is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1945, no 13, 22-12-1945

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ALS DE 14ER14

spreekt

Hoe vaak hebben wij het niet gehoord en gezegd, tijdens en na de vorige wereldoorlog, dat de Kerk moest spreken. Hoe hebben wij er niet met klem op gewezen, dat een van de redenen voor de onkerkelijkheid was, dat de kerk niet de profetische stem, de barmhartige hand, het geweten van het volk was. En wij voelden sympathie voor die eenzame figuren buitenbenen vaak die spraken, fel en vlammend, profetisch eenzijdig, over de verwording, de dreiging, het kapitalisme, de revolutie. Deze mannen bleven in de kerk vaak alleen staan, verdwenen soms uit haar, of bleven op hun eenzame post. Ik denk aan De Ligt, A. R. de Jong, den Zutfensen v. d. Berg van Eysinga, aan Schermerhorn. Maar ook aan onze „Blijde Wereld”-dominees in hun brede pastorieën.

Thans, nu ik een echte werk-vergadering van de Generale Synode der N. Herv. Kerk heb bijgewoond, vraag ik mij af, of men, toen men vroeg, dat de Kerk zou spreken, zich wel gerealiseerd heeft, wat dat eigenlijk betekende.

Laat ik airect zeggen: ik ben diep onder de indruk van de vergaderingen op „Blankenburg”, te Wassenaar gehouden van 11 tot 14 Dec. door de Generale Synode. Hier waren mannen tezamen, die stuk voor stuk hun verantwoordelijkheid kenden. Hier was geen spraite van fractie-vorming en richiingssirijd. (De enkele maal, dat er hoofdeiijk gestemd werd, liep de scheidingslijn dwars door alle richtingen heen). Hier stelde men zich voor de zwaarste problemen van vandaag, n.l. de doodstraf, Indonesië, de politieke ontwikkeling in Nederland. En hier nam men ook organisatorisch verstrekkende besluiten. Op dit alles ga ik thans niet in. Elders, in de dagbladen en in de kerkelijke pers, en straks zo uitvoerig mogelijk in de officiële Handelingen, kan men van een en ander op de hoogte komen.

Neen, het gaat mij er nu om, te vragen, of dit het nu is wat velen zich voorsteiden, als zij riepen om de uitspraak der Kerk. En dan antwoord ik voor mij zelf: is het niet veeleer zo, dat deze roep een kreet was, zonder concrete bijgedachte? Veelal een roep om zedelijk verboigen te midden van een lauwe, dwaze wereld steun te ontvangen van een lichaam, jegens welk men eerbied èn tegelijk ook geprikkeldheid voelt. Een kreet, waardevol, wekkend, stuwend.

Maar nu, practisch, wat is die Kerk, waarvan men het concrete woord wil horen? Neen, ik ga geen theorieën en theologieën uitstallen. Ik vraagalleen: wat is die Kerk in de practijk van het leven, zowel van hen, die er bij horen, als van hen „die er niet aan doen?” Welk gezag heeft zij ?

Principieel verschil is er tussen de Roomse en Protestantse Kerk. Merkwaardig: reeds eeuwenlang heeft de Roomse Kerk gesproken, bij monde van den Paus maar omdat het vroeger buiten die Kerk nauwelijks resoneerde (ik geloof, dat het sinds de laatste jaren beter is geworden) besefte men dit woord eenvoudig niet als stom der Kerk. Bovendien: de Roomse Kerk heeft bepaalde „machtsmiddelen”, de Protestantse, althans de Hervormde, in feite niet. En als dan geroepen werd om het Woord der Kerk, dan bedoelde men juist het machtswoord, waaraan koningen en generaals en bankiers zich hadden te storen. En dit machtswoord bezit de Pro-

testantse Kerk niet en de Roomse Kerk nauwelijks.

Zeer veel teleurstelling over de Kerk, die zich een deriigtal jaren geleden openbaarde, vindt haar oorsprong niet alleen (maar toch wel in de eerste plaats) in de blindheid en stomheid der KerK, maar ook, omdat de wereld woorden en daden van de Kerk verwachtte, die zij krachtens het wezen van die Kerk niet had mógen verwachten.

En nu heeft dan de grote protestantse volkskerk van Nederland gesproken. Over de doodstraf. De inhoud van dat woord zal spoedig bekend zijn door het herderlijk schrijven aan de classikale vergaderingen. Daarop komen wij zeker terug. Het gaat thans om de vorm. De Synode erkende, dat het onmogelijk was een motie aan te nemen, een korte verklaring af te geven, met meerderheid (schoon met overgrote meerderheid) van stemmen aanvaard. Want wat doet men daar mee? Welk gezag heeft dat? Wat kan het schelen, dat de grote meerderheid van vijf en veertig mannen de toepassing van de doodstraf niet in strijd acht met Gods Woord? Het gezag (ja en dan nog alleen geestelijk-morele gezag) van de opperste vergadering der Kerk ligt er niet in, dat vrome brave mannen een besluit nemen en dan zeggen: zo is het. Het ligt er in, dat zij vragen „met de neus op de Bijbel”, (zoals prof. Kraemer zeide) en acht slaand op wat in het lange leven der Kerk over deze materie gedacht en beleden is, wat op dit ogenblik

gezegd dient te worden. En daarbij werd uitdrukkelijk vastgesteld, dat niemand in het geweten gebonden werd. De Hervormde Kerk is nu eenmaal nóch Rooms, nóch confessionalistisch.

Laten wij dit alles goed voor ogen houden, als wij thans van de Kerk en in het bijzonder van de Hervormde Kerk, véél verwachten. Juist omdat haar uitspraken gedragen moeten worden door de vergadering van mannen-met-hun-verantwoordelijkheid én met hun gehoorzaamheid aan wat God hun door de Bijbel zegt, daarom kè,n in deze verwarde wereld de Kerk niet onmiddellijk aankomen met een klaar, voor de practijk beslissend woord. En zij kan de „gelovigen” bovendien niet binden in het geweten; wat zij wel kan, is: in haar vergaderingen worstelen om klaarheid en de resultaten mededelen. Zij zal dat zó doen, dat haar woorden weliswaar geen macht, maar wel gezag zullen hebben. En daardoor een geestelijke macht kunnen worden.

In dat licht moet het gezien worden, als straks de uitspraak over de visie der Kerk op Indonesië komt. Als het rapport over de vakbeweging is behandeld. Als het dansvraagstuk aan de orde is geweest.

Het is goed, thans, nu de Hervormde Kerk ernst maakt met haar opdracht om leiding te geven in het volksleven, zowel de grote waarde van haar uitingen te begrijpen als ook de grenzen van haar mogelijkheden te beseffen.

Als de Synode spreekt, dan is niet het laatste woord gezegd. Het laatste woord, neen, het voorlaatste woord is aan den man en de vrouw, die ja of neen kan zeggen. En het allerlaatste woord is aan God.

L. H. RUITENBERG.

DE BEVRIJDING KOMT

Blijf wakker, o, mijn hart, straks komt het gouden uur! Dan springt het licht naar alle hemelstreken.

Dan zal een vuur van vreugd gelijk een storm ópsteken. En stort zich door de nacht het avontuur! . . .

Een grote stem zal door de morgen breken! De blonde aarde en het blauw azuur

2ij zullen blinken van beloften . . . héél natuur

Zal vreugdevol en vruchtbaar zijn en nieuwe oogsten [kweken . . .

Blijf wakker, o, mijn hart, straks komt het gouden uur!

Reeds horen wij het zingen van de ondergrondse beken. Reeds zien we handen, dor van honger en tortuur.

Zich hunkrend heffen. O, hoe branden van verborgen vuur De ogen, gister schuw van tranen nog. Hoor, bleke lippen [spreken

Het blijde woord. O, luister in de nacht naar het verlossend

[teken:

Blijf wakker, o, mijn hart, straks komt het gouden uur!

Laren (N.H.), 22—2j Jan.

JOHAN TOOT