is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 22, 02-03-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het HUMANISTISCH Verbond

Zo is dan, blijkens een bericht in het „Algemeen Handelsblad” van 21 Februari, een „Humanistisch Verbond” opgericht.

Getrouwe lezers zullen zich herinneren, dat ik bij de eerste publicaties van de Stichting voor Maatschappelijk werk op Humanistische grondslag enige opmerkingen in T. en T. van 3 Nov. ’45 maakte, waaruit meer afwijzing dan sympathie kon blijken. Ik moet er bij zeggen (en zal daar te zijner tij dook van getuigen), dat de latere publicaties van deze stichting mij milder jegens haar hebben gestemd.

Nu staan wij voor een nieuwe organisatie op humanistische grondslag en nu vraagt ook deze een voorlopig commentaar. Het Humanistisch Verbond wil Nederlanders, die zich op een niet-confessioneel standpunt stellen en die zedelijke normen erkennen en zedelijke waarden willen verwerkelijken, samenbrengen. Het wil hun een zeker houvast geven in levens- en wereldbeschouwing op de basis van de rede. Aldus de mede-

deling van het Handelsblad. Zie ik goed, dan liggen hierin twee motieven. In de eerste plaats is deze organisatie geboren uit verontrusting over de leegheid van de levens van hen, die nergens meer aan doen. Die geen lijn zien, geen fundament, geen „houvast” hebben. Die daardoor gaan leven’uit allerlei troebele sentimenten èn (wat erger is) ressentimenten. Op dit punt zeggen wij: laten wij elkaar de hand reiken; deze verontrusting delen wij.

Anderzijds is de oprichting duidelijk een reactie op de verhoogde activiteit van de kerken. Deze verhoogde activiteit brengt een kant van de kerk naar voren, die zij altijd gehad heeft, maar die zeker wat de Hervormde Kerk betreft niet altijd werkzaam is geweest, n.l. haar geestelijk imperialisme. De Kerk komt met grote stelligheid een geloofswaarheid verkondigen, die ik geef het toe irriterend kan werken. Die vooral prikkelt, wanneer kleinere geesten zich er groot mee maken en hoog van de toren blazen.

De reactie van het „grote publiek” is enerzijds een schouderophalen, waarbij het mompelt „asjemenou”, anderzijds een toch geïmponeerd worden door de stelligheid, waarmee deze waarheid naar voren wordt gebracht, maar óók door de levensechtheid, die in deze waarheid schuilt. Het Humanistisch Verbond laat een andere reactie zien. Die van een waardig antwoord, door het materiaal aan te dragen voor een geestelijk tehuis, dat betrokken kan worden door hen, die anders, omdat ze toch wat willen, bij een of andere kerkformatie terecht komen.

De stichters namen als die van prof. Hoeting, dr. Brandt Corstius, drs. J. P. van Praag, jirof. Tielrooy, mr. Waslander en dr. Garmt Stuiveling staan er borg voor willen hier op verantwoorde wijze in een leemte voorzien en willen vormgevend optreden. Want, zo stel ik mij voor, zij geloven, dat er buiten de kerken voldoende geestelijke krachten leven om scholend, leidinggevend, geesten-wekkend op te treden, ja, om tot een eigen positieve getuigenis te komen.

Hoe zal de kerk hierop reageren? Mij dunkt, dat de meeste kerkformaties althans voorzover zij zich voor het geestelijk welzijn van het ganse volk verantwoordelijk weten de oprichting van een dergelijk verbond alleen maar kunnen toejuichen. In de grond van de zaak ligt haar taak niet onmiddellijk bij de geestelijk behoeftelozen, maar eerder bij hen, die geschrokken zijn van de vaalheid der massa. Zij wil niet heersen, maar ruimte hebben om de waarheid, waarvan zijn daagster is, te verkondigen. Het Humanistisch Verbond zal ongetwijfeld zich steeds met de „oplossingen”, de woorden van de kerk hebben bezig te houden Hieruit zullen zeker figuurlijk, maar ook wel letterlijk gesprekken aan de ronde tafel moeten voortvloeien. Men kan er zeker van zijn, dat de kerk deze stroming, zo zij werkelijk gestalte krijgt, niet zal loslaten uit haar aandacht. En dat kon voor de kerk (zoveel humanist ben ik heus nog wel) wel eens een gezegende noodzaak zijn en haar bescheidener, minder krampachtig-getuigend maken.

Anderzijds mogen wij niet verhelen, dat het Humanistisch Verbond tegenover de massa èn tegenover de kerk in een moeilijk parket staat. Juist omdat zij humanistisch is, heeft zij de neiging naar abstracties. Begrippen en normen bewegen den humanist. Zijn moeilijkheid is, dat hij niet beschikt over een beeldend apparatuur. Terwijl de kerk uitgaat van gebeurtenissen, van „feiten”, van een beeldende prediking (wie denkt daarbij niet aan de gelijkenissen, of aan kruis en opstanding), gaat de humanist uit van begrippen, die hij ontleent aan de menselijke, doorvorsbare werkelijkheid. De kerk zegt

... zeer veel onbegrijpelijks, maar haar ligt in enkele zeer eenvoudige, zij het voor het demen volledig te „rechtvaardigen geteurtenissen rn®t rondom Jezus Christus. Het Humamsme heeft in de loop der geschiedenis zwr veel gestalten aangenomen, is steeds begeleidend » weest, en gaat met terug op „heilsfeiten Het gaat uit van de Nu dmsterder is er m de ganse schepping met te vinden. Wij kunnen ons vergissen, ofschoon wij d oprichting van het Humanistisch verbond als yo – strekt noodzakelijk begroeten, wij geloven toch me o, het grote massa s der onkerkejijken kan is alle eeuwen door de waarop het Humanistisch Verbond denkt te werken. Dat is geen bewijs tegen het Humanisme, het is

alleen een feit, dat met zijn innerlijke structuur samenhangt en waarmee zij in haar organisatie rekening moet houden.

Intussen: dat Humanisten elkander vinden, nogmaals, het is begrijpelijk en het is nodig. Nodig voor de samenleving, waar in de stem de warme, verantwoorde nuchterheid niet mag ontbreken. Nodig ook, nu in de fundering van de Partij van de Arbeid het Humanisme als een van de bronnen harer strijd wordt aangewezen.

Maar de massa dan? De massa, die in nood verkeert. Moeten wij die dan maar overlaten aan haar eigen hartstochten, of als jachtterrein voor kerke-Jijke zending? aldus zal een buitenkerkelijke humanist vragen.

Ik antwoord: allerminst. De geestelijke vorming van de massa is een zaak, die onder leiding van de overheid, door particuliere, daartoe speciaal gevormde instanties, met medewerking èn van kerkelijken èn van buitenkerkelijken, geschieden moet. Zedelijk-geestelijke vorming is immers een zaak van het vormen van een klimaat, van een milieu van fatsoen, van geestelijke orde, en van het geven van elementaire scholing op allerlei gebied.

Het is te hopen, dat het Humanistisch Verbond een middel zal zijn, om velen, die tot nu toe buiten enig geestelijk verband staan, tot deze arbeid te wekken en in eigen kring voor te bereiden. Dan voorziet het in een dringende behoefte. Maar kerken, ook al is het een humanistische, hebben wij al rijkelijk veel! L. H. RUITENBERG.

I4ranig Engeland

Onder het gedaver der wereldpolitiek raakt de binnenlandse ontwikkeling in de landen waar die niet tot felle uitbarstingen voert en dus vanzeh een vruchtbaarder karakter draagt, al te spoedig vergeten. Zo realiseren wij ons te weinig dat reeds nu, zo spoedig na de oorlog, in Engeland ernst gemaakt wordt met de verwezenlijking van beloften, ten eerste die tijdens de oorlog waren gedaan, ten tweede, die volgen uit de overwinning van de Arbeiderspartij bij de recente verkiezingen.

Intussen hangen de oorlog en de zo onverwachte uitslag van de verkiezingsstrijd wel degelijk samen. In de oorlog is opnieuw gebleken dat de kracht en de welvaart van een land niet slechts afhankelijk zijn van de ijver en kundigheid van zijn bevolking, maar ook van de wijze waarop de economische krachten worden georganiseerd. De oorlogsactiviteit heeft onder het Engelse volk de afkeer doen toenemen van een economisch systeem waaronder de tergende werkloosheid uit de dertiger jaren mogelijk bleek. Labour beloofde voortzetting van de geordende economie; conservatieven en liberalen, die ten dele de juistheid hiervan ook wel inzagen, bleven in werfkracht achter.

Het is verbazingwekkend achteraf te lezen en te overdenken wat een enorme hoeveelheid moeilijk werk er in de oorlogsjaren in het zo op vrede en goede verstandhouding der volken ingestelde Engeland verzet is. Al te vaak hebben wij ons in ongeduldige buien tijdens de oorlogsjaren geërgerd aan het langzame opschieten van de Engelsen. En toch moesten we de juistheid begrijpen van Churchill’s woorden dat fabrieken die nog gebouwd moesten worden pas na een paar jaar konden gaan afleveren. Een prachtige publicatie over de prestaties van het Britse volk in oorlogstijd is het door de Times uitgegeven ~A Record of British war production”. Nauwkeurig vindt men hierin de talrijke facetten van de omschakeling van een vredesland naar een oorlogssamenleving op de voet gevolgd. Alle problemen grijpen in elkaar. Eerst moet georganiseerd worden zodat alles op papier klopt. Dan komt de industrialisatie, de aantrekking van arbeidskrachten uit minder nuttige beroepen of gehuwde vrouwen het verschaffen van grondstoffen ondanks duikboot- en andere gevaren. Maar onmiddellijk zit men dan in de problemen van coördinatie, van prijscontrole (er wordt meer geld verdiend dan er in verhouding consumptiegoederen geproduceerd worden), van financiering en in verband daarmee van het banksysteem, van wetenschappelijk onderzoek, van sociale zorg voor de nieuwe arbeiders.

Een probleem op zichzelf was wat en in welke verhouding er geproduceerd moest worden. Moesten de behoeften van de vloot voor die van het leger gaan, of die van de luchtmacht? En wat voor typen? En dan bleven er de behoeften van de spoorwegen en de handelsscheepvaart. Bijzondere attentie kregen nieuwe en zich snel vernieuwende toegepaste wetenschappen die dan ook opmerkelijke prestaties afwierpen zoals radar en producten der electrotechniek en der chemie; deze laatste vooral op het gebied der z.g. werkstoffen en chemicaliën. Voeg hierbij dat alles gecoördineerd moest worden met over-

eenkomstige arbeid in de dominions en van de bondgenoten; én dat deze nieuwe industriële revolutie gepaard ging met een strijd om het bestaan, dagelijks gevoerd tegen Duitse vliegtuigen, duikboten, landingsdreigingen en vliegende bommen. Tegelijkertijd vochten Engelse troepen op vele fronten en verrichtten elders een nuttige beveiligende taak door er, zoals in Syrië, alleen maar te zijn. Men kan zonder enige overdrijving spreken van een oorlogsinspanning van het gehele Engelse volk. Göbbejs heeft tot zijn eigen verbazing meer dan eens deze „slome” Engelsen aan zijn Duitsers ten voorbeeld moetén stellen.

Men had het Engelse volk dat zoveel voor de wereld in het algemeen en voor de bevrijding van ons land in het bijzonder gedaan heeft, gaarne wat vacantie gegund. Die vacantie heeft het niet gekregen. Het heeft zijn overwinning gevierd in de verkiezingen die zo duidelijk aan het verlangen naar een betere wereld uiting gaven en verder in een moeizame terugkeer naar het gewone leven. Demobilisatie is nog steeds één van de acuutste problemen. De mensen willen naar huis. Maar helaas blijkt dan dat de weg terug in meer dan één opzicht moeilijk is. In ingezonden stukken vindt men de klachten van bescheiden en beschaafde officieren en soldaten, die gaarne het hun toegeroepen „welkom thuis” wat concreter gedemonstreerd zagen. Maar daar staat een fijn artikeltje in de Spectator tegenover van een jongen, die, eindelijk uit dienst, nu student kan wezen en zich met hart en ziel op zijn studie geworpen heeft.

In menig opzicht heeft de oorlog Engeland gerevolutionneerd. Men zou zeggen: evenwichter dan hij het ons volk gedaan heeft en ook grondiger, degelijker, doordat er geen krampachtige verzetshouding bestond. Men werkte mee, want men wist waarvoor het was. Men wist ook dat er opofferingen nodig zouden zijn om de winst van de betrekkelijk grote notionale eenheid te kumien opstrijken. Zo was het plan Beveridge, dat sociale zekerheid beoogde te verwezenlijken, bedoeld en begrepen. Op het ogenblik is het wetsontwerp op de nationale verzekering, dat weinig van het door Beveridge voorgestelde plan afwijkt, bij het parlement in behandeling; wet geworden zal het lederen Engelsman "vrijdom van gebrek” verzekeren van wieg tot graf. Wij geloven dat het Engelse volk dit heeft verdiend; zijn houding in oorlogstijd doet vermoeden, dat er geen misbruik van zal worden gemaakt. Saboteren heeft men helaas in bezet gebied grondiger geleerd dan ginds. Tevens behandelt het Lagerhuis thans de wet op de nationalisatie der kolenmijnen, die in deze bedrijfstak eindelijk de zo dringend nodige technische en sociale hervormingen aanbrengt. Engeland gaat in zijn buitenlandse politiek nog vele moeilijkheden tegemoet. Het is goed dat die politiek een nationale is, niet gebonden aan partij-overwegingen. Ze kan gedragen worden door een volk dat door de laatste moeilijke jaren niet uit zijn lood geslagen werd, maar zichzelf in betrekkelijk grote eensgezindheid met een welverdiend zelfvertrouwen heeft teruggevonden. 20 Februari, 1946 A. E. COHEN.