is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 19, 09-02-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GODSDIENST

IS OPIUM VOOR HET VOLK!

Men heeft er over getwist, wie de vergelijking van godsdienst en opium het eerst gemaakt heeft.

Stanley Jones beweert in een van zijn boeken, dat het de Engelse christensoeialist Charles Kingsley is geweest.

Frank van der Goes ontkende in een debat, dat ik eens met hem had, dat Karl Marx het zou geweest zijn.

Voor zover het mij mogelijk was, heb ik een onderzoek ingesteld naar het vaderschap van deze slagzin en ik ben tot de overtuiging gekomen, dat het toch inderdaad Marx is geweest, die deze woorden het eerste heeft gesproken. Zij komen voor in een van zijn oudste geschriften, in een artikel dat hij in de „Deutsch-Französische Jahrbücher” van 1843—44 schreef over de rechtsphilosophie van Hegel.

Marx spreekt over de godsdienstige ellende en zegt dat deze een openbaring van en tegelij kertij d een protest tegen de werkelijke ellende is. De godsdienst is eigenlijk niet anders dan het zuchten van het schepsel, dat in nood verkeert. De godsdienst is het opium van het volk. Hij is slechts een denkbeeldig geluk. Hij moet verdwijnen om ruimte te maken voor het werkelijke geluk. In zijn ellende heeft de mens waandenkbeelden nodig. Maar die toestand van ellende moet worden gelikwideerd. Daartoe moeten de waandenkbeelden verdwijnen, opdat de mens de werkelijke toestand lere kennen. De godsdienst is niet anders dan een stralenkrans om het jammerdal van deze wereld. De kritiek op de godsdienst verwijdert deze stralenkrans. Zij plukt de denkbeeldige bloemen af van de ketting, waarmee de mens gebonden is en zij doet dat, niet, opdat de mens door die ketting gebonden zal blijven, maar opdat hij de ketting zal verbreken en vrij worden. Dan zullen de echte bloemen openbreken.

De godsdienst heeft dus volgens Marx geen werkelijke inhoud. God bestaat niet. Een hemel evenmin. De godsdienst leeft niet van de hemel, maar van de aarde en met het verdwijnen van „de verkeerde wereld” valt ook de godsdienst vanzelf.

In Nederland zijn er niet veel echte Marxisten meer. In de S.D.A.P. zijn ze met een lantaarntje te zoeken. Men aanvaardt het historisch materialisme als werkhypothese ter verklaring van de geschiedenis, maar het Marxisme als levens- en wereldbeschouwing heeft zijn tijd gehad.

De rasechte Marxisten moet men in Rusland zoeken.

Boven de Iberische Kapel bij het Kremlin op het Rode Plein te Moskou hebben de voormannen van het Russische Kommunisme, die zich zelf als de wettige erfgenamen van Karl Marx beschouwen, indertijd met grote gouden letters geschreven: Godsdienst is opium voor het volk. Achter deze woorden gaat de levens- en wereldbeschouwing van Marx schuil.

Het maatschappelijk zijn bepaalt het bewustzijn. Het godsdienstig leven is niet anders dan de verschijningsvorm van economische verhoudingen, die achter dat godsdienstige leven verborgen liggen. De arme mens heeft een rijken God. Komt eenmaal de socialistische maatschappij en behoort de kapitalistische samenleving tot het verleden, dan zal niemand meer behoefte hebben aan God en nog veel minder aan de hemel. Met het kapitalisme sterft de godsdienst af.

Marx zelf voelde er daarom heel weinig

voor, om de godsdienst opzettelijk te bestrijden. Hij vond dat een onvruchtbaar werk. Immers: zolang deze samenleving een kapitalistische zal blijven, zolang zullen de mensen aan godsdienst behoefte hebben en zolang zal elke bestrijding van de godsdienst vergeefs zijn. De arbeidersklasse moet niet de godsdienst bestrijden, maar de klassenstrijd voeren. Marx had er dan ook grote bezwaren tegen, dat er door de socialisten zo met „de firma atheïsme” werd gecoquetteerd.

In Nederland is dat in vroeger jaren het geval geweest. De eerste socialisten waren niet alleen atheïsten, maar ook bewuste strijders tegen kerk en christendom.

Wij behoeven alleen maar de naam van Domela Nieuwenhuis te noemen, die op zijn beurt ons weer aan Multatuli herinnert. De Nederlandse socialist van de vorige eeuw was tegelijkertijd „de vrijdenker en zijn ongeloof”, om de titel van een van Domela Nieuwenhuis’ bekende brochures te gebruiken.

Wanneer wij dus de vraag stellen, wat toch de oorzaak is van het feit, dat het socialisme in zijn opkomst zo fel gekant was tegen kerk en christendom, dan moeten wij in ons antwoord spreken over het Marxisme. Omdat het socialisme tegelijkertijd Marxisme betekende, wilden de eerste socialisten niets van de godsdienst weten.

Toch kunnen wij met dit antwoord niet volstaan. Immers de vraag dringt zich aan ons op hoe de arbeiders er toe kwamen, om het Marxisme te aanvaarden. Zeker niet omdat zij van de wetenschappelijke juistheid van het Marxisme door zelfstandig onderzoek overtuigd waren. Hoevele arbeiders zullen „Het Kapitaal” van Marx gelezen hebben? De zaak lag anders. Het Marxisme aanvaardden zij, omdat het in v/etenschappelijke vorm uitsprak wat bij de arbeiders leefde, omdat het tot uitdrukking bracht wat zich bewust of onbewust in de ziel van het proletariaat omhoog worstelde. Ten opzichte van de godsdienst wil dit zeggen, dat de arbeiders Marx alleen bij vielen op grond van hun levenservaring. Wat Marx theoretisch uiteenzette, hadden zij practisch meegemaakt: godsdienst is opium voor het volk. Dat wil zeggen, dat wij niet alleen over de schuld van het Marxisme, maar ook over de schuld van kerk en christendom spreken moeten.

Wij geven twee illustraties. Kort voor de oorlog heeft de Duitse emigrant Ernst Toller in Amerika een einde aan zijn leven gemaakt. Deze jonge kunstenaar behoorde tot de meest idealistische socialisten.

Hij schreef een boeiende autobiographie: „Eine Jugend in Deutschland”. Om het rode Duitsland van na 1918 en zijn mislukkingen te verstaan, is dit boek wel van zeer groot belang. Nog belangrijker is het evenwel, om de gang van een mensenleven te leren kennen.

Voor ons onderwerp geeft het een sprekende illustratie. Ernst Toller komt uit een arm gezin. Op school leert hij de maatschappelijke verschillen kennen. De een heeft veel, de ander weinig, een derde niets.

De vader en moeder van Ernst Toller behoren tot de laatste groep. Hij heeft het er te kwaad mee en op een goede dag vraagt hij aan moeder: Waarom hebben wij zo weinig? Omdat de lieve God het zo wil, luidt het antwoord.

Deze arme en gelovige moeder van Ernst Toller was natuurlijk te goeder trouw, maar hier is de godsdienst toch inderdaad opium voor het volk geworden. De armoede wordt door God gewild en gesanctionneerd. Zo blijft het volk kalm en rustig en het kapitalisme onaangetast.

Het kan ook anders. Het kan ook te kwader trouw. De Rus Gogol, die een vrij revolutionnair stuk schreef als ~De Revisor”, dat hier jaren geleden door Van Dalsum gespeeld werd, was toch later een volslagen reactionnair. Hij schrijft in een brief: „De landheren moeten het evangelie aan hun boeren voorlezen, opdat dezen er goed van doordrongen worden dat het levensdoel van den Russischen boer bestaat in het dienen van zijn heer”.

Hier is de godsdienst zonder meer bolwerk der reactie geworden. Hij sanctionneert het onrecht, door het tot Gods wil te verklaren en berusting te prediken.

De grote vraag, die ons bezig houdt, is deze: hoe is het toch zó ver gekomen? Ik weet maar één antwoord: zóver is het gekomen, omdat men de godsdienst, die alles behalve opium is, vervalst heeft. J. J. BUSKES Jr.

IN DE KANTLIJN

WELKOM

We zijn ze tegemoet gevaren, toen zij terugkwamen uit Indonesië. We hebben ze begroet met geestdriftig gezwaai van zakdoeken, met muziekkorpsen, met officiële ontvangsten. Wij hebben comité’s opgericht tot hulpverlening, tot leniging van hun nood. We hebben gezorgd voor kleding, toen zij nog ver van ons land waren. Zij hebben distributiebescheiden gekregen. We hebben elke boot met spanning afgewacht, reikhalzend uitgezien, of misschien onze familie er óók bij zou zijn. En toen zij van boord kwamen, moe en nog onwennig, niet goed begrijpend, dat zij nu eindelijk weer thuis waren, toen hebben wij ..., nee, toen moesten zij naar „adressen”. Eindelijk waren zij weer „thuis”. Maar

voor velen zegt dat niet meer, dan dat zij eindelijk weer in Holland zijn. Hoevelen hebben hun familie in de oorlog niet verloren. Hoevelen, wier verwanten hier woonden, hebben helemaal geen thuis meer: evacuatie, bombardementen enz.

Laten wij het werk, dat we begonnen zijn, af maken: 50.000 repatriërenden moeten een onderkomen hebben. Denk nog eens even na, hoe ook U in de oorlog evacué’s kon herbergen. Kijk nog eens naar al die ruimte in Uw huis, en geef dan Uw adres op aan onze redactie, Hekelveld 15, Amsterdam; wij zullen zorgen, dat Uw naam bij de repatriëringsinstanties wordt genoteerd.