is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1945, no 5, 27-10-1945

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KERK EN VOLKSBUURT

Het probleem is opnieuw urgent geworden! Zeker niet het minst door de „aanpak” er van, in enige grote steden, door de Kerk zelve. We denken aan het werk, dat door Buskes in Amsterdam-Oost wordt verricht; het onder zijn leiding staande kerkelijke evangelisatiewerk: „Woord en Wereld”. Het vraagstuk is wel enige bezinning waard; daarom willen we in het kort er iets van zeggen!

Wanneer wij over de „volksbuurt” spreken, kunnen wij ook de „achterbuurt” er niet van losmaken. De grenzen zijn niet scherp te trekken; ze lopen zelfs meermalen evenwijdig. De oorlogsjaren, die achter ons liggen, hebben aan menige volksbuurt, een „zelfkant” gekweekt. „Woord en Wereld” arbeidt in het oude kiesdistrict 111, dat in het begin van deze eeuw de eerste socialistische vertegenwoordiger in de Kamer bracht. Daar is nu het opnieuw genomen contact met een sterk „bewuste” arbeidersgemeenschap, in de strijd om het bestaan, van de Kerk weggegleden! Ook in deze omgeving, in de onmiddellijke nabijheid liggen de „Oostelijke Eilanden”, Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg, met een sterk verpauperiseerde bevolking een toenemend af glijden naar een achterbuurt-gemeenschap. Schrijver dezes, die een reeks van jaren meer in Oud-Amsterdam, de z.g. „Jordaan” en oude binnenstad, geestelijk en maatschappelijk werk doet, is jammer genoeg, weinig tegen deze „klassebewustheid” aangebotst. Het woord is niet mooi, maar geeft toch wel de stand van zaken weer. Hier toch een onverschilligheid tegenover geestelijke en sociaal-politieke bewogenheid. Idealistische stromingen hebben hier nimmer een voedingsbodem gehad. Op de jeugd heeft de A.J.C. nimmer in het verleden enig beslag kunnen leggen.

Wie over de Kerk, in de woelige branding van de volksbuurt spreekt, is daarom naar veler mening, heel spoedig uitgepraat. Het aspect heeft jaren lang, voor velen iets zieligs gehad: een divisie stoottroepen op een langzame terugtocht, waarvan enkele verspreide bataljons nog proberen te redden wat er nog te redden valt. De romantiek is met Querido ten grave gedaald. Maar waar blijft hetgeen hij schreef in zijn machtige epos „de Jordaan”: „Ze leven als mensen in een zwaar gedrang, van duizenden en nog eens duizenden bijeengeperst; boven, achter, voor, omwemeld van kinderen en nog eens kinderen. Ze kennen elkanders handel en wandel, tot in de kleinste kleinigheid. Van één ras, van één gevoelen, worden ze door dezelfde levensgolf rondgezwabberd!”

Na Querido hebben weinigen het meer geprobeerd. Literatoren voelen zich nu eenmaal meer aangetrokken tot de uitgebuite romantiek van de dorpspastorie, dan tot een omgeving, waar de bevolking het armst is en de buurten het dichtst bewoond zijn. Want wie de volksbuurt in haar wezen probeert te peilen, zal haar altijd schouwen als een bezinksel van een oververmoeide mensheid onzer dagen, onsamenhangend en toch compact. Vastgelopen in de doornenhagen van sociale en ethische problemen. Een massa als schapen zonder herder dwalend, die bij iedere poging om zich los te rukken, de doornen dieper woelt in haar vlees.

Op deze weg zijn Kerk en volksbuurt, voor het merendeel harer bewoners, tegen-

stellingen van begrippen geworden, erger nog, twee aan elkaar tegenovergestelde, dikwijls vijandige machten.

De Kerk heeft het in het voor-oorlogse verleden jammer genoeg niet verstaan, een bevolking, voor wie deze wereld niets meer heeft van een bloemhof Gods, de gesloten ogen te openen voor de „liefelijkheden van ’s Heren woningen!” Dat was geen wonder, want die bevolking zag slechts woestijnzand en verbrande steppen. En op deze basis probeerde deze massa zo goed en zo kwaad als het ging, rond te komen. Atheïsme en communisme hadden daarom een uitstekende voedingsbodem. Een communisme waaraan geen idealisme ten grondslag lag, maar een verstaanbare, afgunst jegens den bezitter: „Hij heeft zolang in een auto gezeten, nu willen wij er eens inzitten!”

Zo heeft de Kerk in de loop der lange jaren, haar greep op deze mensen verloren. Naar het uiterlijke heeft zij het onderspit moeten delven! Ze miste de tact, „de Wijsheid die van Boven is”, de brede schare op hare geestelijke armoede te wijzen, omdat ze de materiële nood niet begreep! De volksbuurt had toch het zoeken naar een geestelijk vruchtbare bodem, door harde en bittere nood verleerd, zodat we deze dolende menigte, als in een cirkelgang zien rondlopen, in een kringloop van dikwijls gedicteerde behoeften en gedachten. Kudden zonder herder, erger nog experimenteer object van tientallen herders in het verleden, maar die ook vroeg of laat ontnuchterd er mee opgehouden zijn, omdat zij zich in de psyche der mensen, evenals de Kerk, die men immers zou verbeteren, had vergist!

Wie in deze buurten geestelijk werk doet, loopt het zelfde risico als de profeten der sociale gerechtigheid, die de ene dag worden bejubeld en ingehaald, de andere dag worden gestenigd. Ofwel en daarmede wordt in onze volks- en achterbuurten de snelle groei van radicale invloeden verklaard men volgt dengene die het snelst hulp belooft uit de noden, welke op het ogenblik het zwaarste drukken.

Laat ons daarom niet verwonderen, dat de Kerk in het denken dezer massa is versteend! Het enige geestelijke Organisme, dat hen in de strijd om het bestaan, „houvast” kon bieden, is in hun gevoelen alleen een factor van verdrukkende macht geweest, waaruit ze zich, niet zonder opluchting, na een min of meer krampachtige worsteling, met of zonder behulp van „Dageraads-formulieren”, heeft weten te bevrijden! De Kerk was voor hen het instrument, dat als het er op aankwam, toch altijd de zijde van de bezitters gekozen heeft. In onze volksbuurten ging ze aan den „uitgeschudden” man langs de weg, als de Priester en Leviet voorbij! En dat, waar juist haar opheffende Kracht, haar bevrijdend Woord, haar verlossende Daad, zo dringend nodig waren. En dat waar de taak der Kerk in wezen toch daar ligt! Het „ga uit in de heggen”, waar de door het leven verminkten, de gehavenden, wankelen ten dode, heeft ze niet in toepassing gebracht. Omdat ze er niet tegen kon opkomen, heeft ze jarenlang, het hoofd in de schoot gelegd en hen, die de strijd aanbonden in de een of andere Kerkelijke Stadszending, alleen laten staan.

Gode zii dank is nu het verantwoordelijkheidsgevoel, voor een verwaarloosd

terrein, doorgebroken. Zou het nog niet te laat zijn? Zou de Kerk nog stenen kunnen aandragen tegen de aanwassende stroom van afstomping, verwaarlozing, vervuiling, gebrek aan energie, gemis aan zelfbeheersing en respect, broodnijd, twistziekte, laster, bedelarij en in het ergste geval ik denk hier aan de Amsterdamse binnenstad de prostitutie? Zal ze met een geest van begrijpen dit kwaad tegemoet kunnen gaan, omdat ze heeft leren verstaan dat al deze dingen het gevolg zijn van het opgroeien en het leven onder de druk dezer volks- en achterbuurtsarmoede, van de eeuwige, bij voorbaat verloren strijd, tegen niet aan te vullen tekorten? Van huis uit heeft de overgrote meerderheid nooit iets anders gekend dan de harde strijd om het bestaan, waar hun denken en doen van jongsaf is gericht geweest op het verkrijgen van materieel levensonderhoud.

Stanley Jones zegt: De zwakste en ongelukkigste leden van onze samenleving hebben we weggestopt in die vuile vlek van menselijke beschaving: de achterbuurten. Daar worden gezinnen gedwongen bijeen te hokken in een enkele kamer. In die ene kamer eten en slapen ze en planten zich voort. Op elk ogenblik van hun leven wordt dat heilige altaar, menselijke persoonlijkheid, ontwijd. Afzondering is niet mogelijk. Preek nu eens aan die mensen, dat bescheidenheid deugd is, kuisheid iets noodzakelijks, dat ruzie zoeken een zonde is en uw woorden zullen hol klinken.

Waarom? Omdat de omstandigheden, alle bescheidenheid, alle kuisheid, alle vriendelijkheid bijna onmogelijk maken. De hele physieke basis van het leven, staat uw prediking in de weg. Jonge mensen, die in zulk een omgeving opgroeien, zijn reeds van het begin af gehandicapt in de strijd voor reinheid en kuisheid. Hun omgeving berooft hen reeds van de helft hunner kansen!”

Hier zal de Kerk, niet in een marsformatie van uitdaging, maar tegemoetkomend met de „olie en wijn” van sociale bewogenheid van voren aan dienen te beginnen! Er liggen duizenden langs de zelfkant van deze levensweg, die het slachtoffer zijn geworden van een kapitalistisch-economisch systeem!

Daarom verblijden we ons dat de Kerk opnieuw, maar nu met meerdere ernst, in de verschoven hoeken onzer grote steden, spreken gaat. Zonder ogendienerij jegens hen, die vrezen dat de pluche zittingen der kerkbanken, teveel met rood zouden worden overtrokken. Moge ze bij dat waagstuk beproeven af te dalen in de interne noden van den verkommerde, het telkens opnieuw concretiseren van de oude waarheden. Maar dan voor deze mensen in nieuwe vormen, omdat nieuwe noden zijn ontstaan en nieuwe behoeften geboren worden.

Emil Fiedler heeft eens opgemerkt: „Waar mensen honger en kou lijden, in ellendige woningen hokken, is een van de voornaamste criteria voor echte christenen: helpen ze, of gaan ze achteloos verder? Het ware geloof belijden is goed; maar zonder werkelijke, hulpvaardige liefde is het maar een halve godsdienst!”

F. A. STROETHOFF Jr.