is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1945, no 9, 24-11-1945

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

West'Europa als politieke eenheid

In de belangrijke rede over de Engelse buitenlandse politiek, die minister Bevin kort voor het vertrek van Attlee naar Washington voor het Lagerhuis hield, kwam de volgende belangrijke passage voor: „Engeland eist het recht op met Frankrijk, Nederland, België, Scandinavië of andere landen in een Westelijk blok in contact te treden, landen, die Engelands culturele vrienden waren, historische relaties, die eenzelfde opvatting van democratie hebben als Engeland.”

Hiermee is opnieuw uiting gegeven aan de wens naar een Westeuropees of Westelijk blok, verbintenis van een groep landen met overeenkomstige belangen en denkwijze. De plannen hiervoor hebben een al betrekkelijk lange voorgeschiedenis. Lang, d.w.z. voor een tijd als de onze, waarin alles zo snel verandert en situaties zich onophoudelijk wijzigen. Smuts bracht in een tijdens de oorlog gehouden redevoering zijn publiek onder ogen dat van de drie mogendheden die als de „grote” gelden twee bepaald sterk zijn en één in verhouding daarmee zwak genoemd moet worden. Hij bedoelde Engeland (China’s positie als grote mogendheid dateert van de allerlaatste tijd van de oorlog en is veelszins een betiteling „honoris causa”; van Frankrijk als grote mogendheid is eerst sinds Potsdam sprake). Nu is het met Engeland als grote mogendheid ietwat wonderlijk gesteld. Immers, wat treedt als grote mogendheid op, het eigenlijke eilandenrijk, het zogenaamde Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-lerland met al zijn ap- en dependenties van koloniën, protectoraten, nederzettingen en mandaten, dan wel het Britse Gemenebest, gevormd door dit Verenigd Koninkrijk met de dominions, de na elkaar zelfstandigheid verkregen hebbende volksplantingen en koloniën, elk weer met zijn eigen koloniale en mandaatgebieden? Deze vraag is in een artikel in „Foreign Affairs” van verleden jaar gesteld en beantwoord. Enerzijds, zegt de schrijver, bestaat er bij de dominions de neiging zich zoveel mogelijk van het moederland onafhankelijk te maken. Dat blijkt overal duidelijk: Canada is sterk op de USA ingesteld, de munteenheid is er de dollar; Australië en Nieuw-Zeeland oriënteren zich eveneens in toenemende mate op de grootste macht in de Stille Oceaan en staan verder onder leiding van den energieken en eerzuchtigen Australischen minister van Buitenlandse Zaken Evatt de belangen der kleine mogendheden voor zo protesteerde Evatt hartstochtelijk tegen de vredesvoorbereidingen door vertegenwoordigers van slechts de grote vijf of grote drie. Dat is dus één kant; wat zien wij verder? Dat het bloed kruipt waar het eigenlijk niet gaan wil; de dominions aarzelden niet onmiddellijk Duitsland de oorlog te verklaren en voor het winnen ervan enorme offers te brengen. De aanzienlijke inspanning van deze toch wel zeer dun bevolkte landen ligt nog vers in het geheugen. „Hoe meer we ons staatsrechtelijk van elkaar verwijderen, des te meer houvast zoeken we bij elkander”, met die woorden heeft een Nieuwzeelandse premier de toestand duidelijk gekenschetst.

Het is dus een wel vrij zekere, maar toch anders geaarde eenheid die het Britse rijk te bieden heeft, vergeleken bij die van de bondsstaten de Verenigde Staten van Amerika en de Unie der Socialistische Sowjetrepublieken. Die vormen immers

een aaneengesloten territorium; het bondsstaatkarakter heeft er vooral invloed op de binnenlandse politiek; het buitenlands en strategisch beleid wordt er niet door beïnvloed. Bovendien zijn dit landen met een uitgestrekt grondgebied en diep in de millioenen lopende bevolking. Het Engelse grondgebied is niet groot; het koloniale vrij onvruchtbaar, de bevolking ervan onvoldoende loyaal; de landen der dominions zijn met blanken dun bevolkt; en vooral, het rijk is zeer gedecentraliseerd gelegen. Het is als grote mogendheid van een andere tijd en daardoor van een andere structuur dan de USA en de USSR; dat wreekt zich thans.

Wat Smuts nu, nog in volle oorlogstijd, voorstelde, was eenvoudig dat het eigenlijke Groot-Brittannië, teneinde als volwaardig partner met de beide andere grote bondgenoten een nieu'we opkomst van Duitsland en mogelijke andere vredebrekers te verhinderen, een permanente

tweevoudige zeer nauwe alliantie zou aangaan: ten eerste met de andere landen van het Britse Gemenebest, hetgeen zou neerkomen op het blijvend onderhouden van politiek, militair, economisch en cultureel contact, dat niet zou mogen verslappen (de recente conferentie van premiers te Londen in oorlogstijd was een stap op deze overigens niet nieuwe weg het enige verschil is dat wat men vroeger uit traditie aanhield, thans welbewust en berekend geschiedt); ten tweede met die landen waarmee Engeland geacht kan worden ideologisch, historisch en economisch nauw verbonden te zijn. Welke zijn deze laatste landen? Het spreekt eigenlijk vanzelf dat men hierbij terstond heeft gedacht aan al die mogendheden die in de loop der geschiedenis het eigenlijke West-Europa hebben gevormd. We.‘’t-Europa is weliswaar altijd meer een cultureel dan een politiek begrip geweest, ook al kan men Dr. J. S. Bartstra, voor oudere lezers van dit blad een goede bekende, volgen in zijn speculatie („Vrij Nederland” van 29 September) dat het Westromeinse rijk in Augustus’ idee, tot de Wezer reikend, een volkomen reële politieke gedachte is.

Om welke landen het nu precies gaat, valt niet eens goed te zeggen; elk brengt zijn eigenaardige moeilijkheden mee. Om met Frankrijk te beginnen: aanvankelijk moest De Gaulle niets van uitdrukkelijke samenwerking met de Engelsen hebben; hij zag kans door een handige evenwichtspolitiek met behulp van de Russen meer te bereiken dan hij, een Engelse koers volgend, zou hebben verkregen. Maar toen wisselde in de late zomermaanden zijn politiek. In een opzienbarend interview sprak hij zich openlijk voor nauwe samenwerking met Engeland uit, beseffend dat westerse -solidariteit voordeliger voor Frankrijk zal zijn dan een moei schijnende positie op de wip tussen een sterk Rusland en een veel minder machtig Engeland. Vindt Frankrijk de v/eg naar een Westeuropese unie, dan zullen Nederland en België zeker willen volgen. Deze drie landen hebben zich econo-

misch reeds nauw verbonden en in politiek en militair opzicht gaan hun belangen eveneens samen. En verder? Het is duidelijk dat een Westeuropese unie slechts zin heeft als ze zich uitdrukkelijk onderscheidt van andere soortgelijke verbonden, als hoedanig men het Pan-Amerika dat zich om de USA groepeert, kan aanmerken. Eveneens de kring van Europese landen die met meer of minder geestdrift met de Sowjetunie samenwerken; hiertoe kan men rekenen Finland, Polen, Tsjecho-Slowakije, Hongarije, Zuid-Slavië Roemenië en Boelgarije. In een Westeuropese unie blijft dus nog plaats over voor een Spanje zonder Franco, Portugal, een Italië dat zich hersteld heeft (een heel probleem overigens), een Zwitserland dat zich van zijn traditionele neutraliteitspolitiek ontdoet, het kleine Luxemburg en tenslotte de drie Scandinavische landen.

Maar leidt deze blokvorming nu niet regelrecht tot het ontstaan van felle onderlinge tegenstellingen en vandaar tot oorlog? Juist om tot een natuurlijke blokvorming te komen zonder deze noodlottige consequenties te impliceren, heeft men te San Francisco in het handvest der Verenigde Volken als hoofdstuk VIII drie artikelen over „regional arrangements” opgenomen, waarin verklaard wordt dat er vanuit het standpunt van de organisatie der verenigde volken tegen regionale afspraken geen bezwaar bestaat. Ook hier gaat echter de goede geest boven de letter van de overeenkomst.

Dit neemt niet weg, dat menigeen toch blokvorming principieel uit den boze acht. Terecht verklaarde minister Van Kleffens dat thans collectieve veiligheid meer dan ooit ons doel moet zijn. Maar als er nu eenmaal blokvorming optreedt, kan men zich daaraan niet onttrekken: dit is de mening van den Belgischen premier Van Acker. Gevaarlijk wordt blokvorming zodra de leiders van een andere groep mogendheden het ontstaan ervan onwelwillend bekijken. Inderdaad zien de Russen aldus de nog steeds weinig op gang gekomen Westeuropese unie. Dat is, zoals Bevin in zijn reeds geciteerde rede zei, een grove onredelijkheid; waarom zouden Engeland en Frankrijk niet mogen doen wat Rusland zonder de volken van zijn nieuwe Oosteuropese bondgenoten te raadplegen doet? Zij bekijken de Westerse blokvorming in het licht van de geschiedenis, dus van voormalige antirussische en antisowjets coalities. Het begin van „De slag om Rusland” beeldt duidelijk de gevallen uit waarin „het Westen” op Rusland aanstormde. En men is er het zogenaamde „cordon sanitaire” niet vergeten dat de Westelijke staatslieden na 1917 aan de Russische westgrens legden om doorsijpeling van het communisme naar Midden-Europa te voorkomen. Een andere oorzaak van Ruslands wantrouwen ligt in de atoombompolitiek. Zolang de Westerse machten in het uitsluitend bezit van dit wapen blijven, kan de Sowjetunie geen enkele staatkunde vertrouwen die uit het Westen komt.

Hier ligt de sleutel tot de beoordeling van de situatie met betrekking tot de eventuele Westeuropese unie. Als er zich een duidelijke tegenstelling tussen de USA en de USSR ontwikkelt, zal Engeland, in de greep van het noodlot geraakt, zich wel bij Amerika moeten aansluiten, aldus Churchill in het Lagerhuis. Men begrijpt

JdviXiEMMJN»