is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 15, 12-01-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IDEOLOGIE

OF ZAKELIJKHEID

Wat ons als socialisten samenhoudt, is de eis der gerechtigheid ten opzichte van het maatschappelijk leven. Niets minder, maar ook niets meer. Door de eis der gerechtigheid wordt de strijd voor het socialisme bewaard voor de propaganda voor een levens- en wereldbeschouwing, die de strijders van elkander vervreemdt, maar evenzeer voor een absolute zakelijkheid, die niemand bezielt.

Zo schreef ik in „Tijd en Taak” van 15 December naar aanleiding van het boekje van Geert Ruygers „Socialisme vroeger en nu”.

Tussen het vlak der volstrekte zakelijkheid en dat der levens- en wereldbeschouwing is geen vacuum. Er ligt nog heel wat tussen deze beide vlakken. Om de eenvoudige reden, dat ons denken en handelen bepaald wordt door de geestelijke achtergrond van het Westeuropese cultuurleven. Het socialisme komt niet uit de lucht vallen. Het behoort tot de geschiedenis.

Ik gevoelde mij gedragen, deze gedachten uit te spreken, omdat het socialisme bij Ruygers tot een ideologie wordt, een nieuwe ideologie, anders dan de Marxistische, maar toch een ideologie, die de grondslag zal moeten zijn van het gemeenschappelijk werk van de verschillende socialistische groepen in ons vaderland. Maar dat betekent onherroepelijk, dat het socialisme levens- en wereldbeschouwing wordt. Aan de andere kant zijn er ■— ik denk aan Ds. Tromp, één van de zeven Amsterdamse predikanten, die het boekje van Ruygers in „In de Waagschaal” besprak voor wie het socialisme een nuchtere aangelegenheid is, waarin ons leven onmogelijk kan opgaan. Het duidt een productiestelsel en een maatschappijinrichting aan, waarbij de beschikkingsmacht over de productiemiddelen en de productie zelf behoort aan de gemeenschap en niet aan de privaatbezitters. Het is een zakelijke en economische aangelegenheid.

Ds. Tromp zegt: Socialisme is voor mij niets meer dan dat. Als het meer wordt, wordt het minder. In de mate, waarin het ethisch en religieus wordt, in die mate, word ik er vreemder aan en zou ik er tegen moeten waarschuwen.

Daarnaast wijst Ds. Tromp niet alleen het Marxisme, maar ook het Personalisme af, het laatste nog eerder dan het eerste, omdat hij in het eerste nog meer werkelijkheid ruikt.

Geert Ruygers bevredigt mij niet, maar

Ds. Tromp evenmin. Ik wil in de strijd voor het socialisme beneden de levens- en wereldbeschouwing blijven, maar ik wil in die strijd evenzeer boven de zakelijkheid uit. Ik wil in de strijd voor het socialisme een verbondenheid door gemeenschappelijke idealen ten opzichte van de concrete vragen der tijdelijke 'orde. En ik wil, dat wij in die strijd met elkander, de eis der gerechtigheid stellen tegenover het bestaande onrecht. Mijn bespreking van Ruygers’ boekje zocht aarzelend en tastend van uit dit gezichtspunt een weg.

Op een Zondagavond in December zaten wij met wat vrienden bij elkaar. Tot het gezelschap behoorden vier predikanten, twee van de zeven, één die van het socialisme niets hebben moet en één, die overtuigd socialist is, maar de stap naar de S.D.A.P. nog niet heeft kunnen doen.

Van den laatste ontving ik enkele dagen later een brief, waarin hij op ons gesprek terugkomt. Ziehier, wat mijn vriend schreef:

„Zoeven lees ik in „Tijd en Taak” van vorige week je artikel over het boekje van Ruygers, en vond daar dezelfde gedachten, die je ook Zondagavond uitsprak. Die gedachten hebben mij sinds Zondagavond nogal beziggehouden, omdat ik het belang ervan voel. ’t Is maar niet wat waard, een tussengebied te creëren tussen het christelijk geloof en het algemeen menselijk streven; als ik goed zie: tussen natuur en genade! Juist omdat ik mijzelf, krachtens aanleg en denkwijze, meer in Tromp’s gedachtengang inleven kan, voel ik vaak het gemis aan aansluiting bij wat den doodgewonen wereldmens beweegt, en dat is dan oorzaak, dat ik, ondanks mijzelf, toch weer met een zekere begerigheid luister, wanneer er verbindingen gelegd worden. Tegelijk voel ik dan echter de achterdocht weer gekomen, die er altijd bij mij is, zodra van zulke verbindingen en tussengebieden sprake is. Zondagavond kon ik het mij niet zo dadelijk realiseren, ook al omdat, wat je zei, mij zozeer boeide en in hoop gevangen hield. Maar nu, bij verder nadenken, komen de vragen. Gesteld dan dat we als christenen uitgaan, en op grond van onze prediking van idealen, samen met humanisten e.a., een veel rechtvaardiger en menselijker samenleving krijgen. Is daarmee Gods wil volbracht? Maar God wil toch, dat we Hèm liefhebben en dienen! De liefde tot den naaste heeft toch alleen

zin en waarde in en uit de liefde tot God! Als we dat niet vasthouden, komt de naaste boven God te staan, en wordt een afgod. Is dat gevaar denkbeeldig? Is het ondenkbaar, dat er een samenleving komt, veel rechtvaardiger en menselijker dan de tegenwoordige, maar die verder van God af staat, juist omdat ze zich in haar humaniteit sterk en onaantastbaar voelt? Vóór 1940 heb ik eens een lezing gehouden over den Antichrist, en toen heb ik naar aanleiding van de wonderen van den Antichrist (in aansluiting aan Selma Lagerlöf) zoiets gezegd: dat de Antichrist een wezen zal zijn, dat brandt van liefde tot den naaste, maar dat God haat. ’k Weet niet of het exegetisch helemaal verantwoord was, maar dat theologisch dergelijke duivelse mogelijkheden bestaan, daar twijfel ik niet aan. Acht jij dergelijke gevaren uitgesloten? Zou de Satan in een rechtvaardige en humane maatschappij eigenlijk niet veel groter triomfen kunnen vieren dan in een kapitalistische? En als dat bleek, zouden we dan niet ons moeten afvragen: wat zijn we begonnen, dat we op één platform naast idealisten enz. gingen staan, met de prediking van idealen; genoegen er mee nemende, dat we het in die idealen eens waren, en verzwijgende (wat we toch eigenlijk wisten), dat die idealen alleen reddende betekenis voor de mensheid hebben, wanneer de mensheid ze ziet als gaven van Christus, en dus wanneer die idealen als zódanig aan hen gepredikt worden? en dus eigenlijk niet meer als idealen?

Ik heb nu eigenlijk zo maar voor de vuist weg enkele vragen opgeschreven, die mij toch altijd weer in een of andere vorm bezighouden, en die er ook wel oorzaak van zullen zijn, dat ik nog nooit de concrete stap naar de S.D.A.P. heb kunnen doen. Als we een rechtvaardige maatschappij hebben, zijn we dan in Gods ogen iets verder óf misschien: verder van Huis? Die vragen kan ik maar niet kwijtraken. Schrijf eens, wat je daar van denkt, of liever, schrijf er in één van de bladen eens over, dan dien je er ook anderen mee. Je begrijpt wel, dat deze vragen niet voortkomen uit lust tot critiek, maar uit levende belangstelling. Als ik het goed zie, zit hier eigenlijk de hele vraagstelling van natuur en genade achter, en neem jij Brunner’s positie in, terwijl ik van het recht van Barth’s standpunt niet loskomen kan. Maar misschien zie ik dat verkeerd; ik wacht met belangstelling je antwoord.”

Ik heb deze brief ik zijn geheel in „Tijd en Taak” opgenomen, omdat ik er van overtuigd ben, dat vele van onze lezers voor de vraag naar de geestelijke achtergrond van de strijd voor het socialisme belangstelling hebben.

Wij zullen vooral nu de practische samenwerking van alle sociaal-democraten in een Partij van de Arbeid een werkelijkheid gaat worden ons met deze vraag intens hebben bezig te houden.

In een volgend artikel wil ik trachten de brief van mijn collega te beantwoorden.

J. J. BUSKES Jr.

stelsel, zich met veel meer vrijmoedigheid uitten en er dus ook meer plezier in hadden.

En toen begreep ik, dat ik op de verkeerde weg was geweest. En ik begreep, dat het eenvoudig een misdaad tegenover de duizenden kinderen van ons volk zou zijn, wier onderwijs nooit verder zou gaan dan de lagere school, hun geen Nederlands in handen te geven, dat ze gemakkelijk kunnen hanteren, en waarmee ze, evengoed als H.B.S. en dergelijke, zonder enig gevoel van minderwaardigheid, zich schrif-

telijk vrijmoedig in alle fatsoenlijke kringen kunnen bewegen.

Hoe vreemd het aanvankelijk velen ook moge voorkomen, de strijd voor de nieuwe spelling is in der waarheid een strijd voor het belang van het volkskind.

En het is te hopen, dat de regering bij haar pogingen om tot een oplossing van dit vraagstuk te komen, méér dan met de wensen der spellingaristocraten, met dat belang rekening zal houden.

HILBRANDT BOSCHMA.