is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1945, no 9, 24-11-1945

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Naat houden T

Is het onbescheiden, als ik uit een particuliere brief citeer, die ik een dezer dagen van een bevriend collega ontving? Als ik nu die collega openlijk en plechtig beloof, zijn naam nooit te noemen, dan zal hij mij niet kwalijk nemen, als ik hier, naar aanleiding zijner woorden, een zaak aansnijd, die hem en mij hoogligt. Een zaak, die van groot belang is, zowel voor de kerk als voor het politieke leven.

Deze collega schrijft over de S.D.A.P. Neen, hij zal er geen lid van worden. Hij voelt zich socialist, en wat de sociale en politieke vragen betreft, wil hij de socialistische lijnen volgen. Wat hij tegen de S.D.A.P. heeft, schrijft hij niet. Maar hij constateert dan: „Onze Kerk hiedt tegenwoordig zoveel meer mogelijkheden om als dominee mee te helpen bij de groei van het openbaar bewustzijn in socialistische richting, dat daarnaast eigenlijk de behoefte wegvalt voor deze drang nog een buitenkerkelijk arbeidsveld te zoeken.” Ik ga nu niet in op de vraag, of een predikant, die socialistisch voelt, per se lid

van de S.D.A.P. moet worden. Ik kan mij voorstellen, dat hij zijn levensweg toch in een andere richting ziet gaan. Wij zijn de tijd gelukkig te boven, dat men gruwde van een predikant, die aan politiek, vooral aan socialistisch politiek, deed. Alom in de Kerk wordt het aanvaard, indien een predikant, die op grond van zijn belangstelling en aanleg tot zulk een stap komt. Erkend wordt, dat hij daarmee een christelijkverantwoorde daad doet. En omdat de zaak zó staat, is het niet-lid worden van een partij ook niet meer, zoals vroeger, een demonstratie van de kerkelijke geheelonthouding op dat gebied. Met die situatie hebben wij graag vrede.

Biddende handen (A. van Dobbenburg)

Maar toch geeft zijn opmerking mij een onbehagelijk gevoel. Men kent ons standpunt: de Kerk moet aan politiek doen. Maar zij mag niet aan partijpolitiek doen. De Kerk moet, op tijden, die zij bepaalt en bij gelegenheden, die haar tot spreken dringen, haar woord spreken.

Zie ik dat „spreken der Kerk” goed, dan zal het eerder beginselen bloot leggen dan

preciese oplossingen aanbieden, ofschoon ook dat laatste soms noodzakelijk kan zijn. Zij zal bv. in tijden van werkloosheid op moeten komen voor de politiek van radicale werkverruiming, met alles, wat daaraan vastzit. Maar zij kan zich moeilijk inlaten met de berekening van de lonen.

Wanneer nu echter deze collega schrijft, dat men in de Kerk mee kan helpen bij de groei van het openbaar bewustzijn in socialistische richting, dan vraag ik mij af, of in deze houding niet een gevaar ligt. NI. dit gevaar, dat de Kerk een partij wordt. Het kan zeer wel wezen, dat op dit ogenblik de nieuwe oriëntering der Kerk velen tot aanvaarding van de socialistische doelstellingen brengt. Maar ik acht het, theoretisch, volstrekt niet uitgesloten, dat de Kerk, op grond van haar eigen verantwoordelijkheid, straks bepaalde strevingen van de socialistische beweging zou moeten afwijzen.

Het gaat de Kerk niet om socialisme, maar iets anders; om het getuigen van het Koningschap van Christus. Op alle terreinen des levens.

Maar nog om iets anders ducht ik gevaar in deze houding. Laten wij één ding niet vergeten: dat de Kerk thans openstaat voor de problemen, die de socialistische beweging aan de orde heeft gesteld, dat zij met zulk een hartstocht zoekt naar een antwoord op de kreet om sociale gerechtigheid, is niet in de laatste plaats te danken aan de socialistische beweging, zoals zij in ons land gestalte kreeg in de S.D.A.P. Het taaie pleiten voor het recht van de arbeid, het wekken van de belangstelling der arbeiders voor hun eigen lot, het grondig en nuchter bestuderen van de maatschappelijke verschijnselen, het stellen van concrete eisen aan de maatschappij, dat alles is het werk van de S.D.A.P. geweest. En is thans nog haar werk. En het zal haar werk moeten blijven, juist terwille van de zuivere verhoudingen. Wat komt er terecht van de verwerkelijking van socialistische doeleinden en voor het wekken van socialistisch bewustzijn, wanneer niet een politieke organisatie de strijd op zich neemt? Ik laat de vraag rusten, of wij in deze nieuwe tijd niet allerlei wensen hebben t.a.v. de politieke organisatie van het socialisme, met name t.a.v. de S.D.A.P. Dat is een ander hoofdstuk, en dat is hier niet in het geding. Maar hoe die politieke organisatie er ook moge uitzien, wie het Nederlandse volk wil stuwen in socialistische richting, en wie daarbij zich met zijn persoon wil inzetten, zal niet anders kunnen doen, dan deze activiteit te ontplooien in een socialistisch-politieke beweging.

Zouden die christengelovigen, predikanten en niet-predikanten, die blij zijn met de nieuwe koers der N.H. Kerk, niet tevens een plaats vinden in een politieke partij, maar zouden zij al hun politieke activiteit binnen de Kerk willen ontplooien, dan zou het gevaar niet denkbeeldig zijn, dat het chr.-hist. weekblad „Koningin en Vaderland” van 9 Nov. gelijk krijgt. Dat blad constateert, dat tot de geestelijke boosheden in de lucht ook het neo-clericale gevaar behoort. Het doelt daarmee op het streven der Kerk, om uitspraken te doen op politiek gebied. Voor dat gevaar ben ik niet bang. Maar ik ben er alleen dan niet bang voor, als wij de grenzen tussen Kerk en politieke beweging in het oog houden. En als beide lichamen, over en weer, elkaar waarschuwen tegen het overschrijden dier grenzen.

Het is als steeds in het leven: het gaat alleen goed, als wij de grenzen kennen en maat weten te houden.

L. H. RUITENBERG.