invalt en we hebben allerlei verduisteringsmoeilijkheden, die wij met punaises en zwart papier en lichtende papierstroken en zaklantaarns, die wel gloeiwurmpjes met een blauwig schijnsel schijnen, pogen te overwinnen. En we worden gewaarschuwd en bedreigd door luchtbeschermers, die nog altijd weer een lichtgevend reetje en kiertje weten te ontdekken. En dan te bedenken, dat de dagen steeds korter worden en het enige maandenlang van vijf uur ’s avonds tot zeven uur ’s morgens donker zal zijn! Hoe heerlijk is het vrije licht, dat men niet hoeft in te sluiten noch uit te sluiten. Men merkt ’s avonds met schrik, dat het begint te schemeren, maar men geniet dubbel van de morgen, van het licht, dat naar binnen dringt en op je bed straalt en van de wijde, schone aarde vol kleur en glans door de zon. Wie dacht vroeger aan het nut van straatverlichting en de zegen van het zonlicht! Maar nu begrijpen wij den dichter:

„De dageraad, verwelkomd met verlangen van al wat leeft, doorvloeit de ganse lucht en neemt in ’t licht de duisternis gevangen.”

J. A. BRUINS

Een Meisjes-Internaat te Bentveld

Mogen wij met enige nadruk de steun en de hulp van onze lezers inroepen voor een stuk werk dat de Arbeiders meenschap der Woodbrookers bezig is voor te bereiden, en waarvoor wij de medewerking van het Ministerie van Sociale Zaken hopen te verkrijgen?

Gedurende de periode van 30 Sept. tot 7 Dec. (dus 10 weken) hopen wij in Bentveld een 40dal (maximaal een 50' tal) werkloze meisjes van 18—24 jaar samen te brengen voor een Algemene Scholing. Praktische vakken als huishouding, verzorgen van de was, verstek naaien enz. komen eerst aan de orde. Maar dan ook: de omgang met kinderen, spel met kinderen, fröbelwerk enz. En verder het lezen van goede boeken uit onze eigen Nederlandse letterkunde, het leven van enkele grote figuren uit onze Nederlandse geschiedenis (vooral die figuren aan wie wij geestelijk ons eigen leven kunnen vormen), ook enkele grepen uit de Bijbelse geschiedenis. 'Zeker ook: sport, volksdans, zang. Kortom: al datgene wat de Nederlandse jonge vrouw helpen kan om haar plaats in gezin en volk waardig en met zekere bewustheid in te nemen.

De meisjes krijgen een zakgeld van f 1.50 per week (waarvan iets afgaat voor leermiddelen) terwijl de reiskosten worden vergoed, óók die van het ene vrije weekeinde midden in de cursus. Onkosten zijn er voor de deelneemsters niet aan verbonden.

De hoofdleiding berust bij mej. M. L. van Rhijn, die door een vier- of vijftal helpsters wordt bijgestaan.

Wat wij nu van onze lezers vragen is allereerst: weet gij meisjes, die aan deze cursus iets kunnen hebben, vestig er dan haar aandacht op, vertel haar iets van de geest waarin wij ons werk doen; zeg haar dat wij hoge waarde toekennen aan goede en oprechte kameraadschap en dat wij niet vragen naar godsdiem stige richting (al hebben wij de onze); nodig haar dan uit om bij ons een formulier aan te vragen, dan brengen wij de rest wel in orde.

Maar wacht niet te lang met Uw hulp: dit meisjesinternaat móét slagen! Dit is nu een stukje werk voor behoud en versterking van onze geestelijke volkskracht, waarvoor wij ons graag veel moeite getroosten.

Vrienden, wij rekenen op UI

Correspondentieadres: Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers, Bentveldsweg 5, Bentveld.

Frieslands toekomst

Zo weinig als de gemiddelde Hollander weet heeft van de Groot-Nederlandse beweging, waarover wij de vorige week schreven, even weinig interesseert hij zich voor wat in Friesland leeft en streeft. Toch is er alle reden voor, om juist nu aandacht te schenken aan de merkwaardige positie van Friesland in bet Nederlandse staatsverband. Vooruitzien betekent immers: de krachten kennen, die rich-