is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1945, no 3, 13-10-1945

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEËRLEI REALISME

Wij willen aandacht vragen voor het jongste geschrift van Prof. Heering, getiteld „Pro Rege” ’). Daarbij gaat het er ons om, onze houding te bepalen tegenover een zeer voorname uiting van een beweging, die ons vóór 1940 veel gegeven heeft, en waarin velen van ons uitdrukking hebben gevonden van hun verzet tegen het militairisme.

Nu is het 1945. Wij hebben de oorlog en het militairisme aan den lijve ondervonden. En nu kunnen wij alleen maar zeggen, dat alles nóg vreselijker was, dan wij ons in de zwartste schilderingen van de oorlog hebben voorgesteld. Alleen: de ellende heeft niet in alle zwaarte op alle gelijkelijk gedrukt. En daardoor, omdat wij ons vergelijken met anderen, komt bij mensen, die er knapjes zijn doorgerold, misschien het besef, dat het nog wel meeviel. Maar dat is gezichtsbedrog. Pas wie de vernietiging, de demoralisatie, de poel der verschrikkingen in hun totaliteit ziet, weet: het is in de grond onvoorstelbaar.

En nu komt Prof. Heering vragen: wat is er van ons geloof, wat is er van onze beginselen over? Vragen, die menigeen onzer zich gesteld heeft. Tenminste, wanneer hij niet al te vlot klaar was met gelijkschakeling; wanneer hij ruggegraat voldoende had, om niet zo-maar beleden waarheden onder de druk der omstandigheden te verloochenen.

Het is een nuchter woord, dat Prof. Heering spreekt. Laten onze tegenstanders, die de woorden „idealisten” of „sentimentelen” of „verwekelijkten” voor in de mond hebben, toch eens uit hun geborneerdheid treden, en luisteren naar deze stem. Want hier heerst werkelijke nuchterheid. Hier is geen woordenroes, die ons boven ons theewater moet brengen. Prof. Heering waarschuwt: meen niet, dat deze oorlog het Christendom redde. Hoogstens is er de mogelijkheid gelaten om een Christendom te handhaven en een cultuur te herbouwen. Bovendien: let wèl op de machten, die ook achter deze oorlog zaten. Nu wordt het met de dag duidelijker duidelijker ook, dan het kon zijn op het ogenblik, dat Prof. H. zijn brochure schreeft —, dat de Goebbelse propaganda niet geheel ongelijk had, als zij op de spanningen wees tussen de bondgenoten. Dat vijf ministers in Londen 60 uur moeten vergaderen, om dan nóg niet een communiqué te kunnen formuleren, is

tekenend. Wij zouden daar allen een en ander aan toe kunen voegen, als wij maar even moeite doen, ons in de buitenlandse politieke problemen te verdiepen. Wij zeggen niet, dat dit de enige realiteit is. Wij zeggen alleen: dit is óók een realiteit. En een vreselijke.

Prof. Heering wijst ook op onze schuld. Schuld is een woord, dat wij niet graag horen. Schuld is daar, waar een mens tekortschiet. En dat wij tekort schoten, is onweerlegbaar. Wij, christenen, wij gewone mensen. W’ie deze solidariteit der schuld beseft, houdt op, luidruchtig te zijn. Schudt niet zo gemakkelijk vuisten tegen zijn vijanden. Buigt het hoofd, vraagt vergiffenis en vat het werk maar weer op. Ook het werk der verzoening.

Dit gebrek aan schuldbesef (wij zullen er natuurlijk ook in ander verband vaker op terug moeten komen) is een van de ernstigste geestelijke kwalen onzer samenleving. De dingen worden daardoor zo hard.

‘) Te verkrijgen bij finna J. Clausen, Sint Jansstraat 38-40, Amsterdam, a ƒ0,40.

het verband tussen de mensen wordt daardoor zo los. De vijand blijft vijand, ten eeuwigen dage. En dat is uitzichtsloos. Nuchterheid, gemengd met een gezond wantrouwen tegen de leuzen dezer wereld, èn daarnaast in het persoonlijk leven een gelovig schuldbesef, ontstaan uit het besef van eigen tekortkomingen en eigen grenzen, ziedaar de grondhouding, die „Kerk en Vrede” door de oorlog heen vast heeft gehouden. Het is goed, dat hij deze volhoudt.

Maar nu onze houding in de practijk? Wij mogen hier in herinnering roepen, dat het „Kerk en Vrede”-standpunt leidde tot een persoonlijke afwijzing van het militaire handwerk, d.w.z. de dienstweigering hoger stelde, dan de aanvaarding van het militaire apparaat. Zeker, men was nuchter genoeg, om te beseffen, dat deze daad de oorlog niet zou uitbannen. De drijfveer was echter niet enige politieke agitatie, maar eenvoudige geloofsdaad, getuigenis.

Voor velen was dit het sterke punt, maar omgekeerd heeft menigeen daar de zwakte der pacifistische beweging in gezien. Het gevaar van „werkheiligheid” was, ondanks dat het in de theorie werd afgewezen, niet denkbeeldig. Hoe slecht verdraagt zich eigenlijk het evangelisch christendom met bepaalde eisen. Met dit-niet en dat-wel mogen. Hoe gemakkelijk wordt zulk een daad meer dan alleen teken van een innerlijke houding, zij wordt zo spoedig er de grondslag van. Bovendien: de dienstweigering miskende de solidariteit in de schuld. Alweer: niet in de theorie. Maar wèl in feite. En daar komt bij: naarmate het militairisme steeds meer alomvattend, totalitair werd, kon niemand zich meer aan de actieve deelname aan het militaire apparaat onttrekken. Kort gezegd: ook de mijnwerkers stonden aan het front.

Het komt ons voor, dat Prof. Heering in zijn pleiten voor tweeërlei realisme, deze zo juist genoemde bezwaren tegen de oude beweging in rekening brengt. Hij komt n.l. tot een gelukkige formulering van tweeërlei realisme. Hij constateert heel nuchter, dat het militairisme voorlopig een zeer voorname rol zal blijven spelen. „Het zal niet anders kunnen”. Er moet orde zijn. Daarvoor zullen dwingende machten nodig zijn. En deze zullen het karakter van oorlogsmacht behouden. ~A 1 zou men dat anders willen, het zal gezien de spanningen na de oorlog niet anders kunnen.” Dit te constateren is het ene realisme. Heel eerlijk, zonder frases, zonder romantische bemanteling van demonische werkelijkheden.

Laten vroegere tegenstanders van „Kerk en Vrede”, maar vooral ook oude getrouwen, niet juichend óf bitter vaststellen: aha, dus zelfs prof. Heering is omgezwaaid. Wie dat zegt, bewijst alleen maar, er nooit veel van begrepen te hebben. Want de grondhouding bleef dezelfde. Alleen de werkelijkheid, waarin wij zijn komen te leven, heeft zich nóg uitdrukkelijker dan in 1940 bewogen naar een situatie, die nu eenmaal aan onze gedragingen bepaalde eisen stelt.

De ruggegraat van deze grondhouding (om het nu eens lelijk, maar duidelijk te zeggen) blijkt het beste uit wat Prof. Heering schrijft over de andere realiteit, waarvoor de „wereld”, de z.g. realisten, de man-

nen, die de dingen nu eenmaal nemen zoals zij zijn, geen oog hebben. Het is de realiteit van Christus en Zijn Koninkrijk. Kennis daarvan maakt het eenvoudig onmogelijk om zo, zonder meer, deze wereld van moord en leed zonder protest te aanvaarden. Het uitzicht op dat Koninkrijk verbiedt ons om alleen maar over deze oorlog te spreken als over het oordeel (wat hij ongetwijfeld óók is), maar moet ook leiden tot erkenning, dat er een spanning is tussen dat Koninkrijk en de wereld van heden. En die spanning verslapt nooit.

Wij achten het volstrekt geboden, dat thans deze boodschap gehoord wordt. Zij is wezenlijk evangelisch, zij is echt-kerkelijk. En de ontwikkeling der na-oorlogse verhoudingen zal ons steeds meer in deze richting dringen. Ons, en de ganse Kerk, voorzover zij aandacht voor en mede-lijden met de wereld kent.

Het zal ons dringen tot reserve tegenover alle vormen van militairisme. Wij zullen dat militairisme thans niet kunnen missen, want er moet orde zijn. Maar wij zullen tegelijkertijd, ervoor waken, dat het zich niet in onze zielen nestelt. Dat het niet onze harten verovert. Dat het zijn grenzen kent. Wij weten goed, hoe moeilijk dat is. Want juist het militairisme heeft zulk een levensdrift (samenhangend met zijn vernietigingsdrang), dat het bij geen enkele grens halt houdt. Het militaire apparaat kan heel slecht dienstknecht zijn, behalve dan van de machten, die het zelf geschapen heeft.

En nu zien wij voor ons, hoe veel moeilijker „Kerk en Vrede” (of hoe de beweging, die zich straks moge vormen, zal heten) het nü zal hebben, dan voor de oorlog. Toen was zij klaar (zo scheen het althans naar buiten) met een eenvoudige afwijzing van het geweer, dat in de handen van de recruut werd gedrukt. Nu zal zij in de spanning moeten gaan leven van tegelijk erkenning, ja, zelfs soms incidentele waardering èn anderzijds óók afwijzing van het militairisme. Zij zal meer de grondhouding duidelijk moeten gaan maken, en zij kan dat niet meer door het voorbeeld van een eenvoudige, ondubbelzinnige houding.

Daarom (prof. Heering voorvoelt het) zal deze nieuwe beweging niet op een groot ledental, veeleer op een bewuste kern moeten aansturen. Maar, zo voegen wij er aan toe, op een bewuste kern, die zich niet isoleert. Elk isolement is eenvoudig onduldbaar. Dit woord te spreken midden in de Kerk, die door de oorlogsjaren heen zeker opener is geworden, is eerste eis. Mogelijk is het wellicht, dat „Kerk en Vrede” zich constitueert als werkgroep binnen de kerken, waar men toe behoort, ia, zo mogelijk in organisatorisch verband met haar leiding. Dan wordt de verantwoordelijkheid, niet alleen voor de ~onzichtbare Kerk , maar ook voor de concrete kerk duidelijk uitgedrukt en is de grondslag van de beweging ook duidelijk gemarkeerd.

Het militairisme mag ons niet overmeesteren, ook al heeft een bepaalde vorm van militairisme ons de politieke vrijheid gebracht. Maar wij mogen dat militairisme ook niet loslaten, omdat het anders zijn eigen, onheilspellende weg gaat.

Het zal een zware worsteling worden, waarbij wij maar één wapen hebben; de kennis van Christus en Zijn Koninkrijk. En wij zuilen niet met klaarliggende oplossingen kunnen komen. Die zullen pas in de strijd zelf gestalte krijgen. Maar ook alleen in de strijd,

L. H. RUITENBERG.