is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1945, no 2, 06-10-1945

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klankexpressie met zijn vervloeiend vocalenspel, drie golven, die telkens vermoeider neervallen, maar tevens prachtig door zijn verzwegen inhoud bij middel van de verkorte taalvorm. Het hel-opklinken der tweede strophe is wederom gevolg van uiterst eenvoudige taalmiddelen: de rhetorische herhaling in die drievoudige aanwijzing, steeds sterker, steeds klemmender, een prachtige climax, die stijgt tot de hoogte van de derde regel, waar woordklank (ij), zowel als woordkeuze en versbouw die nadrukkelijkheid bevestigen, welke langzaam af daalt in de vierde regel. Het derde couplet is een wonder: weer wordt de omgevende atmosfeer kort geschetst: de stilte en de nacht afzonderlijk aangeduid (niet: in stille nacht!) en daarin een lijdend mens, wien het verdriet te machtig werd en van wien we alleen weten, dat hij de handen samenvouwt als tot een gebed; het rhythme is kalm geworden en stroomt via de hartstochtelijke beweging van de tweede strophe regelmatig voort naar het aangrijpend slot. De vorm-analyse kan hier bij het slot slechts constateren, dat de woorden, waar het om gaat en die als diepe gongslagen ons hart doen trillen, eenvoudig op hun plaats staan: het hoge centrale woord behoort in een vierregelige strophe liefst omtrent het einde van de derde regel te staan en de caesuren in de vierde regel vertragen, zeer te pas, het langzame einde, maar de ontroering berust toch eigenlijk op deze bezinning: ons vaderland, zo dierbaar geworden in zijn lijden; het heeft zo’n bescheiden naam: het is maar het lage land, aan de uitmonding der grote rivieren. Er schallen geen trompetten in zijn naam, maar het werd trouwhartig bemind vanaf den dichter die zong:

„Dat u de Spanjaerts krenken O edel Neerlandt soet.

Als ick daaraen gedencke

Mijn edel hart dat bloet.” Wilhelmus: 10e couplet.

Nog eens heeft het medelijden met ons vaderland een edel hart geadeld tot onsterfelijkheid.

15 Mei 1945. J. G. BOMHOFF.

KERK EN KAPITALISME

Vóór 1940 was de Hervormde Kerk een zwijgende kerk. Zij was het vanaf 1816. Er is getuigd vanaf honderden preekstoelen, maar de kerk als kerk was geen sprekende en belijdende kerk.

Dit zwijgen van de kerk was niet alleen noodlottig voor de kerk zelf, maar ook voor het volk. Een zwijgende kerk staat aan de kant van de reactie en het behoud. Zij sanctionneert het bestaande en roept door haar zwijgen op tot berusting. Een zwijgende kerk kan onmogelijk het geweten der samenleving zijn.

De dichter P. N. van Eyck.

Laten wij de kerk niet verwijten, dat zij: de sociale kwestie niet heeft opgelost. Dat is haar roeping niet. Daartoe is zij niet In staat. Maar het is wel de roeping van de kerk, om te spreken en te belijden. Wij moeten de kerk verwijten, dat zij het Evangelie niet voluit als het Evangelie , Jezus Christus en Zijn koninklijke heer' schappij over heel het leven gepredikt' heeft, als het Evangelie dat ook het beslissende woord spreekt ten opzichte v»tt de sociale vragen.

Al de schuld van de kerk in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, haar schuld tegenover werkgever en werknemer, tegenover socialisme en liberalisme, ligt in het éne woord zwijgen besloten.

„De Blijde Wereld” en „Tijd en Taak” hebben dit door de jaren heen telkens uitgesproken, nu eens fel, hartstochtelijk, verwijtend en opstandig, dan weer verdrietig teleurgesteld en met een welhaast niet uit te houden innerlijke pijn.

Is het wonder, dat wij dankbaar zijn, dat de kerk na de bevrij ding zich geroepen heeft geacht, een woord tot ons volk te spreken, een woord, dat ons allen op het hart bindt, dat het Evangelie totalitair is, dat Gods beloften en Gods geboden ook alles met het politieke en sociale leven te maken hebben ?

De boodschap, die zij tot ons volk deed uitgaan, raakt het politieke en sociale leven in het hart. Wij vragen in het bijzonder de aandacht voor twee uitspraken uit deze boodschap. De kerk zegt tot het volk van Nederland:

„Bouw uw sociale leven op de grondslag der christelijke gerechtigheid en de onderlinge verantwoordelijkheid. Het Evangelie dringt in dit uur van ons volksbestaan tot radicale verandering”.

Het .staat er zo eenvoudig, zo vanzelfsprekend. Maar hoe totaal anders zou de geschiedenis van de laatste honderdvijftig jaar verlopen zijn, indien de kerk vanaf het begin der industriële revolutie, die aan het einde der achttiende eeuw inzette, zo gesproken had?

De ontmoeting van kerk en socialisme zou inderdaad een ontmoeting en niet een aan elkander voorbijgaan zijn geweest.

De industrieële revolutie was in haar voortgang verbonden met een ontwikkeling van de maatschappelijke verhoudingen in de richting van een ongebreideld kapitalisme. Grond en productiemiddelen kwamen in handen van enkelen. De kapitalistische orde van de negentiende en twintigste eeuw heeft de arbeidssolidariteit onmogelijk gemaakt. Kapitaal en arbeid stonden in een belangentegenstelling en een klassenstrijd tegenover elkaar. Het prole-

tariaat verkommerde en stond buiten de volksgemeenschap.

De kerk zweeg. De kerk sanctionneerde. De kerk stond door haar zwijgen tegenover het proletariaat, dat in het socialisme de strijd voor zijn rechten streed. De kerk stond door haar zwijgen aan de verkeerde kant.

Nu heeft de kerk eindelijk gesproken, laat, volgens sommigen te laat, wij willen er niet over twisten, maar zij heeft gesproken.

Een radicale verandering is nodig. Wij kunnen niet volstaan niet enkele vernieuwingen en veranderingen in de bovenbouw. Het maatschappelijk leven moet fundamenteel worden omgezet. De fout zit in de grondslag. Niet de winst voor de enkelen, maar de voorziening in de behoeften van allen moet de alles beheersende gedachte zijn.

In het sociale leven is gerechtigheid nodig.

Gerechtigheid, zegt de Bijbel, verhoogt een volk.

Het kapitalisme, kaïnsachtig, mammonistisch en dictatoriaal als het was, heeft ons volk verlaagd. Het is ten opzichte van den mens in den arbeider volkomen te kort geschoten.

Hoe zal ons volk verhoogd worden?

Voor alles door gerechtigheid. Doordat wij ons volksleven ophouwen in gehoorzaamheid aan Gods geboden. Doordat aan allen een menswaardig bestaan wordt gewaarborgd en de nood van het leven gemeenschappelijk gedragen wordt.

In de tweede plaats door verantwoordelijkheid. Wij hebben allen met elkaar te maken. Wij zijn allen voor elkaar verantwoordelijk, werkgevers, bedrijfsleiders en werknemers.

Gerechtigheid en verantwoordelijkheid! Zonder deze twee komt er van een nieuwe sociale orde niets terecht en zonder deze nieuw sociale orde zal er op de vrede geen zegen rusten.

In deze oproep heeft de kerk het kapitalisme veroordeeld.

Het Liberale Weekblad moge protesteren en zeggen, dat de keuze tussen kapitalisme geen zaak van zedelijkheid en godsdienst, maar uitsluitend van redelijke overwegingen is, de kerk heeft op zedelijke en godsdienstige gronden het kapitalisme veroordeeld, niet de uitwassen van het kapitalisme, maar het kapitalisme zelf. Zij ontkent op grond van de mens-beschouwing van de Bijbel, dat het oeconomisch proces het best geregeld wordt door het vrije spel der maatschappelijke krachten. Haar op-

Inhoud: Pag.

Een nieuwe weg?, W. B 1 Boer en stedeling, J. P. Kruijt 2 Wat met het religieus-socialisme 3

Sonnet I, Fedde Schurer 4 Voorbarige bezorgdheid, A. Cohen ... 4

Sonnet 11, Fedde Schurer 5 In duisternis, J. G. Bomhoff 5 Sonnet 111, Fedde Schurer 6

Kerk en kapitalisme, J. J. Buskes Jr. 7 Geen fabeltjes, J. J. B. Jr 8 Bisschep Wurm en de kerk in Engeland 8

Van de redactie 8 Ter nagedachtenis van Hendrik

Arendse, W. B 8