is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1945, no 4, 20-10-1945

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I I % A # II C 1 n n n \ê\Ê l i B ■ I II TT I I

Na de bevrijding overheerste de vreugde en aan de vreugde schijnt bij velen welhaast geen einde te komen. Heel begrijpelijk. Wij hebben gevochten voor de vrijheid. Wij hebben er alles voor ingezet. Wij hebben in een bijna niet te dragen hoogspanning geleefd. Wij hadden er alles voor over. Wij kunnen nog telkens weer de vreugde niet op, indien wij ons realiseren, dat wij vrij zijn. Het schijnt wel of wij vacantie hebben. Vacantie tussen de puinhopen.

Nu het leven langzaam maar zeker weer op gang komt, beginnen wij echter te beseffen, dat er aan deze vacantie een einde moet komen en dat wij de werkelijke situatie onder de ogen hebben te zien. Wij hadden enkele maanden vacantie, maar tussen de puinhopen. Die puinhopen zijn de werkelijkheid, met welke wij, nu wij weer beginnen, voluit rekening hebben te houden. Wij ieven in een totaal ontredderde en verwilderde wereld en wij hebben er nog geen besef van, hoe erg het is.

Prof. Kraemer heeft een artikel geschreven over „Geestelijke Verwildering”. De ondertitel luidt: „Crisis op godsdienstig, zedelijk en wijsgerig terrein” Hij spreekt de overtuiging uit, dat een ieder, die, juist omdat hij zijn volk waarachtig lief heeft en de aarde waarachtig trouw wil blijven, tot radicale zelfkritiek en nuchter realisme bereid is, de geestelijke verwildering en haar overwinning moet zien als de grootste taak, die ons wacht.

Geen volk kan gezond blijven, indien het niet, deels uitgesproken, deels stilzwijgend, leeft uit een geestelijke achtergrond, die gezag heeft over de gewetens en het denken, wanneer zij niet een wereld van hoger orde en autoriteit erkent, die aan de wereld der gewone werkelijkheid richting en stuwing geeft.

Dat besef was reeds lang voor de oorlog verloren gegaan. Wij leefden in een geestelijk vacuum en dreigden ten prooi te worden van een geestelijk nihilisme. Wij hadden geen houvast. De grote massa bezat geen geloof meer en had geen normen meer. Prof. v. d. Leeuw heeft gesproken over het vermageringsproces van het Europese geestesleven. Dit proces betekent tenslotte het einde van alle cultuur.

Er was een geweldige vooruitgang op het gebied van de natuurkennis en de techniek met als gevolg een ongekende natuur- en wereldbeheersing, maar wij faalden in de behandeling van de geestelijke en zedelijke problemen. Geen wonder, dat aan het einde het optimisme van de vorige eeuw stuk brak.

Men kan de vraag stellen, of het wel zó erg is. Het antwoord moet luiden: Al schijnt het niet zó erg, het is wel zó erg. Wij zijn bezig de laatste resten van het uit het verleden geërfde goed op te maken, maar het is niet meer ons persoonlijk geestelijk eigendom.

Toen Cherbulier in de Academie werd opgenomen, ontving hij van Renan, die een vriend van zijn vader was, een gelukwens, waarin deze hem meedeelde, hoe zijn vader van het oude geloof tot de philosophie en de Duitse bijbelcritiek overging: „Deze verandering greep plaats zonder iets in de morele beginselen van uw vader te wijzigen. Ofschoon rationalist, bleef hij toch altijd een vroom man van voorbeeldige zeden. Zijn gehele leven verkeerde in de geur der herinnering aan die vruchtbare geloofsvoorstellingen, wier let-

ter men opofferen kan zonder de geest te verliezen. Zonder het te weten, danken wij dikwijls aan deze formule de overblijfselen van onze deugd. Wij leven van een schaduw, van de geur van een ledige vaas, na ons zal men van een schaduw ener schaduw leven, ik ben dikwijls bevreesd, dat dit iets te weinig zou kunnen zijn”. Wil men een voorbeeld uit deze tijd?

In de aller-moeilijkste dagen van de bezetting, spraken wij op een illegale kring over de toekomst van ons volk en Europa. Een atheïst, die vroeger christen was, nam aan de discussie deel. Hij was pessimist. Hij meende, dat al wat het leven in Europa het leven waard maakte de geestelijke waarden; waarheid, gerechtigheid, barmhartigheid, menselijkheid aan het christendom te danken was. Het christendom is echter geen mogelijkheid meer. Wij leven in een wereld post Christum. Het christendom heeft zijn tijd gehad. Niemand weet echter, uit welke bronnen de geestelijke waarden, die wij aan het christendom te danken hebben, nu voortaan hun levenskracht zullen moeten putten. Daarom, zo luidde de conclusie, gaan wij harde en onmenselijke tijden

I tegemoet, het nihilisme, de geestelijke I chaos.

I Laten wij dezen man niet te vlot en te gemakkelijk tegenspreken. Hij zegt op zijn ; wijze, wat Prof. v. d. Leeuw aanduidde met het woord vermageringsproces. De 3 heerschappij van God maakte plaats voor j de christenheid en deze vermagerde tot I mensheid. Het grote doel van het wereld. leven vermagerde gelijktijdig van de civitas Deï tot ontwikkeling of vooruitgang der mensheid. En ook dit vooruitgangs; geloof vermagerde nog weer tot evolutie om tenslotte in de volmaking der techniek te verschrompelen tot een bleek spel. Nu staan wij voor het Niets, voor de overtuiging van de volstrekte waardeloosheid en zinloosheid van het leven.

Het behoeft ons niet te verwonderen, dat het Nationaal Socialisme in Europa zulke goede kansen had. De mensen waren leeg en de bodem van Europa was toebereid. Zo konden duizenden zich verlagen tot propagandisten van de revolutie van het nihilisme en medeschuldig worden aan de meest gruwelijke openbaring van onmenselijkheid en ongerechtigheid. Nu is aan dit alles een einde gekomen. Wij zijn bevrijd.

Ja, maar wij leven tussen de puinhopen, in een geschonden wereld. Het is nodig, dat wij dit weten en er bij onze toekomstbeschouwing voluit en voortdurend mee rekenen.

J. J. BUSKES Jr.

Prof, dr. Hugo SLn.zh.eLm.erf

Nu „Tijd en Taak” weer is herrezen, mag daarin €en afscheidsgroet aan Hugo Sinzheimer, die op 16 September jl. op ruim zeventigjarige leeftijd plotseling is heengegaan, niet ontbreken. Immers, al heeft de overledene gedurende de twaalf jaren, die hij in ons vaderland heeft doorgebracht, met het Nederlandse religieus-socialisme geen of weinig contact gehad, zijn leven en werken zijn en blijven getuigen van zijn door en door religieus-socialistische geest, Zo heb ik persoonlijk de nauwere aanraking met dezen voornamen en edelen mens een aanraking, die in een warme vriendschap is overgegaan niet aan het religieus-socialisme te danken, maar aan mijn bestuurslidmaatschap van de Stichting tot Bevordering van de Studie van het Arbeidsrecht en de Rechtssociologie in Nederland, vanwege welke Stichting Sinzheimer na zijn verbanning uit Duitsland in 1933 als bijzonder hoogleraar, zowel te Amsterdam als te Leiden, werkzaam was. Doch ook in Duitsiand heeft Sinzheimer, voorzover mij bekend, niet in het middelpunt der religieus-socialistische beweging gestaan. Wel was hij innig verbonden met de dragers daarvan. Mannen als Hendrik de Man, Carl Mennicke, Eduard Heimann, Paul TilUch en anderen rekende hij tot zijn vriendenkring, maar slechts eenmaal zien wij hem in dit verband sterk naar voren komen, en wel op de internationale bijeenkomst in de Pinsterweek 1928 te Heppenheim gehouden, die onder zijn leiding heeft gestaan, waarop de rijkste religieussocialistische geesten (voor ons land Henriëtte Roland Holst) aanwezig waren. In de Neue Blatter für den Sozialismus, die een gevolg waren van Heppenheim, treffen wij in hun 3è-jarig bestaan zijn naam slechts eenmaal onder de schrijvers aan.

Willen wij Sinzheimer’s religieus-socialisme verstaan, dan moeten wij bij zijn

wetenschappelijk werk en persoonlijk geestesleven te raden gaan.

Sinzheimer was een weinig gecompliceerde natuur, wat aan zijn wezen een grote gaafheid gegeven heeft, waaraan kleine zwakheden, die slechts de buitenkant van zijn bestaan raakten, welk mens is er vrij van ? niet de minste afbreuk deden Mede, dank zij die gaafheid, maakt zijn ontwikkelingsgang de indruk als vanzelfsprekend te zijn, als vanuit zijn natuur voort te vloeien. Begiftigd met een uiterst scherp verstand vond dit in de rechtswetenschap zijn bevrediging. Zijn maatschappelijk inzicht en zijn grote behoefte aan concretiseren van de rechtsbeginselen bracht hem vanzelf tot de bestudering van het arbeidsrecht, waarvan hij in Duitsland één der grote scheppers is geweest. Ditzelfde inzicht en deze zelfde behoefte, gepaard met zijn drang naar universalisme, hebben hem naar het gebied van de rechtssociologie, welke tak van wetenschap hij sinds 1930 naast die van het arbeidsrecht in Frankfurt a.M. als hoogleraar doceerde en waaraan hij zich vooral in zijn Nederlandse jaren heeft gewijd. De vruchten van zijn studie op dit gebied zijn bovenal in zijn in 1933 verschenen „De taak der rechtssociologie” neergelegd.

Daar is in Sinzheimer’s werk en persoon een merkwaardige natuurlijke groei, een geleidelijke evolutie te bespeuren. Analyse en synthese reikten elkaar daarbij de hand; bij hem was de synthese echter niet opgebouwd uit scherpe antithesen. Die groei heeft zich voortgezet, totdat de dood hem heeft verrast en heeft hem, trots zijn zeventig jaren, tot zijn laatste ademtocht jong gehouden.

In het laatste deel van zijn „De taak der rechtssociologie” richt Sinzheimer zijn blik naar de toekomst. Na geconstateerd te hebben, dat het kiassieke wereldbeeld der