is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1945, no 9, 24-11-1945

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan God behoort de aarde en haar volheid. Psalm 24:1

Tijd en Taak

ZATERDAG 24 NOVEMBER 1945 No. 9

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME f.

ONDER REDACTIE VAN Dr. W. BANNING EN Ds. J. J. BUSKES Jr. ADRES DER REDACtIE: HEKELVELD 15. AMSTERDAM-CENTR.

VERSCHIJNT VIJFTIG MAAL PER JAAR – 44ste JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD ABONNEMENT BIJ VOORUITBETALING PER JAAR ƒB.OO, HALFJAAR ƒ4.25, KWARTAAL ƒ 2.30 PLUS ƒ0.15 INCASSO. LOSSE NUMMERS ƒ0.15 POSTGIRO 21876 GEMEENTE GIRO V 4500 ADMINISTRATIE: N.V. DE ARBEIDERSPERS, HEKELVELD 15, AMSTERDAM-CENTRUM

Angst voor het COMMUNISME?

Ik durf niet uitmaken, of de stemmingen gezindheid die ik nog al eens tegenkom in fatsoenlijk Christeiijke kring, wijd verbreid is maar af gezien daarvan lijkt het mij de moeite waard juist in ons blad, daar nader op in te gaan. Ik bedoel deze stemming: „de communisten zijn er op uit in troebel water te vissen, ze werken ontzettend hard, in hele arbeiderswijken leest men de Waarheid, en ” dan begint de stem te dalen tot het bijna fluisteren wordt: „meneer, ze hebben wapenen, wapenen in overvloed, en wachten op het geschikte ogenblik.” Er is mij een verhaal ter ore gekomen van een gereformeerden dominee: iemand had hem gewaarschuwd, dat de grootste helft van zijn jongensleerlingen boven de 18 jaar niet Trouw, maar de Waarheid las; de man ontkende verontwaardigd: het bestaat niet maar een ingesteld onderzoek bevestigde het gerucht. En de dominee moet het einde der wereld nabij geacht hebben.

Nu is er een neiging, om de discussie over deze vraagstukken in te zetten van de kant van de leer: Het communisme als theorie en levensbeschouwing is onverenigbaar met het Christelijk geloof begrijpelijk, en niet ten onrechte. Maar mijn gereformeerde dominee nu van zo pas komt er met deze methode niet uit, integendeel: hij loopt er stellig mee vast. Hij kan tegen zijn jongens nog zo principieel en nog zo overtuigd verkondigen en zelfs bewijzen dat Christendom en Communisme zijn als water en vuur, het feit ligt er, dat het vuur hun gzinnen en zielen is binnengedrongen, en dat het water dit vuur niet meer blust. Wij krijgen een herhaling van het proces uit de jaren 1880 en 90: het toen opkomend jonge socialisme werd door de overgrote meerderheid der predikanten ook „principieel” en „overtuigd” afgewezen, en nochtans ging het proces van binnendringen door.

Waarom? De fout van alle steile principiëlen (zie Trouw anno 1945), is, dat men zich zozeer door zijn beginselen laat verengen, dat de schrijnende noden van de ploeterende en tobbende volksmassa niet meer worden beseft als verantwoordelijkheid en schuld, waaruit een brandende verontwaardiging en opstandigheid geboren behoort te worden. De Christenen van

+ 1890 zagen niet, dat de maatschappij honderdduizenden doemde tot het proletariërsbestaan met alle bloot-menselijke, maar ook geestelijke ellende daaraan verbonden. Men wees het socialisme af, maar wist geen raad met het feit van een door klassenstrijd verscheurde maatschappij en de verproletarisering der massa. Daarom de angst, en het socialisme werd de kop van jut, waarop deze angst werd af gereageerd. Maar ook: daarom kon men toch dat socialisme niet overwinnen. Angst voert nimmer tot de koninklijke vrijheid en overwinning.

Van de Christenen van 1945 kan men niet zonder meer zeggen, dat zij de les der historie goed hebben geleerd, al is er misschien wel wat gewonnen. Natuurlijk: wij wijzen het communisme als leer en politieke methode af. Maar dat is op zichzelf volstrekt onvoldoende. De kernvraag is ook nu: welke daadwerkelijke oplossing bieden wij aan de verproletarisering der massa, hoe geven wij concrete bevrediging aan deze mensen, door wie waarlijk niet alleen de wrok tegen een onbarmhartig onrecht heenvaart, maar ook de hunkering naar rechtvaardige gemeenschap en vrijheid, welk uitzicht openen wij aan de verworpenen en verstotenen niet op een hemelse zaligheid, maar eenvoudig op aardse menselijkheid? Uit een in Parijs verschijnend protestants weekblad kwam mij dit citaat onder ogen: „Door de proletarisatie is een mens ontstaan, die instinctief revolutionnair is en slechts diegenen zal volgen, bij wie hij de wil erkent om in één slag een eind te maken aan de wanorde van onze tijd. De communistische mens, die elke nationale en geestelijke binding verloren heeft, verlangt naar de menselijke warmte van een gemeenschap, die een groot gebaar maakt. Het communisme is eerder een geloof dan een program, eerder een kerk dan een partij. Een partij, die een zeer zuiver instinct heeft voor de elementaire behoefte van dien ontwortelde. Vrees den mens niet, doch bejegen hem vriendelijk.”

Dat laatste zinnetje is mij te vriendelijk, te burgerlijk, te weinig doorgloeid van een besef van schuld en verantwoordelijkheid. Laat mij het op eigen wijze mogen zeggen: de angst voor het com-

munisme betekent, dat wij de strijd verloren hebben. Wij winnen hem alleen, wanneer wij niet in de eerste plaats strijden tegen het communisme, maar vooral tegen de maatschappelijke wanorde, die de verproletarisering der massa voortbrengt, en dus deze geestelijk ontwortelde, „revolutionnaire” mens, die op zijn hunkerende vraag naar wat menselijk geluk en broederlijkheid, alleen harde onbarmhartige realiteiten ten antwoord krijgt. M.a.w. wij winnen de strijd alleen, indien wij in vurige liefde tot den mens een nieuwe samenleving in gerechtigheid weten te bouwen, en aan de verproletarisering een einde maken.

In dit verband moet mij nog een opmerking van het hart. Eigenlijk zijn wij ook in het Christelijke Nederland van 1945 met onze discussie een halve eeuw ten achter. Want waar heeft men het over, zelfs in de vooruitstrevende kringen van het Christendom? Over de vraag, of de zeven Amsterdamse dominees terecht zijn toegetreden tot de S.D.A.P. Het behoorde ons te verbijsteren, dat men deze vraag nog actueel vindt. Laat mij dan duidelijk zeggen: de vraag Christendom—S.D.A.P. is niet meer aan de orde, en wie menen, dat daarvan nog zware principiële kwesties gemaakt moeten worden, komen rijkelijk laat. Actueel is de vraag: Christendom—communisme, maar dan in de zin als ik boven aangaf. Actueel voor het Christendom is de vraag, of het de reële nood van den proletarischen mens verstaat en voor deze nood een reële oplossing biedt. Actueel is de vraag, of uit het Christendom een è,ndere revolutionnaire gezindheid geboren wordt, die de instinctief-revolutionnaire wrok van den communist geestelijk weet te doorstralen en aldus te overwinnen. Actueel is de vraag, of in deze maatschappij, waarin zoveel levensbindingen kapot zijn gegaan door kapitalisme en industrialisme tezamen een proces door de oorlogen verhevigd geestelijke, gemeenschapstichtende krachten hun werk kunnen doen, en waar die te vinden zijn. Wie deze noden radicaal aanpakt, behoeft het communisme niet te vrezen. Zijn daad bant de angst. Maar: met minder kunnen wij niet toe. W. B.