is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1945, no 5, 27-10-1945

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In een moeilijk parket

Wij willen enige opmerkingen maken over de Christelijk Historische Unie. Zoals in alle partijen van voor 1940, is ook in de leiding van deze partij de vraag aan de orde gesteld, of men weer voor het politieke front zou komen, dan wel of men alles in het werk zou stellen om tot een groter eenheid te komen door fusie met verwante groepen.

En hetzelfde verschijnsel, wat zich in alle partijen heeft voorgedaan, treffen wij ook hier. Men wil wel veranderen, verbreden, maar men wil dat alleen doen, wanneer de eigen aanhangers weer tot organisatie zijn gekomen.

Het stond (ook al weer; als bij alle partijen) van te voren vast, dat het beginsel onaangetast is gebleven, en nu gaat het er ook dé C.H.U. slechts om, andere accenten te leggen, de contacten met andere politieke groeperingen te herzien.

Toch verkeert de C.H.U. in een moeilijker parket dan de meeste andere partijen van enig formaat.

In de eerste plaats heeft de aanval op de grondslagen der christelijke politiek, zoals die reeds vóór 1940 ingezet was, juist onder haar aanhang grote indruk gemaakt. Dat is heel begrijpelijk. Ofschoon de christelijk-historischen en de antirevolutionnairen een gelijke overtuiging hebben op het stuk van de verhouding tussen gezag en openbaring, ofschoon zij beiden uitgaan van het beginsel, dat de Overheid Gods dienaresse is en aan Hem alle gezag ontleent, lag er toch in de uitwerking van deze gedachte een nuanceverschil, waardoor de wegen op beslissende ogenblikken uiteen konden gaan. De Savornin Lohman Sr. heeft het aldus geformuleerd: De anti-revolutionnairen nemen Gods Woord als uitgangspunt en trachten de daaruit af te leiden ordeningen Gods zóver door te voeren, als het historisch gewordene nu eenmaal gedoogt. De christelijk-historischen handelen in omgekeerde zin; zij nemen het historisch gewordene tot uitgangspunt en pogen dit zoveel mogelijk aan te passen aan Gods Woord.

Dit verschil zou de anti-revolutionnairen in de loop der jaren strakker, consequenter, „principiëler” maken dan de christelijk-historischen. Voeg daarbij, dat de laatsten hun voedingsbodem vonden in de Hervormde kerk en dus invloed ondergingen van de strijd, die daar uitgevochten werd, terwijl de anti-revolutionnairen voornamelijk steunden op de goedgeorganiseerde, naar isolement neigende leden der Gereformeerde kerken, dan verstaat men, dat de christelijk-historischen meer open stonden voor de invloeden van buiten, zowel van de „wereld” als van de Hervormde kerk, en daardoor / „soepeler” bleven.

Welnu, de critiek van rechtzinnige christenen, meest door Karl Barth beinvloed, ging juist tegen de stelling, dat er een politieke partijvorming op christelijke grondslag geboden was. Men is in die hoek zeer bang voor allerlei christelijkheden. Men wil alleen de vrije werking van de prediking, de reine prediking, de actuele prediking, maar men wil geen organisaties, die afgeleid-christelijk zijn. Zij kunnen zo gemakkelijk de blik op het Evangelie verduisteren. Zij veroorzaken een afkeer van het Evangelie, niet om dat Evangelie zelf, maar om de organisaties, die dit Evangelie

in de practijk willen brengen.

Deze critiek heeft grote invloed gehad. Niet alleen onder hen, die zich „Barthianen” noemen, maar ver daar buiten. Want de veranderingen binnen de Hervormde kerk, door het werk van „Gemeenteopbouw” gewekt, heeft deze Kerk opnieuw haar zendingstaak bewust gemaakt. En ieder die zending wil bedrijven, acht zich gehinderd door nodeloze scheidingen. De practijk van het werk had laten zien, hoe de afkeer tegen Evangelie, tegen de Kerk, niet in de eerste plaats gelegen was in het afwijzen van de prediking, maar in het afwijzen van de politieke en sociale activiteit van de christelijke organisaties. Menigeen heeft de Kerk afgewezen, omdat hij van Colijn niets wilde hebben. Dom, maar waar.

In de tweede plaats heeft de aanval op de C.H.U. zich ingezet tegen de rangorde der problemen, zoals de oude christelijke partijen die stellen. Daar moet men wel op letten. Elke beweging wordt gevormd door een bepaalde strijd. De christelijkhistorischen zijn tot hun organisatievorm gekomen als rechtse partij. De noodzaak van het handhaven der antithese (zij het dan met bloedend hart) was uitgangspunt. En het hoofdprobleem was daarbij, hoe men de verhouding tussen gezag en vrijheid zag. Anders gezegd: was God souverein of het volk?

Thans is het sociale probleem het belangrijkste. Het hangt samen met alle andere maar op dat stuk vallen de scheidingen. De sociale vraagstukken dringen met zo’n kracht naar voren, dat men niet kan volstaan deze in punt elf van een program af te doen. En omdat de christelijk-historischen nu eenmaal hun geschiedenis begonnen zijn op een ander punt, dan waar thans ons volk alle aandacht voor vraagt, daarom missen zij de werfkracht, die nodig is. Niet nodig, om te blijven bestaan, maar wèl nodig, om zich te laten gelden.

En hoe reageren zy zelf erop?

Het blijkt, dat een deel van de oude leiding pal staat voor de handhaving der Unie. Bij de lezing van het weekblad „De Christelijk-Historische Nederlander” valt het op, dat de leiders allen een lange geschiedenis achter zich hebben. In dat blad worden nu twee dingen gedaan. Ten eerste wordt er veel geklaagd over de onkunde van de jongeren en van de predikanten Onkunde over het program en de historie van de C.H.U. En ten tweede doet de leiding alle moeite, om duidelijk te laten zien, dat men toch helemaal niet A.R. is.

Over deze twee pogingen zouden wij het volgende willen zeggen.

De jongeren kennen noch program, nóch historie. Ja, wil men nog de beste kennis van zaken vinden, dan zal men die, zo schrijft de „Chr. Hist. Nederlander” van 18 October, bij de ouderen, en onder hen dan nog bij de eenvoudigen van geest moeten komen. Wij achten deze bekentenis veel betekenend. Wanneer men na een preek aan den dominé zegt, dat de gemeente er niets van snapte, dan is dat zijn schuld, niet die van de gemeente. Wanneer de jongeren en de intellectuelen het niet meer „begrijpen”, dan is het een aanwijzing, niet dat men het nu maar eens beter en vaker moet zeggen, maar dat men blijkbaar over din-

gen spreekt, • die niet' meer in het brandpunt van de belangstelling staan; dat men heenpraat langs de dingen, waar anderen mee leven. En dat is voor een politieke partij een hoogstgevaarlijke situatie.

Dan is een ietwat dierbaar verwijzen naar de eenvoudige oudjes een misse slag. Hoezeer wij in geloofszaken weten van de waarheid, die door de stille in den lande gedragen wordt, maar die wijzen niet geopenbaard is, toch menen wij, dat het hier niet om geloofszaken, maar om andere dingen gaat. N.l. om politiek.

Dat de christelijk-historischen niet anti-revolutionnair zijn, is bekend. Maar het zal, nu de hoofdaanval zich richt tegen de antithese, steeds moeilijker worden het verschil duidelijk te maken. Zeker, de christelijk-historischen hebben de antithese anders gehanteerd dan de anti’s. Voor een scherp waarnemen kon dat soms wel eens blijken. Bijvoorbeeld bij de kwestie van het Hoger Onderwijs, dat de anti’s „vrij”, d.w.z. confessioneel willen hebben, maar de C.H.U. openbaar wil houden. In de practijk hebben de christelijk-historischen echter een kwart eeuw de coalitiepolitiek gesteund. Zij mogen dan al geen zitting hebben gehad in het beroemde kabinet-Kuyper van 1901 tot 1905, daarna was het een rechtse partij zonder meer. Alleen een beetje gematigder, een beetje meer antirooms, een (een enkele persoonlijke uitzondering daargelaten) een beetje conservatiever.

Thans wil de C.H.U. zelfstandig optreden, maar dan in de beste verstandhouding gaan leven met de partijen, die op eenzelfde grondslag zijn. Heel mooi, maar wat denkt men daarmee te redden? Er kan zeer veel geschreven worden over het verschil tussen die twee zusterpartijen, en het zou een pracht-onderwerp voor een dissertatie met heel veel noten zijn. Maar niemand buiten de ingewijden zal er anders om gaan denken. En daarmee zal de C.H.U. blijven, wat zij steeds was: een partij, die soms de scherpe kanten van de antithese-politiek wat af weet te slijten, maar die op beslissende ogenblikken zich moeilijk van de leiding van de Anti’s zal weten te onttrekken. En dat is het nu juist, wat men in brede kringen van het niet-gereformeerde „kerkvolk” per se begeert.

Men wil ook meer de nadruk gaan leggen op de sociale kant van het program. Men erkent, vroeger te behoudzuchtig te zijn geweest. Maar men wijst het socialisme af, zonder overigens een nieuw onderzoek in te stellen naar zijn inhoud. En men raadt de partijleden aan, contact te zoeken met de christen-democraten.

Daar verwachten wij weinig van. Voorzover onze gegevens gaan, is de Christen-Democratische Unie wel zeer verzwakt. Haar voornaamste voorman is spoorloos verdwenen, haar andere Kamerlid verdedigt met anti-revolutionnairen op één podium het streven naar een brede christelijke volkspartij. Verschillende mensen van naam en van invloed uit die kringen zijn tot de S.D.A.P. of tot de Nederlandse volksbeweging, soms tot beide toegetreden. De onderstroom van de C.D.U. was socialistisch, en niets zal deze kunnen bewegen tot het samengaan met een partij, waarvan oude en eenvoudige aanhangers er nog het meeste van begrijpen. Maar wat dan? Het enige antwoord is;