is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 21, 23-02-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET WARE SOVJET-RUSLAND

Een boek met deze titel, van de hand van David J. Dallin, is kort geleden uitgegeven door de Yale University Press, U.S.A. Het maakt de indruk, het werk te zijn van een ernstig onderzoeker. Van alle schrijvers over de Sovjet-Unie is het van belang, te weten, tegen welke achtergrond men hun werk moet zien, en vanuit welk gezichtspunt zij oordelen. De heer Dallin was een Russisch com'munist. Zijn standpunt is sterk anti-Stalinistisch. Hieronder geven wij, zonder enig redactioneel commentaar, een beknopte samenvatting van de hoofdinhoud van zijn boek.

Schrijvend vóór het einde van de oorlog, laat de heer Dallin een ernstige waarschuwing horen tegen de in brede kringen gangbare opvatting, dat Ruslands revolutie ten einde is, en dat het thans teruggekeerd is tot de toestand van in wezen een nationale staat te zijn, bezig vele der elementen van zijn traditionele verleden te herstellen. Er was gedurende de oorlog een krachtige nationalistische opleving, waarvan de tekenen in vele richtingen te constateren zijn. Er waren voor de hand liggende psychologische redenen hiervoor, en de neiging hiertoe werd door de Regering aangemoedigd als een middel om het verzet tegen den vijand te versterken. Maar het essentiële punt hierbij, dat men goed in het oog moet vatten, is, dat zowel de nationale opleving als de nieuwe welwillendheid tegenover het geloof altijd ondergeschikt gemaakt zijn en worden aan de instandhouding en versterking van de communistische revolutie.

Vervolgens beschrijft Dallin de Sovjetsamenleving zoals die was bij het begin van de oorlog. Er waren, zegt hij, globaal gesproken vier klassen. De hoogste klasse was die der staatsbeambten, ten getale van tien of elf millioen.

In de tweede plaats waren er de werknemers, in de steden en op het platteland, die ongeveer achttien tot twintig millioen mensen omvatten, waarvan ongeveer acht millioen industrie-arbeiders waren.

Daarop volgden de landbouwers, in totaal ongeveer veertig millioen.

Tenslotte was er de grote klasse van dwangarbeiders, die kan worden geschat zeven tot twaalf millioen zielen te omvatten.

De eerste klasse, die der staatsbeambten, vLordt gevormd door diegenen, die het bestuur uitmaken, de administratie voeren, de economische bedrijvigheid controleren, het leger leiden, zorg dragen voor opvoeding, kunsten en wetenschappen, de pers dirigeren en voor de volksgezondheid waken. In feite is deze klasse identiek met de intelligentsia. Zij is daarom de hoogste klasse, omdat er geen aristocratie van grondbezitters, noch van enige financiële of industriële magnaten, boven haar is.

Van deze bovenaan staande klasse van staatsbeambten behoren ongeveer 15 % tot de Communistische Partij. Tussen de algemene opvattingen van deze klasse, in haar geheel genomen, en die van de Partij, bestaat een groot verschil. De Partij was en blijft steeds argwanend tegenover de intelligentsia, en heeft van tijd tot tijd haar toevlucht genomen tot drastische zuiveringen. Toch is er tussen deze beide een voortdurende uitwisseling van ideeën en een wederzijdse beïnvloeding. In het algemeen verlangt de intelligentsia naar groter veiligheid. Zij zou een staatsbestel

gebaseerd op het Recht verkiezen boven een politiestaat. Zij wenst gevrijwaard te zijn voor willekeurige arrestaties, zuiveringsmaatregelen en verlies van rang. Zij zijn geen tegenstanders van een door de Staat geleide economie, maar voor hen is deze Staatscontrole meer een vaststaand feit dan een kwestie van principe, zoals in het geval der Partij. Hun houding tegenover de religie is veel minder vijandig dan die van de Partij.

De nieuwe Sovjet-intelligentsia zal de beslissende factor zijn in alle toekomstige sociale veranderingen. Haar opleiding en ervaring maken haar tot de enige maatschappelijke kracht, die in staat is tot initiatief en krachtdadig handelen. Zij is de dominerende macht in het maatschappelijk leven van de staat, hoewel niet in de politieke leiding ervan. Het is het reservoir, waaruit elke nieuwe beweging haar hulpbronnen moet betrekken. De tweede van de vier hoofdklassen, die

der werknemers, is een sociale klasse, die vrijwel iets volkomen nieuws betekent. De arbeidersklasse, zoals die bestond bij het begin van de eerste wereldoorlog, is in verschillende opzichten vrijwel geheel verdwenen. De tegenwoordige klasse van werknemers wordt bijna geheel door landbouwers gevormd, die naar de steden de gewoonten en herinneringen van hun dorp meebrengen. De grote meerderheid der werknemers stelt niet het minste belang in de Partij. Maar de bovenlaag van meer actieve en ambitieuze arbeiders trekt in het oog vallende voordelen van het lidmaatschap der Partij, en betekent een waardevolle versterking voor haar.

De derde klasse, de landbouwers, bijna allen gecollectiveerd, omvat de helft van de totale arbeidende bevolking. Hoewel er een groeiende differentiatie is, door de oorlog nog onderstreept, tussen de armen en de welgestelden, vertoont het bestaan der landbouwers in het algemeen veel gelijkenis met de vroegere orde, nu met de Staat als meester in de plaats van de particuliere landheren. De landbouwende bevolking blijft zonder enige onafhankelijke politieke of andere organisatie. Zij heeft noch de kracht, noch de ervaring, noch de eenheid, nodig voor welk politiek initiatief dan ook, doch de belangen van deze grote massa der bevolking zullen zich ongetwijfeld doen gelden in tijden van politieke crises.

Op de vierde plaats staat een opmerkelijk verschijnsel der Sovjet-economie, n.l. het gebruik op zeer grote schaal van dwangarbeiders in concentratiekampen. Een nauwkeurige schatting van het aantal dat hierbij betrokken is, kan niet gegeven worden, maar dit ligt zeker niet beneden, waarschijnlijk zelfs boven, het totale aantal der vrije industrie-arbeiders in Rusland. Deze aangelegenheid wordt verborgen achter een scherm van geheimhouding. Tot hen, die veroordeeld zijn tot dwangarbeid, behoren misdadigers, koelakken (rijke boeren), politieke tegenstanders van het regiem, en volksgroepen die als voorzorgsmaatregel uit hun gebied verbannen zijn.

De leidinggevende kracht van de gehele Sovjet-maatschappij is de Communistische Partij, die op het ogenblik een ledental van vijf millioen heeft, waarbij nog komen zeventien millioen aanhangers van de Communistische Jeugd-Liga. Maar het werkzame element in de Partij omvat niet

meer dan een paar duizend leden. De communistische opvatting van een Partij vertoont gelijkenis met het officieren-korps, dat een leger organiseert.

De pijler waarop de macht van de regering berust is de politie, vroeger bekend als de O.G.P.U. (Gepeoe), nu als N.K.V.D. Slechts de volstrekte solidariteit van de hoge Partijleiders en de N.K.V.D. maakt het bestaan van de Sovjetstaat mogelijk. De N.K.V.D. doet dienst als tegenwicht voor en controle op het leger, zuivert dit als het nodig is, en arresteert legerleiders die politieke verdenking staan. De N.K.V.D. is geheel te beschouwen als een werkelijk leger, met eigen officieren, artillerie en luchtmacht. Vóór de oorlog werd dit leger geschat op een sterkte van een kwart millioen.

leder lid van de Communistische Partij is verplicht, de N.K.V.D. op de hoogte te houden van alles wat hij hoort of ziet, dat van belang kan zijn voor de Partij. Behalve deze algemene verplichting voor alle Partijleden zijn er nog duizenden speciale aanbrengers, wier werk het is, inlichtingen te verzamelen aangaande alle aspecten van het maatschappelijk leven. Vele duizenden niet-Partij leden doen in de zelfde functie dienst. Dit zijn personen, die op de een of andere tijd onder verdenking kwamen, en in vrijheid gelaten zijn op voorwaarde, dat zij als vaste aanbrengers de staat zouden dienen. De aanwezigheid van aanbrengers in elke niet-politieke groep, elke amusementsgelegenheid en elk huiscomit'é wordt geaccepteerd als een vanzelfsprekende zaak.

Is dit het ware Rusland?

Uit de „Christian News Letter”.

Het heilig experiment der Quakers

Over naam- en daad-Christendom

Toen Columbus op z’n tweede tocht naar de nieuwe wereld bloedhonden meenam tgen de inboorlingen, toen was daarmee voor de volgende eeuwen de houding bepaald, waarin vele Europeanen de inlanders tegemoet zouden treden: op goud belust, grepen zij met gierige hand alles wat binnen hun bereik kwam; stonden klaar met het geweer als de beroofde Indianen, moe getergd, wraak kwamen nemen over al het geleden onrecht; en spraken dan in huichelachtige verontwaardiging over de trouweloze Roodhuiden, die ’s nachts de Europeanen heimelijk overvielen en dan vrouwen noch kinderen spaarden.

Wie dan ook als kolonist naar Amerika trok, wist dat hij, tot de tanden gewapend, steeds op z’n hoede moest zijn tegen overvallen. Dan bouwde men stevige forten, bewapende die met kanonnen, vreesde God en hield z’n kruit droog.

Niet alle kolonisten waren evenwel zo. Maar het droevige was dat de goedwiilenden moesten lijden onder wat de kwaden vóór hen bij de Indianen bedorven hadden. Daarom durfden ook zy het niet zonder geweren en forten te stellen, omdat ook zij werden beheerst door de vrees voor Indiaanse overvallen. Deze vicieuze cirkel van geweld-haat-wraak-sterker geweld nieuwe haat en feller wraak scheen niet meer te doorbreken, totdat

Totdat William Penn besloot uit Engeland, waar hij en z’n mede-Quakers veel vervolging te verduren hadden, weg te trekken en in Amerika te stichten „a free colony for mankind” echter zonder soldaten, zonder geweren en zonder forten.

Een dwaas, ja een goddeloos experiment zo oordeelden z’n tijdgenoten. Neen, zeide Penn een heilig experiment: „God heeft mij dit land gegeven voor het aangezicht

der wereld. Hij zal het zegenen en het maken tot het zaad van een volk”.

Over dit heilig experiment (waarover de meeste geschiedenisboeken, ook de christelijke, zwijgen), wilde ik u iets meer vertellen.

Hy was van afkomst en opleiding allesbehalve wat wij een pacifist zouden noe— deze William Penn. Z’n vader was een bekend admiraal en William scheen bestemd zijn vader’s loopbaan te volgen. Het huis waarin hij werd grootgebracht keek uit op de marinewerven aan de Theems, en de gesprekken thuis liepen voortdurend over militaire zaken en krijgsverrichtingen.

In 1655 hij was toen elf jaar had de jonge William een merkwaardige religieuze belevenis. Hij was alleen in z’n kamer en het gevoel van Gods nabijheid was zo werkelijk dat het was als een helder licht, dat in z’n hart scheen en een stem vermaande hem een zuiver en heilig leven te leiden.

Hoewel deze eerste belevenis in later jaren schijnbaar overwoekerd werd door wereldse zorgen, is hij toch steeds hem bijgebleven als een onder de as smeulend vuur. Tot de dag, waarop hij bewust voor Christus koos en Zijn smaadheid wilde dragen.

Zijn smaadheid want de Quakers, waar William Penn zich bij had aangesloten, waren toen een ernstig vervolgde secte.

George Fox, de stichter, had z’n mening omtrent de officiële kerk niet onder stoelen of banken gestoken. Waar hij een kerkgebouw (een „torenhuis” noemde hij het, want het was geen echte „kerk” volgens hem) waar hij zo’n torenhuis binnentrad en bemerkte dat de geestelijke geen leVend en waarachtig christendom bracht, doch was nageprate dogma’s, daar hield Fox z’n mond niet, maar wedersprak hem openlijk; met dit gevolg, dat volijverige gemeenteleden het dan voor hun geestelijke opnamen en Fox de kerk uitsloegen soms met behulp van stevige bijbels.

Herhaaldelijk werd hij in de gevangenis geworpen en kreeg hij tuchthuisstrafmaar met verontwaardiging wees hij het af vrij te komen door dienst te nemen in ’t leger.

„Ik zag in”, zoo schrijft Fox in z’n dagboek, „waaruit alle oorlog voortkwam en verzekerde hun, dat ik in’ de kracht van dat Leven, dat de oorzaken van de krijg wegneemt.”

Legde Fox zijn volgelingen dan dienstweigering op als plicht? Geenszins. Toen William Penn hem eens vroeg of hij zijn degen nog wel kon blijven dragen als Quaker, zeide Fox- Draag hem, zolang ge kunt.” Met andere”woorden: Als het je niet van binnen uit onmogelijk wordt, doe dan alsjeblieft geen uiterlijke daad, die dan toch maar ijdel vertoon zou zijn.

Het werd Penn inderdaad ónmogelijk langer de wapenen te dragen. Hij was enthousiast officier geweest en had zich met zekere trots als zodanig laten schilderen Het was merkwaardige ironie het enige portret dat het nageslacht van dezen man des vredes zou overhouden, Maar steeds benauwder kreeg Penn het in zijn vaderland. Herhaaldelijk komt ook hij met den rechter in aanraking. En als hij bemerkt, dat men desnoods het recht verdraait om deze lastige Quakers maar te kunnen veroordelen; als hij ook ziet dat

er van zijn ideaal van echte godsdienstige verdraagzaamheid niets terecht komt; dan vindt zijn plan steeds vaster vorm: A free colony for mankind een vrije kolonie, waar ieder mens God zou kunnen dienen, zoals zijn hart het hem ingaf.

Toen admiraal Penn stierf had hij z’n zoon een vordering van £ 15.000 op de Staat na,gelaten. De Engelse staat had echter juist weinig geld voorhanden en ging dus gretig in op ’t voorstel van William Penn, hem in ruil voor die vordering een groot woudrijk stuk land in Amerika over te dragen. ~Sylvania” zo wilde de nieuwe eigenaar het noemen naar de uitgestrekte bossen (latijn silva = bos) die er in voor kwamen. De koning stond er toen op, dat hij daaraan „Penn” zou toevoegen, ter nagedachtenis van zijn groten admiraal. Zo werd dus Pennsylvania het land, waar William „the holy experiment” zou gaan beginnen.

Toen het bekend werd, dat hij het zonder soldaten, forten en kanonnen wilde stellen, voorspelden velen, dat z’n kolonie wel spoedig door de Indianen zou zijn vernield. Men verklaarde hem voor gek. Maar goed, als hij dat nu eenmaal wilde proberen, dan moest hij ’t zelf maar weten. Zo oordeelde men in Engeland.

In Amerika zelf waren velen echter nog van een gans andere, en heel wat minder tolerante mening. Men vond hem niet een ongevaarlijken, maar een gevaarlijken gek; en terwijl Penn zich met nog plm. 100 andere „Friends” (zoals de Quakers zichzelf noemden) had ingescheept op de Welcome en op 1 September 1682 onder zeil was gegaan, maakte men zich aan de overzijde van de Oceaan al vast gereed voor een allesbehalve hartelijke ontvangst.

Er is een brief bewaard gebleven, die een-zekere Cotton Mather op 15 Sept. 1682 schreef aan John Higginson, die te merkwaardig is om er niet een of ander uit te citeren. ’).

„Er is nu een schip op zee genaamd „the Welcome”, kapitein R. Greenway, dat een goeide honderd van die ketters en booswichten, genaamd Quakers aan boord heeft, met W. Penne, die de opperboef is (who is ye chief scampe) aan het hoofd. Het algemeen Gerechtshof heeft dan ook geheime orders gegeven aan kapitein Malachi Huxet van de brik Porposse, om genoemde Welcome zo dicht mogelijk bij de kust van Codde op te vangen, en genoemde Penn met zijn goddeloze manschap („and his ungodlie crew”) gevangen te nemen, zo dat de Heer moge worden verheerlijkt en niet bespot op de bodem van dit nieuwe land, met de heidense eredienst van deze mensen.”

Hij voegt er dan aan toe: „Much spoyl can be made by selling ye whole lotte to Barbadoes, where slaves fetch good prices in rumme and sugar, and we shall not only do ye Lord great service bij punishing ye wicked, but shall make great gayne for his ministers and people. Masther Huxett feels hopeful, and I will set down the news he brings when his shippe gets back Yours in ye bowells of Christ.”")

Terwijl de heer Cotton Mather deze brief schreef was de „chief scampe” William

‘) Zie Edward D. Neill: The English Colonlsation of Amerika bladz. 307. Geciteerd bij Quack; De Socialisten, deel I blz. 471.

-) „Er kan een flinke winst worden gemaakt door ’t hele zaakje naar Barbados te verkopen, wa,ar slaven een goede prijs .opbrengen in rum en suiker, en wij zullen niet alleen den Here een grote dienst doen door de bozen te straffen, maar ook een Hinke winst maken voor zijn dienaren en volk. Kapitein Hunett is hoopvol gestemd en ik zal u bericht sturen zodra zijn schip terug is. Uw toegenegene in de ingewanden van Christus.”

Arbeid^aardcring

Op de arbeid van den gewonen werker heeft men dikwijls minachtend neergezien. In de oudheid waren het vooral de Griekse wijsgeren en de Egyptenaren, die met verachting neerzagen op de arbeid van de handwerklieden. Plato b.v. stelde de lagere handel en het handwerk op één lijn; hij noemde het een verachtelijk bedrijf. Bij de Romeinen was het niet veel beter; zo werden ambacht, handel en marskramerij, door de wetten van Romulus en Servius als oneervol verklaard. Nog geen eeuw geleden, was het in ons land niet veel beter. Een arbeider werd beschouwd als een arme en als zodanig ook behandeld. Verkerende in de mening, dat God de standen heeft gewild, vreesde men, dat de arbeider zich boven zijn stand zou gaan verheffen. Ontwikkeling voor den arbeider achtte men niet nodig; hij had er trouwens ook geen tijd voor: heel zijn dag en vaak nog een stuk van de nacht erbij, werd in beslag genomen door zijn werkgever. Niet het moreel van den arbeider, maar zijn arbeidskracht was nodig voor bedrijfseconomie. Dat een vakman acht a tien gulden per week verdiende, is een even duidelijk als schreiend bewijs van de arbeidswaardering in de vorige eeuw.

De tijden zijn veranderd. Maar, hoewel de arbeid opgeheven is uit het zuigende

sh]k van het liberale kapitalisme der vorige eeuw, er zijn niettemin ook in deze tijd nog krachten werkzaam, die de arbeid trachten te verlagen en te brengen op het niveau van den arme. Voor een gezonde en sterke socialistische maatschappij is de waardering van de arbeid eerste voorwaarde. Zij is het onmisbare fundament voor de opbouw van het gebouw „Socialisme”, waarin het volk zich zelven zal vmden m ware gemeenschap. Het sociale geweten van den arbeider is mede afhankelijk van de eigenwaarde, die hij bezit en welke voortvloeit uit de waardering, die hij vindt voor zijn arbeid. Hoewel onze strijd een cultuur- en rechtsstrijd is en niet alleen gericht is op materiële voordelen, zullen toch de lonen der arbeiders door hen gezien worden als eerste waardering voor hun arbeid.

Indien men den arbeider het loon onthoudt, waarop hij recht heeft, dan zal een minderwaardigheidsgevoel hen ontmoedigen en teleurstellen; deze depressie zal omslaan in ontevredenheid, om uiteindelijk te eindigen in onverschilligheid. In deze tijd van herstel en vernieuwing, moeten zij, die de lonen vaststellen, rekening houden met deze factoren, welke funest zijn voor het komen van een socialistische maatschappij.

HARM. DE JONG.