is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 15, 12-01-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rv 1“ IXr"r%CT\/C!ri A r\ C n l k.l C k.l 11 H HIV I y |||[ Ly C I iM VJ C *" ■ "" "

Verschillende S.D.A.P.-afdelingen hebben ondanks het uitdrukkelijke verzoek van het Partijbestuur Kerstvergaderingen belegd. Dat feit heeft mij aan het overpeinzen gezet.

Ik wil op de inhoud van het daar gesprokene niet ingaan. Ik ben op geen enkele Kerstvergadering geweest en ik kan persverslagen moeilijk als uitgangspunt van een beschouwing maken.

Neen, het gaat mij er pu alleen om, mij af te vragen, welke strekking achter dit verschijnsel ligt.

In de eerste plaats dit; de positie van het Partijbestuur is wel machtig, maar niet al-machtig. Het kan wensen uiten, geen bevelen geven. De bedoeling van het Partijbestuur was duidelijk te demonstreren, dat de S.D.A.P. open staat voor ieder, en dat er geen bijzonder socialistisch Kerst-evangelie is. Dit verzoek is het resultaat van veel besprekingen der leiding. Maar het is niet het resultaat van een nieuw verworven inzicht van vele partijgenoten.

Hieruit volgt, in de tweede plaats, dat vele partijgenoten het niet nemen, wanneer aan de „beweging” geraakt wordt. Want dat is voor hen een stuk „beweging”: de Kerstvergaderingen, waar Troelstra en Albarda spraken. Waar zij een breed exposé gaven van \de politieke situatie en waarin zij tegelijkertijd een beroep konden doen op de zedelijke krachten in de beweging. Zedelijke krachten, die in de weemoedig-gevoelige tijd rondom Kerstfeest gemakkelijker tot het bewustzijn komen, dan in de feestloze tijden.

Wij kunnen ons geheel achter het besluit van het P.B. stellen. Juist, wanneer de Kerstboodschap naar zijn bijbelse betekenis verstaan wordt en dat is wat anders dan het overigens eerbiedwaardige menselijke woord over vrede en broederschap beseft men, dat wij een illusie voeden, wanneer wij een relatie houden met Kerstfeest maar zónder het kind Jezus. Toch moeten wij het stille protest tegen dat besluit van het P.B. naar waarde weten te schatten. Het is een protest tegen het negatieve element erin. Men vraagt: dat niet, maar wat dan wél? Men wil de „beweging” handhaven, zoals zij gestalte heeft gekregen in al deze vormen.

Hier zijn uiteraard géén politieke tegenstellingen in het spel. Het ligt veel dieper, veel moeilijker te bereiken, veel minder te benaderen met onze ■ wèlvertrouwde discussie-techniek.

En als wij dit zo gezien hebben, als wij geconstateerd hebben, dat men de politieke lijn van de partijleiding wel volgt, maar moeilijkheden heeft met de dieperliggende wijzigingen, die zich bezig zijn te voltrekken, dan raken wij punten, waar wij nog lang niet mee klaar zijn.

Dan staat ons het grote probleem voor ogen: hoe ontvangen de tienduizenden partijgenoten een binding, een als „eigen” gevoeld klimaat, zónder dat de 'strijd voor het socialisme daardoor gehinderd wordt? Zonder dat een inkapseling van het socialisme veroorzaakt wordt.

Het vraagstuk van de nieuwe partijvorming draait naar mijn gevoel om dit punt. Ach, over de programpunten kan men het wel eens worden. Men kan bij de overgrote meerderheid der S.D.A.P.’ers hartelijk instemming vinden als men opkomt voor een brede basis, maar... blijf af van de symbolen! De tekenen, die meer zijn dan woorden. De tekenen, die wijzen

op gevoelens, stemmingen, herinneringen, die dierbaar zijn.

En hoe komt men hier nu uit? Slechts langs één weg: die van het grote geduld. Wanneer kerkelijken boos zeggen, dat ’t toch niets wordt en dan wijzen op die Kerstvergaderingen, dan zijn zij aan een goed samenwerken in de socialistische beweging niet toe. Dan komt het er op aan verdraagzaam te zijn en te begrijpen, dat dit verschijnsel heus niet uit dom conservatisme voortkomt.. Even groot geduld zal de leiding der Partij moeten hebben. Actief geduld. Juist op dit punt zal niets geforceerd mogen worden. Wat zij zal hebben te doen is tot een nieuw „ethos”, een nieuw socialistisch levensgevoel te leiden. Dit kan door zeer intensief het scholingswerk ter hand te nemen, dat méér dan scholingswerk moet zijn. Want het moet een ruimte scheppen, waarin open en ongeprikkeld alle dingen, die socialisten beroeren, aan de oppervlakte van het bewustzijn komen. En verder zullen wij eenvoudig met het nieuwe politieke werk moeten beginnen. Krachtig én geduldig.

Wanneer straks de nieuwe brede socialistische volkspartij waarnaar wij har-

telijk verlangen tot stand gekomen is, dan zal déze grote taak de nieuwe socialistische beweging eerst recht opgelegd worden. Het grote werk om vreemde mensen, nochtans socialisten, met elkander in contact te brengen. Dóór het werk, maar ook buiten het eigenlijke politieke werk om. Dat is geen zaak van maanden, maar van jaren.

Wat aan politieke vruchten op betrekkelijk korte termijn geplukt zou kunnen worden (u ziet, ik ben optimistisch!) zou niets zijn, vergeleken bij de vruchten van dit nieuwe samen-leven en samen-denken. Het zou wel een zeer waardevolle bijdrage kunnen zijn aan de vernieuwing van ons volk.

Het is eerlijk gezegd juist daarom, dat wij verwachtingen hebben van de nieuwe kansen op politiek gebied, die zich heden voordoen. En juist, omdat wij die verwachtingen koesteren, willen wij het veriangen om tóch Kerstvergaderingen te beleggen op zijn juiste waarde schatten. Zij zijn, ondanks de conservatieve strekking, toch tekenen van nieuwe kansen. L. H. RUITENBERG.

Het adres van Ds. L. H. Ruitenberg is thans: Spotvogellaan 10, Den Haag.

Het Sociale vraagstuk en het Spellingvraagstuk

Naar verluidt zou de Regering van plan zijn ook de oplossing van het spellingvraagstuk opnieuw ter hand te nemen, en dat daarbij ook rekening zal worden gehouden met de wensen der Belgische regering op dit punt. Men weet natuurlijk niet tevoren, in welke richting men die oplossing zal zoeken, maar ook zonder bepaald medium te zijn, kan men wel aanvoelen, dat de geest van reactie, waarover Banning in zijn laatste hoofdartikel klaagde, zich ook zelfs op dit gebied weer breed zoekt te maken. Want men behoeft maar even een Vlaamse krant in te kijken, om te zien, dat het Vlaamse taaleigen nu eenmaal heel anders is dan het Hollands, en dus is het een geringe zaa'k de Vlamingen ook hun eigen spelling te gunnen, evengoed als men zulks de Afrikaanders vergunt. De invloedssfeer van het Nederlands kan, waar het taaleigen reeds zo verschillend is, door het invoeren van éénzelfde spelling niet vergroot of versterkt worden; daarover beslissen andere factoren. En te zeggen, dat men straks meer rekening wil houden met de wensen der Belgische regering betekent dus feitelijk, dat men, meer dan bij de z.g. Spelling-Marchant, rekening wil houden met de wensen van de voorstanders der Spelling-De Vries en Te Winkel in ons eigen land.

Nu rijst allereerst de vraag: Is het werkelijk nodig om in ons land een totalitaire spelling in te voeren? Ik kan niet zeggen, dat de ervaringen, welke we de laatste jaren op dat gebied doorgemaakt hebben, me daarvan overtuigd hebben. Ik heb deze laatste jaren van veel dingen last gehad, maar het bestaan van twee verschillende spellingen naast elkaar heeft mij niet in het minst gehinderd, en als ik een blad of een boek uit de hand heb gelegd, zou ik niet eens kunnen zeggen, of het in oude, of

wel in de nieuwe spelling geschreven was, en nog veel minder, of het Nederlands, dat volgens de oude mode gekleed ging, ook werkelijk een edeler karakter vertoonde dan het nieuwe, of wel omgekeerd. Het is dus niet het belang der Nederlandse Taal, dat de Regering noopt naar een oplossing van dit vraagstuk te zoeken, maar haar eigen belang, waardoor ze voelt, dat zij bij de uitbreiding, welke de Nieuwe Spelling de laatste jaren onder het volk heeft verkregen, eindelijk voor zich zelf zal moeten kiezen of kabelen, of ze zich aan de oude zal blijven houden, ofwel in haar officiële stukken óók de nieuwe zal invoeren.

En hierbij gaat het in wezen om de vraag, of men staan wii aan de kant van de aristocratie, dat is de reactie, of wel van de democratie.

Ik beken, dat de traagheid van het natuurlijke conservatisme, dat ons allen eigen is, zich aanvankelijk ook in mij hardnekkig tegen de aanneming van de Nieuwe Spelling verzet heeft. Maar het zijn de kinderen der armen en eenvoudigen, die me daarvan bekeerd hebben. Ik was toen secretaris van een kleine, bijzondere buurtschooi. Ter voldoening mijner plichten, om me af en toe te vergewissen van de goede gang van het onderwijs aan die school, stak ik daar af en toe een verhaaltje af, en vroeg de kinderen daarover straks een opstel te maken. En verwonderlijk was de verandering, welke ik reeds korte tijd na de invoering der Nieuwe Spelling daarin opmerkte. Niet alleen, dat de opstellen der hoogste klassen thans nagenoeg geen spellingfouten vertoonden, maar wat was ook de taal veel vlotter en ■ soepeler geworden! Men kon zo zien, dat de leerlingen zich thans, nu ze onder het schrijven niet langer gehinderd werden door de dreiging van een lastig spelling-