is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1945, no 13, 22-12-1945

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De onveranderlijke

Aan het einde van 1945.

Jan Greshof vertrok in 1939 naar Zuid- Afrika.

Bij zijn vertrek heeft hij aan zijn vrienden een klein boekje met aphorismen aangeboden: Op de Valreep. Hij schreef het aan de vooravond van zijn vertrek naar het Zuiden.

Jan Greshof is van alle moderne dichters het meest gehecht aan de aarde. Ik houd van hem, omdat hij zo door en door eerlijk is en de dingen niet mooier maakt dan ze zijn. Hij dweept niet met de liefde in het algemeen, maar de liefde van zijn vrouw is hem veel waard en de vriendschap van enkele getrouwen. Een zoen, een hand, een perzik...

Hoezeer bemin ik die realiteiten boven de heilsbeloften in den wind.

Gelooft Jan Greshof in God? In één van zijn kwatrijnen zegt hij:

Van God wil ik voorlopig niet meer spreken. Ik weet nu zeker, dat Hij ’t niet begeert; Hij geeft ons vroeg of laat een teken maar als het Hem convenieert.

Dit klinkt wat rauw. Het is het misschien ook. Maar er zit in deze vier regels meer waarheid dan in vele preken van ons, dominé’s, die al maar over God spreken, zonder ons zelf ooit ernstig af te vragen, of ’t Hem behaagt. Er zit in vele gedichten van Greshof een hartstochtelijk verlangen. Hoe benauwd en kwelt hem de wereldbrand...

Maar boven ’t machteloze schreeuwen maar boven vlam en boven ’t lot, boven de marteling der eeuwen stijgt de bevrijde kreet om God.

Hij weet, dat ons hart verdorst om God. Eén van zijn mooiste gedichten vind ik zijn Thuiskomst:

Het wonder van den dag die als een fonkelster veelvuldig schittert in ’t speelse wissellicht van traan en lach, is uitgedoofd; en bij ’t ontzind gelag joelen wij nog slechts pijnlijk en verbitterd.

Wij moeten ondergaan in een onvruchtbaar kreunen naar ’t verleden.

te moe, te moedeloos om voort te gaan, met onze last van vrees en dorren waan, twee beedlaars aan een achterpart van ’t Eden.

Totdat het toch geschiedt dat God, die zijn gelieven kiest uit de armen,

ons derven en ons diep verlangen ziet, en ons zijn vriendelijke schaduw biedt om uit te rusten in zijn koel erbarmen.

Nu lees ik in Op de Valreep dit getuigenis: Ik kan niet aan een God geloven, omdat ik mij op geen enkele wijze het onveranderlijke voor kan stellen en de onveranderlijkheid nu juist een conditio sine qua non van het goddelijke is.

Dat is alles wat Jan Greshof bij zijn vertrek naar Zuid-Afrika over God toevertrouwt aan zijn vrienden.

Ik heb, toen Op de Valreep verscheen, lang over dit woord nagedacht. Het hinderde mij. Het deed mij pijn. Het irriteerde mij ten laatste. Ik wilde er niet aan. Ter wille van mij zelf en ter wille van Jan

Greshof niet. Het maakte mij opstandig. Ik heb het boekje nijdig weggeborgen. Een dezer dagen kreeg ik het toevallig weer in handen en de letters zagen mij opnieuw star en strak aan: Ik kan niet aan een God geloven.

En nu, na alles wat wij in de jaren, die achter ons liggen, hebben doorleefd, nu versta ik het. Greshof heeft gelijk. Wij kunnen ons het onveranderlijke op geen enkele wijze voorstellen en dat onveranderlijke is het meest wezenlijke van het goddelijke en dus kunnen wij niet aan een God geloven.

Maar dit is alles theorie, beschouwing, verstandelijk geredeneer. Hier zit een mens God te bekijken. Hoezeer bemin ik ik, die de verschrikking van de oorlog, samen met duizenden, aan ziel en lichaam ervaren heb de realiteit boven al dit hopeloze en troosteloze jongleren op het slappe koord van een zichzelf overschattend intellect.

Ik kan niet aan een God geloven, zegt Greshof. Ik zeg het hem na, ik kan het ook niet. Ik geloof niet aan een God. Zeker niet na de vreselijke oorlogsjaren. Ik geloof in God, die voor mij niet is de starre, strakke en onveranderlijke, op z’n best een door menselijk intellect, geconstrueerde godsidee, maar de God, die de bewogene is. Milde handen en vriendelijke ogen zijn bij Hem van eeuwigheid. Naar deze werkelijke mildheid van Gods handen en deze niet minder werkelijke vriendelijkheid van Gods ogen hunkert Jan Greshof even goed als ik en wie ook. Ik geloof in een God, wiens onveranderlijkheid geen abstractie is, maar de onveranderlijkheid van een Vader, een onveranderlijkheid, die dan ook elke dag verandert, anders zou het geen onveranderlijkheid 2ijn. Ik geloof in een God, die liefheeft en haat, die dreigt en berouw heeft over zijn dreigin-

gen, die niet doet wat Hij zeide te zullen doen en die doet, wat geen mens naar menselijke berekening onver ander lijke ideeën had kunnen verwachten. Ik geloof in een God, die zijn kinderen kiest uit de armen, die hongeren en dorsten, een God, die elke redevoering van Hitler en Churchil hoorde, maar ook ’t schreien van een Joods kindje om zijn moeder ’s nachts, een God, die de nood der wereld kent, die weet van mijn wegzwerven en zondigen, maar ook van het diepste verlangen van mijn hart, een God, die mij Zijn vriendelijke schaduw biedt o, die schaduw, die milde en vriendelijke schaduw van den Almachtige, in de dagen van Mei 1940 en door de oorlogsjaren heen en nu na het einde een God, die mij, onrustige en rusteloze, in Zijn koel erbarmen doet uitrusten.

Ik kan niet aan een God geloven. Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper van hemel en aarde, „God van Abraham, Isaak en Jacob, God van Jezus Christus, niet der wijsgeren en der wijzen.” (Pascal).

Deze God, in wien ik geloof, heeft met den God, aan wien ik evenmin als Jan Greshof ooit geloven kan, even weinig te maken als de zoen en de hand van de vrouw, die Jan Greshof liefheeft, iets te maken heeft met de idee liefde, waarover wij geleerde essays kunnen schrijven of waaraan wij onwerkelijke romantiek kunnen bedrijven.

De God, in wien ik geloof, is altijd dezelfde. Semper idem! De on veranderlijke! Maar omdat Hij als God de onveranderlijke is en goddank niet als mens, daarom is Hij de God van altijd nieuwe verrassingen en zijn Zijn barmhartigheden alle dagen nieuw, elke dag anders dan de vorige.

Aan het einde van 1945 belijd ik mijn geloof boven al het machteloze schreeuwen, boven vlam en boven het lot —; Deze God is onze God, eeuwig en altoos! „Hij wordt slechts gevonden op de weg door het Evangelie gewezen.” (Pascal). J. J. BUSKES Jr.

311100

Stroppen

„Het Parool” van 21 November 1945 toont ons op de eerste bladzijde een beul met een strop. Het onderschrift luidt: „Sergeant John C. Wood, uit San Antonio, Texas (U.S.A.), is een man met ambities. Hij koestert de hoop Göring en consorten te mogen ophangen als ze ter dood worden veroordeeld in het Neurenbergse oorlogsmisdadigersproces. Wood is beul van zijn vak en heeft reeds 299 mensen geëxecuteerd. Hij nam zijn ontslag uit het Amerikaanse leger, ten einde ter beschikking te staan als men hem als beul mocht nodig hebben.

John C. Wood met zijn attribuut, de strop.”

Mij werd deze photo vanuit drie verschillende plaatsen in ons land toegezonden. Een briefschrijver was juist door deze photo een overtuigd tegenstander van de doodstraf geworden. Daar was de uitwerking

van deze walgelijke propaganda absoluut anders dan de bedoeling was. Maar ik meen, dat dit een uitzondering op de regel is.

Of er veel mensen door dit plaatje voor de doodstraf zijn gaan voelen? Neen, dat denk ik niet. Of er velen heel bewust over het geval zijn gaan praten? Ook hier; ik vermoed van niet. Wij leven heel snel en veel tijd om bij een bepaald punt stil te staan, hebben wij niet.

En ondanks dit alles geloof ik toch, dat een dergelijke photo ontzaggelijk veel kwaad doet. Juist door zijn vrijwel onmerkbare, haast onbewuste inwerking op ons gedachteleven. Vooral voor de jongeren geldt dit.

De haat- en wraakgevoelens, die bij velen, heel begrijpelijk, ten opzichte van Duitsland aanwezig zijn, worden weer aangewakkerd door deze photo en haar onder-