is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1945, no 3, 13-10-1945

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Indonesië

Er zijn aan het reuzengrote vraagstuk, dat in het najaar 1945 met het woord Indonesië wordt gesteld, een aantal kanten, waarover wij zwijgen moeten, eenvoudig omdat wij niet weten. Maar juist omdat wij uit verantwoordelijkheidsbesef zwijgen over wat wij onvoldoende kennen, moeten wij te duidelijker spreken over andere kanten zwijgen daarover ware thans de kant kiezen der reactie.

Werkers voor de ophouw!

Ten eerste dan: in de koloniale verhouding ligt (behalve allerlei anders) steeds een zwaar element van schuld. Heel concreet: toen in ons volk het afgrijzen luide werd over de wandaad der Duitsers, die het Veluwe dorp Putten gedeeltelijk in de as legden vanwege een aanslag op een aantal officieren, hadden wij ons kunnen en behoren te herinneren, dat wij in Indonesië precies dezelfde methoden hebben toegepast in het verleden, zónder dat een afgrijzen zich toen van ons meester maakte. Deze methode „ter handhaving van het gezag”— daarover gaat het immers steeds? is onze schuld; dat wij in de jaren, dat wij zelf slachtoffer werden dezer methoden, ons niets meer herinnerden, want wij hebben niet willen weten, is opnieuw onze schuld; dat wij tot afgrijzen zijn ontwaakt en tot opstandigheid bij Duitse hantering der methoden, is opnieuw onze schuld. Ik ben waarlijk niet blind voor andere kanten van ons werk ginds in de overzeese gebiedsdelen ; „daar werd iets groots ver-

richt”, mag zeker óók gezegd worden. Maar als ik in het najaar van 1945 zit tegenover de mannen der Perhimpoenan Indonesia, die om steun komen vragen voor de eis der zelfstandigheid van hun vaderland, dan overheerst bij mij zeer sterk het besef, dat de koloniale verhouding een stuk schuld betekent aan onze kant, waardoor wij met al onze zg. superioriteit, ons beschaamd en klein voelen.

Ten tweede: de koloniale verhouding betekent juist voor de zg. ethische politiek ten opzichte van Indonesië een stuk tragiek. Ik denk hierbij aan wat de nobelsten der Leidse school onder hen vooraan Van Vollenhoven met tal van harde werkers in Indonesië hebben gewild en gedaan. Zij hebben het waarachtig belang der inlandse bevolking (materieel, sociaaal, politiek en geestelijk) hoger gesteld dan het belang van het Nederlandse kapitalisme ; zij hebben aangestuurd op een politieke en geestelijke emancipatie met als einddoel: zelfstandigheid binnen het Rijksverband ; zij hebben de inlandse krachten gewekt, gevormd en bezield, die aan de emancipatiestrijd leiding konden geven. Maar zij moesten dit alles doen binnen de koloniale verhouding zelve, die dwars tegen hun hoog bedoelen inging en het dikwijls dienstbaar heeft gemaakt aan een overheersing, die zij zelven niet wensten. Ik durf niet afwegen: misschien ligt hun betekenis evenzeer in het wekken van ver-

antwoordelijkheidsbesef bij het Nederlandse volk als in de positieve arbeid ginds ik laat dat rusten. Maar aan de uiterst moeilijke positie van den huidigen minister voor de overzeese gebiedsdelen wordt mij de tragiek der situatie scherp bewust. Minister Logemann staat met zijn hart èn verstand aan de zijde van het Indonesische volk, dat zelfstandigheid begeert maar voorlopig is er nog de koloniale verhouding, met alle onrecht sinds eeuwen daarin opgehoopt.

Ten derde: wij mogen niet vergeten, waarvoor wijzelf in de vijf jaren van Duitse overheersing hebben gestreden. Ik weet wel: ook hier liggen allerlei dingen dooreen, stoffelijke belangen, politieke beginselen, zielkundige verschillen en zoveel meer. Maar wij mogen toch zeggen, dat het in wezen een geestelijke strijd was, die wij voerden, die wij nóg voeren, zij het dan tegen een andere vijand en op andere fronten. Een strijd nl. om gewetensvrijheid, om sociale gerechtigheid, om eerbied voor den mens en zijn persoonlijkheid, om het recht der barmhartigheid. Als dit alles bij ons geen huichelarij is geweest, geen geestelijk masker waarachter zich naakt eigenbelang heeft verborgen, dan moeten wij scherp weten: elke geestelijke strijd is in wezen universeel, al wordt hij op nog zulk een klein hoekje van de aarde uitgestreden. Dat hebben ons de Bijbelse profeten eens voor al duidelijk gemaakt: de strijd om gerechtigheid, die eenmaal een veehoeder en moerbeikweker uit een vergeten nest aan de rand van een woestijn inzette, geldt voor alle volkeren der aarde. M.a.w. als wij tegen het nazi-dom vochten om vrijheid, gerechtigheid, menselijkheid, barmhartigheid, dan gelden deze normen óók voor ons in onze verhouding tot Indonesië (dat zij evenzeer moeten gelden tegenover een overwonnen Duitsland,worde terloops opgemerkt, maar thans niet breder uitgewerkt). Zouden wij deze maatstaven thans niet laten gelden, nu de bevrij dingsroep uit Indonesië opklinkt, dan ware daarmede het bewijs onzer egoïstische begrensdheid en onoprechtheid gegeven.

Het is op grond van deze overwegingen, dat wij vurig hopen op een weg, die de ontwikkeling op grondslag van de rede van H.M. de Koningin van 7 December 1942 onbelemmerd laat. Onze Indonesische vrienden zullen wel weten, beter dan wij, welke conservatieve en reactionnaire machten op de loer liggen. Achter een leuze: handhaving van het gezag in zichzelf volkomen aanvaardbaar gaan gewoonlijk andere motieven schuil. Het is de taak der Indonesiërs, er voor te waken, dat de scherpslijpers geen kans krijgen de onze is het om in naam der gerechtigheid en vrijheid, waarvoor wij streden tegen de Duitsers, en tevens in een besef van schuld in de loop der eeuwen opgehoopt, ons volk geestelijk en daadwerkelijk bereid te maken tot een samenwerking op de grondslag van vrijwilligheid en gelijkwaardigheid. W. B.

Het adres van den redacteur dr. Zl). Banning is met ingang van heden: de Wetstein Pfisterlaan 38, DRIEBERGEN