is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 50, 14-09-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan God behoort de aarde en haar volheid. Psalm 24:1

Tijd EN Taak

ZATERDAG 14 SEPTEMBER 1940 – No. 50 38STE JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD

RELICIEUS-SOCIALISTISCH WEEKBLAD

ONDER REDACTIE VAN Dr. W. BANNING ADRES DER REDACTIE: BENTVELDSWEG 5 – BENTVELD

ORGAAN VAN DE ARBEIDERS-CEMEENSCHAP DER WOODBROOKERS – VERSCHIJNT VIJFTIG MAAL PER JAAR

ABONNEMENT BIJ VOORUITBETALING PER JAAR F 3.40, PER HALFJAAR F 1.75, PER KWARTAAL F 0.90 PLUS 15 CENTS INCASSO LOSSE NUMMERS 8 CTS POSTGIRO 227499 VAN PENNINGMEESTER ARBEIDERSGEMEENSCHAP DER WOODBROOKERS BENTVELD ADMINISTRATIE BENTVELDSWEG 5, BENTVELD

OPEN GRENZEN

Ik weet, dat een woord als ik hier boven neerschrijf, belachelijk kan schijs nen, want thuis horende in een volkomen andere wereld dan de onze. Laat ik bes ginnen met te zeggen, dat juist daarom het woord neergeschreven wordt. De ervaring van de dag zegt ons, dat de grenzen potdicht zitten; dat behoort nu eenmaal typisch tot een oorlogstoestand. Belangrijker echter en gevaarlijker voor de. toekomst is de geestelijke grenssluis ting, die zich thans van heel velen meess ter maakt waarbij de politieke verhoudingen een buitengewoon grote invloed uitoefenen. Op enkele verschijns selen moge gewezen.

Er voltrekt zich aan alle volkeren van Europa een benauwende bewustzijnssvers enging. Duitsland en Italië eners, Enges land anderzijds spannen hun krachten in om de oorlog te winnen, en daarbij bes hoort nu eenmaal als noodzakelijke voors waarde, de spanning der gezindheden: het eigene moet overwinnen, het andere zal buigen en breken. Een volk als het onze, tegen zijn wil mede in de oorlog betrokken, wordt in de geweldige zuiging der gevoelens meegetrokken en sluit dus mede zijn geestelijke grenzen; een pros gezindheid betekent tevens een antis gezindheid, en de golven van sympathie of haat gaan héél hoog, de gevoelens zijn héél fel hoger en feller dan aan de oppervlakte van het volksleven openbaar wordt.

Wie zich niet wil laten meesleuren, moet zich een paar feiten te binnen brengen, opdat hij tenminste nog iets van geestelijke zuiverheid kan redden. Ten eerste: dat politiek en geestesleven elkaar wel beïnvloeden, maar dat zij dess ondanks wezenlijk verschillende gebies den blijven en moeten blijven. Ik maak mijzelf dat het scherpst bewust aan het gebied van de godsdienst. Als de polis tieke strijd, tot oorlog verhevigd, eist dat grenzen gesloten worden, heeft de Kerk alles te doen om haar grenzen open te

houden. Het is nog niet genoeg om te zeggen, dat zij nationalisme heeft te bannen; dat is nog slechts negatief. Zij heeft vooral positief de verzoening der volkeren te dienen op grond van haar overtuiging, dat in Christus alle aardse scheidingen van sexe, ras, stand, klasse en volk zijn overwonnen in de ges meenschap des geloofs staan de harten open naar de eeuwigheid. Maar ook de kunst, de wetenschap, de wijsbegeerte kan alleen leven bij open grenzen. In de orde van den Geest mag de politiek nims mer het hoogste woord voeren, mogen politieke bevelen nimmer de laatste gels digheid vertegenwoordigen. Men vergist zich op zeer gevaarlijke manier, indien men meent, dat waarachtige kunst en wijsheid bloeien op de bodem van polis tieke gezindheden en krachten.

Ten tweede herinnere men zich, dat onze Europese cultuur van haar oors sprong af er een is, gevoed uit verschils lende bronnen. Ik noem, al te vluchtig en schematisch, vier namen, die elk een geestelijke wereld van eigen karakter vertegenwoordigen: het Jodendom, Gries kenland, Rome, het Christendom; daars bij komt na de val van het Romeinse ims perium het Germanendom. Europese kunst, wijsheid en wetenschap hebben uit deze bronnen voortdurend haar levenskracht geput. Het is erger dan kortzichtigheid, het is ondankbaarheid wanneer men voor dit fundamentele feit zijn ogen wilde sluiten.

Stellig, dan komt daarbij, dat de Euros pese volkeren elk naar eigen aard en op eigen wijze het gemeenschappelijke geess tesbezit bebben verrijkt en verwerkt. Indien een fanatiek Nederlands nationas lisme zou willen beweren, dat ons Neders landse geestesbezit alleen uit Neders landse volksaard is te verklaren, onze hele geschiedenis zou het weerspreken. Wat voor ons kleine land geldt, is óók waar voor de grote. Daarom vooral is een oorlog voor het geestesleven zo ges

vaarlijk: men sluit zich in felle verbittes ring voor elkaar af en voedt de wil om elkaar te vernietigen en te doden. En men heeft samen gearbeid om de tubers culose te best? i len en de verwekker van kanker te onW eken; men heeft alleen door zeer 'ir» ,e samenwerking onze wetenschap e:B chniek gebouwd; in alle grote musea sakken de grote kunstwers ken van het der schoonheid, waars van de grenzen open staan voor alle ges wijden.... Wanneer zal eindelijk de politiek zich buigen onder de heersehaps pij van het geestesrijk?

Voor den godsdienstigen mens, voor den Christen vooral, geldt dit op bijzons dere wijze. Het Christendom staat en valt met zijn pretentie van were/dgodss dienst; het kan en mag nimmer nationale godsdienst zijn. Dit is niet het gevolg van de machtsbegeerte van zijn dienas ren, al sprak die dikwijls mee. Het is een gevolg van de kern van het Christendom zelf: de boodschap van het Koninkrijk dat gevestigd zal worden onder alle vols keren over de gehele aarde. Het woord „internationalisme” is hier niet juist, het is te veel uit de politieke sfeer; wat het Christendom bedoelt is een gemeenschapsleven naar de wet der Goddelijke Liefde. Maar deze is naar haar aard unis verseel, en vraagt open harten, open gezindheid.

Wat ik hierboven schreef, is gehouden in zakelijke toon. Maar ieder van ons weet wel, hoe innig het samenhangt met onze persoonlijke strijd. Voortdurend hebben wij ons hart te zuiveren van de beklemmende, verengende gevoelens van haat en wraakzucht de gerechtvaars digde en noodzakelijke pijn om onrecht ons volk aangedaan, slaat zo licht om in wil om onrecht met onrecht te vergelden. Ik bedoel met deze oproep om de grens zen van ons hart open te houden, ook en vooral een stuk directe zelfcritiek. Den goeden verstaander is dit zeker genoeg. W. B.