is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1945, no 3, 13-10-1945

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weergegeven stukje uiterlijke wereld is er met het hart der dingen verbonden, en het is eerst daaraan, dat het zijn waarde ontleent.

Niet zonder reden heette de eerste bundel van Ida Gerhardt „Kosmos”. Kosmos, dat is de heilige ordening, die al het bestaande beheerst, het vererenswaardige geheel, waarvan men de tegenwoordigheid uit elk „onderdeel” kan aflezen, mogen dat de sterren zijn of de atomen, of

de groeiwijs van de plant, het levend zich [ontvouwen van vorm na vorm, weer rustend in de [regelmaat, die fijn vertakt door bloem en blad en [stengel gaat („Kosmos”).

In deze poëzie is de natuur niet de achtergrond voor óns belangwekkend mensenbestaan, zij wordt beleefd „met in het verschijnen/iets bovenaards, een glanzen als het eerste dagen/van wat geschapen is”, men zou kunnen zeggen: zó als zij uit de handen van haar Schepper is gekomen.

Maar nu is dit het wonderlijke: dezelfde kracht, dezelfde wet, die de natuur beheerst, blijkt zich ook te doen gelden in de menselijke geest. Wat de dichter dan te doen heeft, is alleen: met diepe, brandende aandacht (een aandacht zo diep, dat al het beperkt persoonlijke wegvalt) te luisteren naar de wetten, en bij zijn eigen scheppende activiteit daaraan te gehoorzamen. Op deze wijze ontstaat wat wij poëzie noemen; zij is het werk van den dichter, en tegelijk niet zijn werk, niet de prestatie van zijn kleine, begrensde persoon. Zij leidt een eigen leven, zij is schoon, omdat zij aan boven-individuele wetten gehoorzaamt, en in die gehoorzaamheid krijgt zij een souvereine gratie van bewegen, een vrijheid, die voor persoonlijke willekeur nooit zou zijn weggelegd. Wie deze poëzie-leer in Ida Gerhardt’s eigen woorden (veel eenvoudiger en veel mooier!) wil vinden uitgedrukt, leze het vers „Geboorte”.

Misschien moet men dit, naar mijn mening centrale, gezichtspunt eerst hebben gevonden, om het geheel eigen karakter van het werk van Ida Gerhardt te kunnen verstaan. Dit is geen kunst van voorbijtrekkende stemmingen of emoties, de spontaniteit van een in de vlucht gevangen poë-

tische „inval” zoekt men er vergeefs. Voor het spel der associaties en de grilligheid der fantasie is er weinig plaats, men ziet er alleen de „éven aangeraakte” verbeelding zich ontvouwen, in telkens nieuwe gedaanten, maar altijd aan dezelfde wetten gehoorzamend. Wel lopen onderwerpen en stijl uiteen: er is het simpele versje van de Hazelaar en het zware titelgedicht, het verrukte, deinende „Schepen als zeilende bloemen” en de stroeve schoonheid van „Tolstoï ploegende”. Er zijn verzen van vreugde en van verdriet, van eenzaamheid en van een gelukkig samen-horen; vergeleken bij Kosmos meer breedheid, meer speling; een groter soepelheid ook. Maar dit wil ten enen male niet zeggen, dat het verband nu losser is geworden of de innerlijke tucht minder streng. Geen slordig of maar-half-gelukt vers zal men in deze meer dan honderd blz. aantreffen, géén dat niet door positieve gevoelens gedragen wordt, geen dat niet in de grote dichterlijke samenhang is opgenomen.

Daarom kan er van deze verzen zo’n ongemeen weldadige, ja ik zou haast zeggen „regenererende” werking uitgaan. Een opgejaagd, moegeraasd, doof- en schor geschreeuwd geslacht vindt in uitingen als deze weer iets terug van de dingen, die het bijna vergeten was en waarzonder men toch niet leven kan, iets van de oorspronkelijke stilte, die door onze efficiency, onze oorlogen, neurosen en organisaties slechts is verstoord.

„Een bundel van Holland” is de ondertitel, die Ida Gerhardt aan Het Veerhuis heeft gegeven. En inderdaad, het is het Hollandse landschap en zijn schoonheid, die hier worden gevierd; de klare, ongeschonden, oorspronkelijke schoonheid van het eigen land, zoals zij ten spijt van oorlog en moderne tijd nog wel hier en daar bestaat. Als een hartstochtelijk getuigenis voor die schoonheid is het boek bedoeld. Maar ik weet zeker, dat voor de schrijfster „Holland” niet alleen een landschap is, met water en wei, maar ook een volk, dat een traditie van eenvoud, aandacht en zuiverheid heeft te bewaren. Ook op dat Holland wordt hier een beroep gedaan. Het in de oorlog zo bekend geworden „Carillon” staat als oorlogsvers in deze poëzie apart, maar in zijn beheerste bewogenheid en klassieke eenvoud is het een welsprekend getuigenis van wat voor deze dichteres „Holland” betekent.

M. H. VAN DER ZEYDE.

Iptjaiimjmi

Vae Victis

De conferentie van Londen is niet mislukt, maar afgebroken, aldus hebben drie naar huis vertrekkende ministers verklaard. Wij zullen op de duur wel merken wat er van de talrijke werkzaamheden die tevoren naar deze bijeenkomst verwezen waren, terechtkomt; het bureau van de conferentie blijft althans intact en aan schriftelijke en mondelinge gedachtenwisseling zal het zeker niet ontbreken. Toch heeft de wereld door het zij het ook niet geheel onverwachte ongunstige verloop der besprekingen een schok ontvangen die lang zal nawerken. De ironischberustende volkswijsheid heeft onmiddellijk zijn commentaar in spreekwoordvorm ge-

reed; dat van uitstel afstel komt, en dat met met onwillige honden slecht hazen vangen is. Inderdaad, maar wij hadden toch op iets anders gehoopt, ons was zo vaak verzekerd dat men van Versailles had geleerd, dat nü de vrede in oorlogstijd voorbereid was. Allerwege in de wereld heersen nog als gevolg van de oorlog overspannenheid, opgejaagdheid, onzekerheid, nervositeit. Nieuwe spanning kan deze verdrietige situatie slechts verergeren.

Een volgende maal hopen wij iets te berde te brengen over oorzaken die het gedeeltelijk falen van de Londense conferentie kunnen hebben beïnvloed; dan kan daaraan meteen de bespreking van een

begrip als „machtspolitiek”, een woord dat men thans met smalende berusting in de mond neemt, worden verbonden. Ditmaal willen wij de blik richten op de onmiddellijke gevolgen van het gebrek aan coördinatie in de handelingen van de overwinnende mogendheden. Terloops signaleren wij even hoe leerzaam deze conferentie was aangaande dé huidige plaats van Europa in de wereldpolitiek; was in de 18e eeuw Europese politiek nog identiek met de hele internationale staatkunde, tegenwoordig is Europa niet meer actief, doch passief middelpunt daarvan. Hier vallen de slagen, hier komen nieuwe grenzen te liggen, over óns wordt beslist.

Voor een derde wereldoorlog behoeven wij niet te vrezen. Ondanks Molotof’s felle optreden denkt de Sowjetunie daar niet aan. Haar alzijdige militaire ontplooiing in de strijd tegen Hitler dankt zij voor een belangrijk deel aan de leen- en pachtieveranties, zij bezit geen atoombom, zij bereidt thans met alle kracht een vijfjarenplan voor „herstel en vernieuwing” voor en, psychologisch belangrijk, kort geleden is ook in Rusland een demobilisatie op grote schaal begonnen, die volgens persberichten thans bij uitstek voorwerp van de dagelijkse gesprekken en gedachten is.

Voor oorlog vrezen wij dus niet, maar wei voor de noodlottige gevolgen van uitstel van noodzakelijke beslissingen, van herhaald langs elkaar heen werken van de grote mogendheden met een politiek van al of niet bedoelde voldongen feiten, die de onvermijdelijke chaos verlengt en misschien zelfs verergert. Wie van chaos spreekt, denkt vandaag de dag, na wat we daar de laatste weken over hebben gelezen, aan Duitsland.

We hadden het ons zo anders voorgesteld. Wanneer we in de afgelopen jaren overwogen of deze oorlog nu ging tegen de Duitsers of tegen de nazi’s, was ons dan wel altijd voldoende bewust dat het hier ging om de grondslag van de politiek die de geaiiieerden te zijner tijd tegen onze vijanden zouden voeren? Een duidelijke iijn is er in de voornemens van de grote drie niet geweest en zowel in de bezette als in de onbezette landen is de discussie onbeslist gebleven. Aan plannen voor de behandeling van Duitsland heeft het waarlijk niet ontbroken. Op papier leek het vaak heel wat; stilzwijgend ging men dan echter uit van de bestaande economische verhoudingen, met name Duitslands economische eenheid, niet voorziende hoe de hoge nood op het eind van de oorlog die eenheid al vrijwel teniet zou doen. Wij herinneren ons hoe in een kleine kring de betreurde Wiardi Beekman reeds in de lente van 1941 uitsprak dat z.i. het verslagen Duitsland het best politiek machteloos, maar economisch gelijkgerechtigd zou zijn; dan hadden de Duitsers het gevoel in beide opzichten door hun nazileiders bedrogen te wezen. Maar toen waren de ergste roof en moorden, uitgangspunt van gevoelens van wraak, vergelding en herstelverlangens, nog niet geschied. In het Aprilnummer van het Amerikaanse tijdschrift Foreign Af fairs van dit jaar werd nog betoogd, dat de behandeiing van Duitsland aan vier eisen moest voldoen: 1 de nazi’s niet voigens nazimethoden behandelen, dus opvoeding tot democratie; 2. maatregelen nemen tegen herstel van Duitsland’s macht; 3. herstelbetalingen; 4. grondige organisatie van dit programma, opdat het ene punt het andere niet zou verhinderen of bemoeilijken. Tot uitvoering is dit stellig redelijke plan niet eens kunnen komen, eenvoudig door de onvoorstelbare chaos en desorganisatie waarin Duitsland zich reeds tijdens de ge-