is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1945, no 11, 08-12-1945

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het sociale vraagstuk

geen aangelegenheid van het Christendom.

De doorvoering van de arbeidsverdeling bij de productie tot het uiterste, is een van de voornaamste stuwingen geweest voor het doorbreken van de gesloten volkshuishouding. De gevolgen voor de samenleving traden al spoedig aan het licht en demonstreerden zich door de vorming van twee groepen; a. de groep die de productiemiddelen in eigendom heeft, b. de groep die slechts haar arbeidskracht ter beschikking kan stellen. Door deze scheiding, die, naarmate het beginsel der arbeidsverdeling verder werd doorgevoerd, toenam, ontstond een strijd om de belangen, die een lange reeks van jaren zijn stempel op het volksbestaan heeft gezet.

De natuurlijke drang van elk individu om zichzelf het naast te zijn, aangewakkerd door een vorm van samenleving waarin de materie een relatief belangrijke plaats inneemt, heeft er toe geleid, dat deze belangenstrijd een reeks van problemen heeft geschapen, die wij gewoonlijk

als het sociale vraagstuk aanduiden. Enerzijds de bezitters van de productiemiddelen, met hun bijna niet te stuiten zucht tot opvoering van het rendement van hun kapitaalgoederen, met als enig doel het zo snel mogelijk komen tot opeenhoping van kapitaal en macht, gepaard gaande met een volkomen verwaarlozing van het volksbelang.

Anderzijds de arbeiders, die niets anders dan hun werkkracht kunnen verhuren aan de bezitters der productiemiddelen, op die wijze dus afhankelijk zijn van deze bezitters, waar het gaat om de beloning van die arbeidskracht. Zo iigt het wel en wee van grote groepen in handen van een kleine, maar machtige groep.

Het heeft de jaren door niet ontbroken aan pogingen de spanningen, veroorzaakt door de zeer uiteenlopende belangen van ondernemer en arbeider, te verkleinen of op te heffen. Het zij hier voldoende te wijzen op het tot stand komen van de vele

arbeidersorganisaties, waarvan sommigen zich voorstelden te komen tot het vastleggen van zekere rechten voor de arbeiders, terwijl anderen, en zeker niet de minst militante, meenden geen duurzame arbeidsvrede tot stand te kunnen brengen, zonder te komen tot een geheel andere organisatie der samenleving, waarbij de productiemiddelen niet langer in handen zijn van een kleine groep, en geleid wordt ten bate van enkelen, maar de belangen van de gehele volksgemeenschap bij de productie als richtsnoer dienen.

Wilde het optreden der arbeidersorganisaties echter tot blijvende invloed leiden, dan moesten zij noodzakelijkerwijze zich ook bezig houden met de verstandelijke ontwikkeling van hun leden. Immers, voor het bereiken van de gestelde doelen was niet alleen een sterke machtspositie nodig tegenover de ondernemers, maar bij de ongelijke verhoudingen was het noodzakelijkheid de strijd ook op politiek terrein te voeren. Dit bracht de noodzakelijkheid met zich mee, zich bezig te houden met de scholing en ontwikkeling van de arbeiders. Zo is de strijd van meet aan ook gevoerd op geestelijk en ideologisch terrein, en werd zij gedragen door een intellectuele kern. die ze liet uitgroeien tot een strijd om levens- en wereldbeschouwing. Het is mede de verbondenheid van de jonge arbeidersbeweging met het Historischmaterialisme als levensbeschouwing, die op de radicale arbeidersorganisaties haar anti-godsdienstig stempel heeft gezet.

In het verleden is de tegenstelling op godsdienstig gebied zo door de bezittende klasse uitgebuit, dat slechts enkele arbeiders van christelijke huize de weg naar de socialistische organisaties durfden te betreden, ja zelfs nu kunnen velen een zekere gereserveerdheid ten opzichte van deze organisaties niet ontgaan.

Hoe raakt nu dit alles het christendom? Wie ernst maakt met deze vraag, zal ervaren, dat geen christen langs dit vraagstuk heen kan gaan. Het is Christus zelf, die de nood van de medemens gemaakt heeft tot eigen nood: „zo gij dit een van deze mijne minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dit mij gedaan.” (Matth. 25). Duizenden staan nu berooid aan de zelfkant van het bestaan, staan als eenzamen, zien geen uitweg meer uit de chaos, waarin de mensheid is geraakt. Haat, afgunst, wraak, zij verduisteren de blik van velen. Allerwege maakt men zich op om op de verbijsterden vat te krijgen. Zullen de christenen, zullen wij nu inzien, in willen zien, dat de houding van de ander er niet toe doet, dat de nood van de naaste onze nood behoort te zijn? Onze vader begint het volmaakte gebed, daarin ligt de kern van de samenleving, de hoge zin. Lang, te lang reeds is dat over het hoofd gezien, is het onze vervangen door het mijn. Zo wordt de zaak der sociale ordening de zaak van het christendom.

A. d. B.

Wee ons wanneer Hij ons zal vinden

slapend in deez’ stille tuin;

horen we niet reeds in de winden

’t geluid van de laatste bazuin?

HARM DE JONG

(Vervolg van pag. 5) danks de heerlijk tot 60° verwarmde kamer waar ik hem aantrof over de nu zo koude Hollandse huizen; in de USA wordt in alle huizen geregeld tot 70° gestookt. In heel Europa staat het anders, ook in de voormalige neutrale landen. Een ook overigens interessant artikel in het Engelse weekblad The Spectator beschrijft het leven in lerland: een overvloed aan vlees en eieren, maar vet zeer krap door de uitvoer; verder totaal geen kolen, zodat een uitje op Zondag bestaat in het gezamenlijk huren van een vrachtauto waarmee men de bossen ingaat om bomen te kappen. Parijs kleumt in zijn tweede vrijheidswinter. Deze zomer al hoorde ik over Parijzenaars die, een chaos op het gebied van de brandstofvoorziening verwachtend, zich in de herfst naar het warmere Corsica wilden terugtrekken. In Duitsland is natuurlijk allerlei gebrek. Geen kolen, wel hout en Engelse officieren die, met verlof thuis, ostentatief in de Engelse winkels inkopen gaan doen voor de arme Duitsers.

Niet in de laatste plaats is men indertijd tot oprichting van de UNRRA overgegaan teneinde te verhinderen dat de verwachte economische nood politieke gevolgen zou hebben. Het is daarom van belang na te gaan of deze gevreesde consequentie zich voorgedaan heeft. Het is duidelijk dat men hierover nog onvoldoende oordelen kan. In twee van de zwaarst getroffen landen, Italië en Griekenland moeten immers de verkiezingen nog plaats vinden. Terecht merkte B.W. Schaper onlangs in Vrij Nederland op dat wij heden ten dage zo belast en beladen zijn met zorgen om ons persoonlijk leven dat wij te zelden met voldoende open ogen kunnen zien hoe de wereld om ons heen verandert. Uit die mentaliteit zich bij de stembus in onverschilligheid of in opstandigheid? Het schijnt dat de eerste geestesgesteldheid overweegt boven de tweede, m.a.w. dat de mens meer verlangt naar een zekere, zij het bescheiden mate van bestaansveiligheid dan naar een geheel nieuwe samenleving. De attrac-

tie van het „faire table rase” is in onze maatschappij verloren gegaan. Wij breken niet meer alles af om „groter en schoner” zoals het heet op te bouwen. ledereen is er nu wel grondig van doordrongen dat vernietiging, ook van goederen van den nationalen of ideologischen vijand eigen armoede meebrengt.

Stellig is nergens deze winter zo vol zorgen tegemoetgezien als in Griekenland, waar men temidden van nog niet beheerste hongersnood en inflatie om zo te zeggen de hervatting van de burgeroorlog van verleden jaar tot de verkiezingen in het hartje van Januari heeft uitgesteld. leder leeft daar in nerveuze spanning over de komende gebeurtenissen en de gevolgen welke die voor elke persoonlijk leven zullen meebrengen. Dat er aldus van de dringend nodige opbouw weinig komt, spreekt vanzelf. In Italië brengt de nood, die ook de coalitieregering van Parri niet lenigen kan, vervreemding van de bestaande partijen mee; een „partij van den kleinen man” zou er in oprichting zijn. Zo brengt de materiële kommer in Italië de nieuwe partijvorming, waartoe in ons land de door allen beleden geestelijke nood niet in staat is! Van vertrouwen, ja vlucht in het burgermansbestaan getuigen ook de verkiezingen in Hongarije, dat als vijandelijk land niet voor UNRRA-hulp in aanmerking komt. De democratische partij der kleine bezitters heeft er een duidelijke overwinning behaald. En wat leert Oostenrijk? Dat er in twaalf jaar in de krachtsverhouding der beide grote partijen niets veranderd is, al is nog onzeker of de partijen zelf veranderd zullen blijken.

Dit schijnt zeker: voorzover het kiezerscorps zich in landen waar de materiële nood groot is, zich uitspreekt, hoopt het op een bescheiden bestaanszekerheid. Geen groot ideaal, maar een reëel. Het vertrouwen in het leven is nog ongeschokt; genoeg om deze winter te doorstaan.

29 November 1945. A. E. COHEN.