is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1945, no 9, 24-11-1945

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FRANCISCUS

Franciscus heeft, om u te ontmoeten, Alles wat schitterde afgedaan

Aan hals en hand, voorhoofd en voeten. Want schamel wilde hij tot u gaan.

Maar niemand hebt gij zó ontvangen, O Liefde, en als de dag begon.

Waart gij het, die zijn zuivre zangen Deed jubelen van zuster zon.

En moet ik óók zo tot u komen. Afleggend waar mijn ziel mee speelt: De rijke schat der schone dromen. Het fonklend woord, het sierlijk beeld?

En moet ik langs de graüwe wegen, In grove pij en ongeschoeid

Het geesten voelen van den regen. En hoe het vermoeit.

Eer ik mij bij u neer mag leggen. Gelijk een zwerver bij een bron.

En aan uw borst mijn zang mag zeggen Voor broeder wind en zuster zon?

AART VAN DER LEEUW Uit: Opvluchten.

(Vervolg van pag. 3)

telijke grondslag. Willen wij ordening brengen op het terrein van de sociale zorg (en dat is brood-nodig), dan lijkt ook hier een drie-zuilen-systeem het meest aannemelijk. Het is niet nodig, dat deze coördinatie geschiedt in het raam van de nu opgerichte stichting. Het kan ook in de vorm van een overkoepelende federatie of iets dergelijks. Dat wij niet onmiddellijk op dit doel aangestuurd hebben, is alleen te wijten aan de omstandigheid, dat wij een zeer urgente taak zagen op het terrein van hulpverlening aan oorlogsslachtoffers. Dat wij juist gezien hadden, blijkt wel hieruit, dat de meeste van onze afdelingen reeds nuttig werkzaam zijn in het kader van Nederlands Volksherstel. Met het oog daarop, moesten wij direct na het einde van de oorlog klaar staan. Tijd voor rustig overleg met bestaande instellingen ontbrak eenvoudig. Wij hopen evenwel dit contact eerlang op te nemen.

De omstandigheden, waaronder onze stichting geboren is, zijn mede oorzaak, dat de vrouwen aanvankelijk wat op de achtergrond zijn gebleven. Ik kan Ds. Ruitenberg echter gerust stellen. In de afdelingsbesturen wemelt het reeds van de vrouwen en ook in het stichtingsbestuur zullen zij zeker haar intrede doen.

In „Humanitas” hebben wij nog eens onderstreept, dat de stichting niet wil zijn anti-kerkelijk. Wij constateren eenvoudig het feit, dat de kerk honderdduizenden landgenoten niet meer bereikt. En wij wensen dezen, voor zover zij hulp behoe-

ven, niet aan hun lot over te laten. Zij hebben evengoed recht op medeleven als de anderen.

Dat wij het moeilijker zullen hebben dan de kerk, daarvan zijn wij ons ten volle bewust. Ik ben het met Ruitenberg eens: sociale hulp vraagt opname in een levensgemeenschap. En die is er nog niet op buiten-kerkelijk terrein. De conclusie kan alleen zijn; dan moeten wij haar gaan vormen. Dit luchtledig mag niet blijven bestaan. Het wordt een ingespannen werk, maar het vindt zijn rechtvaardiging in zijn noodzakelijkheid.

Waarom wij de naam „humanisten” hebben gekozen, zette ik uiteen in het inleidend artikel van „Humanitas”. Laat ik herhalen in de woorden van Prof. Huizinga; „Het is misschien speciaal in het Nederlands spraakgebruik, dat sedert een kleine dertig jaar aan het woord humanist een afkeurende bijbetekenis verbonden raakte, die zoveel inhield als „iemand, die niet uit een confessioneel Christendom leeft, met name uit een protestantse orthodoxie, en zich met de dingen van de geest bezighoudt”. Is het dit inderdaad, wat sommigen thans onder humanist wensen te verstaan, dan zal het goed zijn, dat men zijn taalgebruik zo spoedig mogelijk herziet en de term terugvoert tot zijn ooroorspronkelijkste vlak van betekenis, zodat hij kan uitdrukken al datgene, wat den mens als mens het waardigst is.” (Geschonden wereid, bl. 241.)

Welnu, zover men in „humanist” een

scheldwoord ziet, aanvaarden wij het, als eertijds de geuzen, als een erenaam en willen wij trachten de oorspronkelijke betekenis er weer in te leggen.

Intussen erken ik graag, dat met een dergelijk grapje de vraag, of het humanisme als grondslag kan dienen voor de te vormen levensgemeenschap, niet is opgelost. Wij zullen moeten komen tot een nieuwe, wijdere religie. Of deze met „humanisme” juist getypeerd wordt, zal de tijd moeten leren. Maar wij zijn niet zo star, dat wij, wanneer dat nodig mocht blijken, niet graag bereid zouden zijn onze naam te veranderen.

Ten slotte: Ds. Ruitenberg schijnt nog al tevreden over het maatschappelijke werk, zoals dit tot nu toe gepraesteerd werd. Mèt vele deskundigen ben ik minder tevreden; de gunstige uitzonderingen daargelaten, heerst er op dit terrein een vrij conservatieve geest. Steeds talrijker worden de maatschappelijke werkers, die naar een grondige vernieuwing snakken. Voor zover het in haar vermogen ligt, wii de stichting gaarna haar steentje daartoe bijdragen.

Mr. J. IN ’T VELD.

BRIEVEN ZONDER COMMENTAAR

I

„Gedurende de eerste 3 maanden na de bevrijding, was ik betrokken bij de arrestaties en de in bewaringhouding van N.5.8.-ers. Daar er hier in X zeer veel vreemdelingen waren met kinderen, doordat hier een zeer groot Duits hospitaal was, waar ze werkten, waren in het districtsgevang ook veie kinderen beneden 18 jaar ondergebracht. Zo spoedig we daartoe de gelegenheid kregen, plaatsten we de kinderen uit deze omgeving bij famiiieieden; die uit den vreemde werden na verloop van tijd naar hun woonplaats overgebracht. Sommigen met vader en/of moeder, sommigen zonder beiden. Vier kinderen uit een alhier woonachtig gezin hadden geen familie, die ze op kon nemen, terwijl beide ouders vielen onder de lastgeving. Ze zijn hier toen in gezinnen ondergebracht, geheel volgens do methode door u bepleit in Tijd en Taak van 37 Oct., d.w.z. zonder betaling, alleen om ze te bewaren voor onderbrenging in een kamp. Zelf namen we een jongen van nu 15 jaar oud, die nog school gaat. Vier en een halve maand is hij nu bij ons geweest en het gaat best. Maar steeds sterker is in mij de overtuiging gegroeid, dat zulke kinderen behoren bij de moeder. Wanneer er geen daden gepleegd zijn door de moeder, die berecht moet worden door een bijzonder gerechtshof, als de moeder b.v. alleen maar lid was van de N.S.B. en overigens een goede huisvrouw, die de genegenheid heeft van haar kinderen, dan moeten deze vrouwen zo spoedig mogelijk weer naar de kinderen. De woningkwestie speelt hier een voorname rol, dat weet ik; ook dat deze mensen niet voorgetrokken mogen worden boven de mensen uit de geteisterde gebieden of boven mensen in gespaarde gebieden die door den bezetter verdreven waren van huis en hof. Want de gedachte aan de gevangen moeder laat een goed kind haast geen ogenblik los. In de hereniging van de gezinnen om de moeder zie ik een machtige factor van Volksherstel, machtiger dan goede inrichtingen.”

II

„Met spanning keek ik uit naar de reactie op de afkondiging van de kerkboodschap van de kansels edoch, er was helemaal geen reactie, lijkt het wel! Tot ik in „T. en T,” uw artikel aantrof, waarin inderdaad wèl gereageerd werd en in zulk een duidelijke taal. Dat zwijgen is beangstigend en doet het gevoel van schaamte, waarvan u zo terecht spreekt, nog dieper worden. Voelt ons volk dan helemaal niet, wat een Intens onrecht hier ai maanden lang voortduurt en onherstelbare schade aanricht aan de ziel van ons volk; al zitten er onder die duizenden maar 5 onschuldigen, dan is het reeds een schande voor ons land. Met eigen hand zijn we hard bezig wederom, als voor ’4O een N.5.8.-partij te vormen en misschien thans met meer recht. Inderdaad, van mildheid en grootmoedigheid is geen sprake over het algemeen. U haalt het schrijven van mevrouw Rathenau aan een uitzondering op die algemeenheid trof mij gisteren (in verband met de anti-doodstrafactie); een vrouw, een Jodin, die haar gehele familie naar D. heeft zien slepen om daar ellendig te sterven, zeide: „Ik wil geen mensenlevens op mijn geweten hebben”.”