is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1945, no 9, 24-11-1945

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het debat over

ANNEXATIE

Het debat over de annexatie komt in ons volk langzaam op gang. De voorstanders doen nog al van zich horen: ze hebben in brochures, openbare vergaderingen en artikelen met geestdrift gepleit voor inlijving (meestal zonder bevolking) van een groter of minder groot stuk belendend Duits grondgebied. Er zijn ook tegenstanders en men krijgt de indruk, dat ze talrijker zijn dan men uit hun luidruchtigheid op zou maken. Van hun afwijzing repte T. en T. (nr. 6 blz. 4). Nu is zeker niet waar, wat Piet Bakker schrijft in zijn brochure: „Pauperiseren, emigreren, vegeteren of annexeren”*): „Ik ben van oordeel, dat ieder Nederlander met enig gezond verstand, zich een oordeel over de annexatie kan vormen” en dat oordeel is dan u hebt het al uit de titel van het geschrift opgemaakt bevestigend. Ja, als de kwestie uitgemaakt kon worden door goedkoop schelden tegen de Duitsers, door handig kleineren van andere vormen van vergoeding, door op moeilijkheden met tegenvragen te antwoorden, dan zijn we snel bekeerd, en kan een duidelijke volksuitspraak spoedig uitmaken of in de woorden van Piet Bakker: „Jan Kordaat, dan wel Jan Salie het bij het rechte eind heeft. „Men kan goed begrijpen, dat de meeste Nederlanders lauw blijven. Ik kan slechts namens mezelf spreken, maar na lezing van ettelijke brochures, krant- en tijdschriftartikelen, na het aanhoren van twee lezingen met discussie, moet ik tot mijn schande? bekennen, dat ik het nu niet meer weet. Eén ding zie ik duidelijk: de vraagstukken, hoe dit land bevolkt en bestuurd, hoe economisch ingericht zou moeten worden, zijn zo ingewikkeld, dat slechts heel weinigen bevoegd zijn. Wie dit betwijfelt, leze maar eens het gedegen artikel van mevr. H. Verweij—Jonker in Je Maintiendrai (6e jrg. nr. 15). Wellicht is het daarom goed, dat de zaak in dit stadium, maar dan zonder hartstocht of advocaten trucjes, van alle zijden belicht wordt. Hier volgt zo’n eenzijdige beschouwing.

Het vraagstuk der annexatie heeft ook een morele zijde. Menig Nederlander voelt zich in zijn geweten verontrust, als hij de eis tot annexatie hoort. Hij wil de voordelen van een gebiedsuitbreiding wel erkennen, maar vraagt zich bezorgd afj: zijn wij in geweten verantwoord deze eis door te zetten, en waar hij ontkent of twijfelt, is hij daarenboven geneigd de kwade kansen zo somber mogelijk te zien, vanuit de overtuiging, dat onrechtvaardig gewonnen goed niet gedijt. Wij menen, dat deze bezorgdheid vaak goede gronden heeft wegens een onjuiste formulering van de rechtsgrond. Zo lezen wij b.v. in een brochure") naast veel lezenswaardigs: ~Annexatie van een grensstrook als straf nu versterkt onze positie aan de Oostgrens Als land, dat ongerechtvaardigd is aangevallen hebben wij het recht dit doel (verzwakking van Duitsland) aan de straf te verbinden (blz. 12, 13 en passim).

Welnu, de annexatie als straf voor te stellen, lijkt ons volstrekt onjuist, en we voelen heel goed mee, hoe hiertegen menig geweten in opstand komt. Immers:

le. Straf veronderstelt schuld. Kan men nu zeggen, dat geheel Duitsland schuldig is aan de gruwelen, in deze oorlog ons land

aangedaan? Men moet hier onderscheiden tussen allerlei graden, variërend van volstrekte onschuld tot allerzwaarste schuld. Er zijn Duitsers geweest, die in concentratiekampen en ballingschap zelf het eerste slachtoffer geweest zijn van de imperialistische waanzin hunner machthebbers; er zijn Duitsers, die alleen maar nagelaten hebben, bij de opkomst van het N.S., deze beweging met alle macht te bestrijden, uit politieke onverschilligheid of kortzichtigheid; er zijn Duitsers, die naïef geloofd hebben in de leugens hunner politieke leiders; er zijn Duitsers, die de beginselen van het N.S. verfoeiden, maar in de ure des gevaars uit overspannen vaderlandsliefde meenden hun steun niet te mogen onthouden aan hun in-nood-verkerend vaderland; en dan zijn er tenslotte degenen, die uit lage motieven van hebzucht en heerszucht en hoogmoed het N.S. beleden hebben, om er „beter van te worden.”

Hoe kan men nu spreken van dè schuld van het Duitse volk, waar de schakeringen der objectieve en subjectieve schuldigheid zover uiteen liggen. Welke Nederlander, die eerlijk zijn geweten onderzoekt, durft straf te eisen voor een nalatigheid, waar hij veelal zelf ook schuldig aan staat? Is daarenboven de meerderheid van het Duitse volk al niet ontzettend „gestraft” in de loop van deze oorlog: ik denk aan al de verminkte gezinnen, ik denk aan de meedogenloze bombardementen, enz. enz. De oorlogsmisdadigers moeten individueel gestraft worden. Accoord! Maar een collectieve straf? Ik huiver ervan, omdat het zo’n onrechtvaardige straf wordt. Daarenboven komt de straf het zwaarste neer op de bewoners van Duitslands grensgebieden. Zijn die soms het meest schuldig? Heeft speciaal de bevolking van Oost-Friesland zich ten opzichte van ons misdragen, dat die nu van huis en erf verdient verjaagd te worden? Of was integendeel deze bevolking heel wat minder N.S.- isch geïnfecteerd dan b.v. Beieren?

Ziehier mijn zwaarste, niet mijn enige argument tegen het strafmotief bij de annexatie-vraagstukken.

2e. Straf veronderstelt een gezag. Het begrip is slechts zinvol, als een gezagsdrager in naam der gemeenschap het kwaad vereffent op een, onder hem staand individu. Dit is juist het verschil tussen straf en wraak. Als iemand mij gestompt heeft, mag ik, volgens de christelijke en humanistische ethiek, hem niet een pak slaag terug geven, maar ik kan een eis tot schadevergoeding tegen hem indienen bij de autoriteiten en een aanklacht. De rechter heeft dan te beslissen, of de ander straf verdient en of mijn rechtsvordering gegrond is. Nederland is dus niet bevoegd Duitsland te straffen, wijl Duitsland en Nederland grootheden van gelijke orde zijn. Is de bond van overwinnende Volkeren, waarvan Duitsland geen deel uitmaakt, wel bevoegd?

3e. Straf is leed berokkenen, met het doel de geschonden zedelijke orde te herstellen of (èn) den misdadiger te verbeteren. Dat Duitsland er zedelijk beter van wordt, zal wel niemand geloven, waar allerwegen tegen het annexatievoorstel het spook der revanche wordt gehanteerd en diefstal herstellen en terugbetalen een wonderlijk middel is tot herstel der geschonden zedelijke orde.

Moeten wij nu besluiten, dat annexatie zedelijk ongeoorloofd is? Ik geloof het niet, maar de zedelijke verantwoording moet anders geschieden en hier appelleer ik aan het geweten van de talloze Nederlanders, die diep voelen, dat ons vaderland een rekening te vereffenen heeft met het Duitse volk. Geen straf, maar een rechtsvordering !

1) Men make de rekening op van de geweldige schade, die Duitsland ons berokkend heeft. Hier hebben we een deugdelijke en zwaar-wegende rechtsgrond tot de eis van schadevergoeding. Als men nu vervolgens kan bewijzen 2) dat Duitsland ons die schade alleen kan vergoeden door gebiedsafstand en 3) dat wij met die aanwinst van land in hoge mate gebaat zijn, dan hebben wij het morele recht deze eis tot schadevergoeding aan het Duitse volk te presenteren. Als men de geschriften der voorstanders van annexatie leest, krijgt men sterk de indruk, dat van deze drie delen (genummerd 1 tot 3) in het argument pro annexatie de twee eersten zeer sterk zijn, het derde de overweging waard is. Dus geen straf, maar rechtsvordering?

En als nu iemand zou opwerpen, dat straf of geen straf slechts een naam is, maar dat dan toch aan het Duitse volk leed en schade berokkend wordt?

Dan antwoorden wij:

le. Het is in de menselijke samenleving onvermijdelijk, dat krachtens het beginsel der solidariteit de een lijdt onder het misdrijf van den ander. Als een vader niet werkt, lijden vrouw en kinderen gebrek. Het Duitse volk is gedoemd de schade, aangebracht door zijn vrij-gekozen en toegejuichte leiders, te herstellen.

2e. Niet als bij de straf, is het leed als zodanig bedoeld. Het is een nevengevolg van onze rechtvaardige eis, dat we, zoveel als we daartoe in staat zijn, moeten verzachten, d.w.z. voor de Duitsers, die in het geannexeerde gebied mogen blijven, moet dit en kan dit een eer en een voordeel zijn; voor de Duitsers, die verhuisd worden, moeten wij, maar veel eerder het Duitse volk zelf, zorgen, dat de operatie met zo min mogelijk pijn geschiedt. Wat deze mensen wordt aangedaan, geschiede niet uit leedvermaak, maar uit strikte rechtvaardigheid. Het Duitse volk zal krachtens zijn solidariteit met zijn verleden, deze mensen elders moeten herbergen en nimmer mag vergeten worden, dat niet wij hun dit aandoen, maar Hitler met zijn vervloekt systeem. Zij zullen oorlogsslachtoffers zijn, met wie we medelijden kunnen hebben, maar aan wie wij het wel-begrepen belang van ons vaderland niet kunnen of mogen offeren.

Dat annexatie met overname der bevolking ook overweging verdient, betoogt J. A. Meyers in een interessante brochure „Land zonder volk”, uitgave L. J. Veen, A’dam ’45.

Tenslotte deze opmerking: men maakt m.i. de democratische idee bespottelijk en onwaardig, als men voorgeeft, dat iedereen over alle politieke kwesties kan en moet oordelen.

J. G. BOMHOFF.

') Uitgave Elsevier A’dam 1945. *) „Oostland: Ons land. Annexatie of geannexeerd worden” (uitgave van „de Accu” postbus 7021, A’dam Zuid II), Bakker spreekt zelfs over „gestrafte zonde” blz. 11).