is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 19, 09-02-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Buiten de orde

Ja, dat wou ik: zo eens fijn en in alle opzichten buiten de orde gaan. Want dat heerlijke boek waar ik mijn Zaterdagavond mee doorgebracht heb, en waar ik nog tot in mijn grijze ouderdom zo nu en dan een Zaterdagavond mee hoop te passeren, dit heerlijke boek mist net precies alle eigenschappen waar een serieus recensent prijs op stelt.

In de eerste plaats: het is niet nieuw. Stel je voor, een boek van vóór de oorlog blijkbaar, waar ik zo maar bij toeval tegenaan gelopen ben, met een „voorwoord” dat dateert van November 1934. Dan is het niet van een Nederlands auteur, en misschien zeifs wel helemaal niet van een auteur; d.w.z. niet van iemand die de auteurs als hunsgelijke erkennen. En tenslotte is het niet eens voor grote mensen geschreven!

Als ik nu maar wist, dat het in grote stapels voor iedereen te krijgen was, dit kostelijke wijze kinderboek, dan kon ik me nog achter het practische nut van mijn aankondiging verschuilen. Maar de Wereldbibliotheek, die het uitgegeven heeft, spreekt slechts van een „zesde duizendtal”, dat is niet veel op een paar millioen Nederlandse huisgezinnen. Misschien kocht ik wel juist het laatste exemplaar

Lezer, waartoe uw nieuwsgierigheid zo te prikkelen? Het boek waarop ik de hand legde, was De lotgevallen van Sajo en haar Bevervolkje, door Grijze Uil (Wa-sha-quonasin); een verhaal over twee Indiaanse kinderen en twee tamme jonge bevers, anders niets. Maar sla het open en lees de aanhef:

„Heel ver weg, voorbij de steden en dorpen en landerijen die je zo bekend zijn uit je omgeving, ver voorbij de nederzettingen van Noord-Canada, iigt een wild, bijna onbekend land. Als je het zou willen zien zou je eindeloos ver weg moeten trekken, naar plaatsen waar geen treinen of wegen zijn, geen huizen en zelfs geen paden.”

Hier is iemand die vertellen kan. lemand die meteen de aandacht gevangen houdt, of de hoorder nu tien jaar oud is of zestig, omdat je voelt: hier komt iets dat het aanhoren waard is. Hier spreekt iemand die wéét waarover hij praat, en die praat, niet om „een kinderboek te schrijven”, maar omdat hij iets heeft, dat hem bij alle rustige zakelijkheid toch zeer ter harte gaat. Er is niets schoolmeesterlijks in deze verteltoon, al wordt er aan kinderen over een onbekende wereld verteld. Er is niet de omslachtigheid van den man, die zelf vindt dat hij zo reuze-leuk vqrteilen kan, niet het neerbuigende, quasi-naïeve van den oudere, die zich tot kinderen richt. Er is niets dan zuivere eenvoud, oprechtheid en natuur. Dat onze prozaïsten, denkt men bij zichzelf, toch elk op zijn eigen wijze zó wisten te schrijven!

Het boek is belangwekkend voor een kind, want het vertelt van beesten en mensen in dat onbekende land: men hoort hoe de Ojibway-Indianen wonen en hoe ze werken, van hun woudleven en hun afhankelijkheid van den handelaar, van hun familieleven en hun vrije zelfstandigheid. Het boek voedt de weetlust, maar evenals andere kinderboeken van gróte allure (denk aan Alleen op de Wereld, aan Niels Holgersson) geeft het ook stof aan de fantasie. Vragen wij niet allen van een boek, dat het ons op de een of andere manier boven het dagelijkse uitheft, dat onze gedachten er mee bezig kunnen blijven, dat onze herinnering er heen terugkeert, in een stil uur of als het leven zelf ons nieuwe ervaringen brengt? Een goed boek is een

oefenschool van de fantasie. Hier zijn de grote avonturen, de reis van de twee Indiaanse kinderen, de spanning of hun expeditie slagen zal, de bosbrand, organisch met het leven zelf verbonden, er is niets geforceerds of onwaarschijnlijks in en de schrijver zelf draagt zorg om mee te delen, dat alles werkelijk gebeurd is, zij het misschien in een andere volgorde. Mochten toch de schrijvers die van het alledaagse afkerig zijn en zich toeleggen op het uitheemse, het excentrieke of ingewikkelde, zich eens een beetje spiegelen aan Grijze Uil!

Uitermate boeiend zijn deze Lotgevallen van Sajo en haar Bevervolkje. En wanneer ik mij afvraag hoe het komt, dat ik dit kinderverhaal met zo’n onverzwakte aandacht ten einde heb gelezen, dan is het antwoord: zeker óók door de voortreffelijke compositie. Het is één lijn, die door de hele geschiedenis loopt. „Grote Veer” vindt op een inspectietocht naar zijn ver afgelegen jachtgebied de twee heel jonge bevertjes, die van hun ouders zijn afgeraakt, hij neemt ze mee naar huis en geeft ze aan zijn dochtertje Sajo. De kinderen hebben een gelukzalige tijd met de leuke huisdiertjes, dan komt de kwade tijd en Grote Veer ziet zich genoopt een bevertje te verkopen. In zijn afwezigheid maken Sajo en Shapian de eindeloze reis-met-hindernissen naar de stad om hun vriendje te bevrijden, maar als zij gelukkig allen weer thuis gekomen zijn en er nog wat maanden zijn verstreken, worden de bevers te groot en moeten teruggebracht worden naar hun eigen woongebied. Meesterlijk weet de schrijver in dit verhaal de spanningen te verdeien, zijn verhaal te vullen met allerlei boeiend menselijk (en dieriijk) bedrijf, zonder ooit de draad uit het oog te verliezen, hindernissen aan te brengen, die de ontknoping vertragen, een komische

noot in te voegen waar de spanning kwellend worden zou. Hoe fraai gevonden is in dit verband de goedhartige lerse politieagent in de stad, hoe fijn, wanneer de twee kinderen ternauwernood aan de bosbrand ontkomen zijn, het zusje dat onbedaarlijk lachen moet, omdat haar broer „geen wenkbrauwen meer heeft”. Deze schrijver weet wat het is, de dingen voor zichzelf te laten spreken en niet door grove accenten het effect te versterken.

Daar waar het avontuur zijn hoogtepunt bereikt, als de eigenaar van de verre dierentuin vermurwd is, daar plaatst hij de verrukkelijke „dans” van de beide herenigde bever-broertjes. Dan mag de wat ademloze verbeelding van den kleinen lezer zich nog een tijdlang laten dragen door alle

feestelijkheden van de terugkeer, de vreugde in de Indianen-nederzetting, de dans van het oude Opperhoofd en dan nadert, omdat kleine bevertjes nu eenmaal groot worden, onvermijdelijk het einde. In de gouden weemoed van nevel en herfsttinten, in de „Maan der vallende Bladeren”, voltrekt zich het afscheid. Afstaan moeten de kinderen die kameraadjes waarvoor ze hun leven gewaagd hadden, die de vreugde van hun dagen waren geweest, af staan: vrijlaten. „En op dat moment kwamen van de gouden, fluisterende bladeren boven haar hoofd de liefelijke tonen van een witgekeeid zangvogeltje. „Mino-ta-kiyah, het is goed”, scheen hij te zingen: „Mimimi noo-no-no-00-ta-kiyah!”

Misschien is dit litterair de geniaalste zet van den schrijver. Maar ónlitterair, zo maar gewoonlijk menselijk, schieten je de tranen in de ogen, omdat hier zonder énige sentimentaiiteit, zonder ethische gewichtigheid of Christelijk vertoon zo’n diepe wijsheid uitgesproken wordt. Het is een boek vol Christelijke deugden: barmhartigheid en moed, offerbereidheid en vertrouwen; maar het Zondagse gezicht ontbreekt er bij. Als sommige schrijvers nee, ik zeg al niks meer. In ben al een heel artikel lang buiten de orde. M.H. VANDERZEYDE.

MOGEN DE DOODSTRAFFEN UITGEVOERD WORDEN?

Is het Nederlandse volk op dit ogenblik reeds in staat om over de uitvoering der doodstraffen naar recht en billijkheid te oordelen?

Ik geloof van niet. Zijn wij allen niet nog te veel geschokt na deze vijf jaar eilende?

Kunnen wij al rustig overwegen nd al wat men ons heeft aangedaan? Is in onze ziei nog niet heel veel verwarring?

Weten we al weer wat goed en wat kwaad, wat recht en wat onrecht is? Is ons ja weer ja, en ons neen weer neen?

’tls geen wonder dat wij zo zijn geworden.

In de bezettingstijd leerden wij liegen en stelen. Liegen omdat wij niemand verraden wilden. Stelen men moet toch brandstof hebben, dus hout en kolen, enz

En de zwarte handel heeft in de oorlog zoveel begerige, geldzuchtige mensen gemaakt, dat zeer velen hiermede doorgaan ten nadele van het gehele volk.

We zijn bovendien allen ontzet over de feiten, die de omkoopbaarheid van talloze ambtenaren bewijzen. Ook van de bedriegerijen, die in allerlei diensten, en ook bij de distributie voorkomen. Waar dus én ambtenaren én publiek schuldig zijn.

Moge ’t waar zijn, dat er honderdduizenden zijn, die aan al die onzuiverheid niet

meedoen, toch zijn wij allen zonder onderscheid nog besmet met de bacillen, die de nazi-bezetting ons heeft ingeënt: de bacillen van vergeldingslust, haat, wraakgevoelens, minachting voor het leven.

Op dit ogenblik zit dat alles in -ons bloed, en niemand, ook niet de rechters in de tribunalen, zijn daarvan vrij.

Het Nederlandse volk en zijn rechtbanken zijn in deze onrustige tijd niet in staat om OP GROND VAN RECHT een doodvonnis uit te voeren. Wij zijn nog te zeer omneveld door de nazi-walm om te weten, wat recht is. C. POTHUIS—SMIT

INHOUD

Pag.

Partij van de Arbeid, afsluiting en nieuw werk. W. Banning 1

Wat gebeurt er in Indonesië?. O. van Andel—Ripke 2

China en Japan, J. J. Buskes Jr 2 Terugblik, H. Wielek 3

S.D.A.P.—Partij van de Arbeid, Mr. M. J. A. Moltzer 4

Sociologie in Leiden, L. H. Ruitenberg 5 Godsdienst is opium voor het voik, J. J. Buskes Jr 6

In de kantlijn 6 Buiten de orde, M. H. van der Zeyde 7

Mogen de doodstraffen uitgevoerd worden? 7