is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 50, 14-09-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christus, gij rijst aan elk knooppunt der wegen op, voor wie in ’t westen geboren zijn

en om den vrede worstelen: zij bewegen allen tot u, al is ’t in kronkellijn.

Misschien moeten wij nog veel verder zwerven wèg van uw hart, uw waarheid en uw wil.

eer wij, rondom ons een wereldnmscherven, omkeere’ uit ’s harten noodzaak, niet uit gril.

en, zettend koers naar ’t broederlijke leven, saam breken ’t brood, dat de vader ons gaf ....

Christus, wij hebbe’ U duizendmaal verdreven, maar onverwrikbaar wijst ons den weg uw staf.

En weer, aan dit begin van rauwe wegen roept g’ ons: „kinderen, komt: mijn juk is licht”

Drang drijft ons voort, maar zelfzucht houdt ons tegen .... een leeft en sterft op uw gezicht. Henriëtte Roland Holst. Uit: Een klein KersUOratorium.

CROOT-NEDERLAND Ds. Ruitenberg streeft met zo klaarblijkelijke ernst en eerlijkheid naar de bepaling van een houding tegenover de Grootnederlandse kwestie in de huidige omstandigheden (zie T. en T. van 31 Aug.), dat ik mij gedrongen voel mijn eigen mening eens onder woorden te brengen.

De uiteenzetting van het probleem kan ik voor. een, groot deel (niet geheel, dat zal ik nader aanwijzen) als juist aanvaarden; de erkenning, dat gebrek aan belangstelling totdusver uit een verkeerde (hoe ook begrijpelijke) geesteshouding en kortzichtigheid voortkwam, acht ik waardevol. Ook met de conclusie kan ik een eindweegs meegaan, en wanneer ik daaraan iets wil toevoegen, hangt dat samen met het tekort, dat ik in de probleemstelling meen te moeten opmerken.

Om met die conclusie te beginnen: ~geen begeren van een Grootnederlands staatsververband”, zegt de schrijver. Wanneer hij bedoelt: „geen streven, naar de verscheuring van België en aanhechting van Vlaanderen bij Nederland”, ben ik het met hem eens, en dat is het standpunt, dat ik in de Grootnederlandse beweging steeds heb ingenomen. „Dat komt”, zal hij antwoorden, „omdat gij nooit tot de extreme groep behoord hebt”. Inderdaad; maar wanneer hij als enig alternatief daartegenover de richting stelt, die op administratieve scheiding binnen het Belgisch staatsverband aandringt, laat hij voor het inzicht, dat ik al vijftien jaar geleden verkondigde, geen ruimte.

Het streven naar die administratieve scheiding heb ik voor de Vlaams-nationalisten altijd als een onvermijdelijk begin beschouwd. Dat doel leek bereikbaar zonder internationale crisis en de hervorming leek in ieder geval voorlopig voldoende ontplooiing aan de nationale aspiraties te kunnen geven. Of zij echter, eens verwezenlijkt, stabiliteit zou waarborgen, zou af gewacht moeten worden; dat op stabiliteit niet te rekenen viel, als zelfs dat zelfbestuur niet verworven werd, was duidelijk voor iedereen, die zich met enige sjrmpathle in de Vlaamse verhoudingen verdiept had. Dat wil dus zeggen, dat de toekomst van de Belgische staat, een kimstmatig bouwsel, onzeker leek. Totnogtoe had die structuur op de overheersing van het Nederlandse door het Franse element herust; die overheersing is onder onze ogen afgebroken, ofschoon volledige gelijkheid alleen door invoering van een federaal stelsel te verkrijgen zal zijn; maar zelfs dan was het allerminst zeker, of de gevoelens van ergernis over verloren suprematie aan de éne kant, wrok over lange verongelijktheid aan de andere

kant, het België mogelijk zouden maken voort te bestaan.

Voor mij als Noord-Nederlander was de zin van de Grootnederlandse beweging vooral dit, dat wij ons moesten gewennen aan de gedachte, dat die ontwikkeling ons niet onverschillig laten mocht; onze openbare mening moest er zich op voorbereiden, dat een Belgische crisis ons voor een taak zou kunnen stellen. In 1926 schreef ik (in een opstel, dat in mijn tweede bimdel: De Grootnederlandse gedachte, 1930, herdrukt staat):

„Ik vind de hereniging wenselijk, maar ik wil niet, dat Noord-Nederland ervoor zou werken. Wat ik wel wU is, dat Noord-Nederland zich voorbereide op de dingen, die komen kunnen. De lessen van 1830 te overdenken kan daartoe, naar het mij voorkomt, geen kwaad. Onze voorouders van een eeuw geleden werden gesteld voor een verbazend moeilijke taak” —• n.l. het wederopwekken van de Nederlandse taal en Nederlandse geest in Vlaanderen —, „waarmee het heU van heel' de stam gemoeid was. Zij hebben zich blindelings uit hun moeilijkheden losgeslagen” n.l. door het bij het door Fransen en Fransgezinden geleide oproer van 1830 dadelijk zelf heel de vereniging ongedaan te willen maken —, ~en dat er stambelangen bij aan gruizels gingen, hebben zij zelfs niet begrepen. Zelfgenoegzaamheid, politieke preoccupaties, protestantisme en liberalisme, dat alles verborg voor hen het nationale aspect van de problemen, die de onverbiddelijke geschiedenis hun stelde... Het is mogelijk, dat in onze leeftijd, en geheel buiten toedoen van onze staat, het probleem van de Nederlandse stam opnieuw gesteld wordt. Moge de geschiedenis van ons iets anders te boeken hebben dan dat onverschilligheid of vreesachtigheid ons belet hebben de volle Nederlandse volkskracht, die wij binnen onze grenzen ongerept bewaren, ten bate van heel de stam aan te wenden.”

Ik haal deze passage niet aan om mij op mijn profetische blik te verheffen, want het historisch ogenblik komt in ieder geval onder omstandigheden, die ik niet voorzien heb en die een raad tot aanwenden van onze ongerepte volkskracht een ietwat ironische klank zouden geven; en ik ben er niet eens zeker van, dat het historisch ogenblik daar is. Blijkt België onbestaanbaar? Wil Vlaanderen aansluiting bij Nederland? Dat zijn voor mij steeds en nog de vragen geweest, waar het op aankomt, en Ds. Ruitenberg zegt heel terecht, dat de kruitdamp ons vooralsnog belet waar te nemen, wat er in België en in Vlaanderen gaande is.

Maar mijn aanhaling zal duidelijker maken, waar ik meen, dat Ds. Ruitenberg de Grootnederlandse beweging geen recht gedaan heeft.

Er mogen er zijn, die haar in een imperialistische geest opgevat hebben, zij heeft toch niet haar minste kracht geput uit het besef van een nationale taak te verkondigen aan onze Noord-Nederlanders, die daar op ontstellende wijze blind voor waren. Helpen de tragische omstandigheden, waarin wij ons. Noord en Zuid, bevinden, althans om meer ogen te doen opengaan? Het artikel van Ds. Ruitenberg is in dat opzicht bemoedigend, maar het is te hopen, dat hij nog meer zal wUlen aannemen.

De bezwaren, die hij tegen de gedachte van een hereniging ook nu nog aan voert, komen gedeeltelijk (1 en 2) uit onvoldoende begrip van de verhoudingen in Vlaanderen en misverstand van de geesteshouding van veel Groot-Nederlanders voort. „Vier eeuwen gescheiden leven is niet meer in te halen”, zegt hij. Zou zo’n machtwoord ons tot een afwijzing moeten bewegen, als werkelijk Vlaanderen na vier eeuwen samenleven met Wallonië daar genoeg van had en nu bij ons kwam aankloppen? Moeten wij werkelijk menen, dat de tradities van zedelijke en geestelijke verworvenheden, die Ds. Ruitenberg aUeen erkennen wil, onverbrekelijk verbonden zitten aan de tweeledige staatsvorm binnen het Nederlands taalgebied? Laten wij niet vergeten: ten eerste, dat de Noordnederlandse staat voor een heel groot deel van ei ie vier eeuwen een stiefmoederlijke staat geweest is voor ons katholiek beneden-Moerdijks gebied; ten tweede, dat er voor de Vlamingen in de vier eeuwen van hun afzonderlijk bestaan heel weinig positiefs, heel weinig traditie-vormends gestoken heeft. Het is een alleszins begrijpelijke geestesgesteldheid, wanneer de Vlaming die tijd vooral ais een tijd van geknotheid, van gemis voelt, wanneer hij meent zijn voile Nederlandse ontplooiing (want dat woord Nederlands komt hem evenzeer toe als ons) slechts in een verbinding met het Noorden te kunnen verwezenlijken. Zou die verbinding nogmaals afstuiten op de Noordnederlandse neiging om zich binnen zijn vertrouwde afzondering op te sluiten, dan zou daaruit blijken, dat de kortzichtigheid en zelfzucht, die Ds. Ruitenberg nu in ons verleden wel erkennen kan, nog niet voldoende overwonnen zijn.

Ik spreek, zoals ik altijd, gesproken hen. De omstandigheden zullen mij niet méér doen zeggen. Een Vlaanderen, dat niet uit vrije wil tot ons komt, een Nederland, dat niet uit eigen inzicht en overtuiging zijn taak tegenover het door de geschiedenis zo slecht bedeelde tarok van de Nederlandse stam op zich neemt daarvan is niets goeds te hopen. Maar de omstandigheden zijn nog vlottende. Wat vaststaat, is alleen, dat onze houding tegenover Vlaanderen lange tijd verwrongen is geweest door een noodlottige vereenzelviging van onze nationale traditie met protestantisme of Hollands particularisme. Dat zijn elementen, die wij nooit verloochenen mogen, maar wij kunnen ze in hun waarde laten zonder er ons tot een verzaken van onze plicht tegenover een Vlaanderen, dat ons nodig hebben zou, door te laten verleiden. De kruitdamp moet optrekken, vóórdat wij handelen kunnen. Maar dit kan ook nu gezegd worden, en wie reeds zover gevorderd is als Ds. Ruitenberg, kan er misschien naar luisteren. P. GEYL.

„VOLKSE EENHEID"?

Wij' mogen ons, desnoods met enige zelfverheffing, dragers van een kostbare Nederlandse traditie weten, als wij in deze dagen onze nuchterheid en onze werkelijkheidszin niet laten weghonen. Vooral tegenwoordig is dat goed gebruik, ja, het cultiveren van onze critische zin broodnodig. Niet alleen, wanneer het gaat om onze tegenstanders te bestrijden. Vooral bij de vele overleggingen, conferenties en „ronde-tafel”-gesprekken hebben wij nauwkeurig te zijn bij het uiteenzetten van onze gedachten. Doen wij dat niet, dan geschieden grote ongelukken; dan zouden bewegingen op touw gezet worden, gegrond op een schijneenheid, die later door slap fundament ineenstorten.

Daarom waag ik het nu reeds ernstige be-