is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 23, 09-03-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Üi^^gL

ZATERDAG 9 MAART 1946 No. 23

Aan God behoort de aarde en haar volheid. Psalm 24:1

ONAFHANKELIJK WEEÎBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME

ONDER REDACTIE VAN Dr. W. BANNING EN Ds. J. J. BUSKES Jr. ADRES DER REDACtIE: HEKELVELD 15. AMSTERDAM-CENTR.

VERSCHIJNT VIJFTIG MAAL PER JAAR – 44ste JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD

ABONNEMENT BIJ VOORUITBETALING PER JAAR ƒB.OO, HALFJAAR ƒ4.25, KWARTAAL ƒ 2.30 PLUS ƒ 0.15 INCASSO. LOSSE NUMMERS f 0.15 POSTGIRO 21876 GEMEENTE GIRO V 4500 ADMINISTRATIE: N.V. DE ARBEIDERSPERS, HEKELVELD 15, AMSTERDAM-CENTRUM

RELIGIE

in de moderne maatschappij

lemand dien ik heel goed ken zo goed als mijn ander ik heeft de onhebbelijke, hinderlijke gewoonte om mij voortdurend soms met lichte spot, soms met vlymscherpe hoon tegen te spreken, bij voorkeur op ogenblikken, dat ik het moeilijk verdraag. Na een „geestdriftig” betoog over de apostolische profetische roeping van de kerk, neemt hy me apart in een hoekje, onder vier ogen, en zegt spottend: „je méént het, hè, wat je zo even zei... en het dééd het ook wel, maar je wéét toch... je wéét toch van de asfaltcultuur van onze grote steden, je wéét van het harde, onbarmhartige zakenleven met z’n moordende concurrentie, je wéét van de brutale machtsstrijd in de gróte politiek en in de kleine, je weet toch van de danswoede en de lege levens van de grauwe massa... dat alles wéét je, en wou je dan nog plaats vragen voor het geloof, voor het Evangelie, anders dan op de Zondagmorgen voor het handjevol tamme burgers, dat maatschappelijk tóch niets betekent? Waarom verstoppen jullie je altyd voor de nuchtere werkelykheid: de grote massa heeft niet alleen jullie dominees en je kerk niet nodig, maar ook de religie niet, en ook God niet... ze redden zich best zonder, vinden het leven volstrekt niet zo moeilijk en diepzinnig... en de dood? Zou die, nadat wij zo vele doden hebben gezien, ons nog verontrusten?”

Ik moet het myn vriend alles toegeven: de moderne maatschappij, de geest die haar drijft, de doeleinden die zij najaagt, de moderne mens... zy zyn volstrekt vijandig aan het diepere leven, waarvoor de kerk ruimte vraagt. Zal ik mij toch verzetten en hem tegenspreken? Zal ik hem zeggen, dat de moderne mens dan ook dodelijk arm is, en niets verstaat van de verborgen rijkdom, die in het leven ligt voor wie met oog en ziel door geloof geopend, eerbiedig zyn weg zoekt? Zal ik de concrete voorbeelden noemen? Als het liefdeleven enkel maar is het sexueel genieten, zonder besef van de geestelyke metafysische verworteling, dat dan een armoede grijnst van achter de zinneiyke bevredi-

ging? Als de geboorte van een eigen kind enkel maar is de vrucht van een natuurlijk proces, al dan niet gewild, en ouders niet meer ontroerd kunnen stameieu of stil worden om een nieuw hart, een nieuw geweten, dat geschonken wordt, dat dan het geheim is weggevlucht uit deze kilheid waar het niet wonen kan? Wat zou mijn tegenspreken geven? Wat zou het veranderen aan het feit dat inderdaad de moderne maatschappy volstrekt vijandig is aan de wereld van het Evangelie?

Ik spreek mijn vriend dus niet tegen... of het moest zijn om hem te zeggen, dat hij ditmaal niet scherp genoeg is geweest, en my onnodig en gevaarlyk heeft gespaard. Want inderdaad is de feitelyke situatie véél ernstiger. Er staan n.l. direct brave en goedwillende en soms zeer geleerde en diepzinnige verdedigers van de godsdienst klaar oin te betogen: dat het zo altijd geweest is, dat er in iederen mens steeds de vijandschap huist tegen de heilige wil van God, dat men in elke tyd en in elke maatschappy Christus heeft uitgeworpen, verloochend, verraden. Dit laatste zal ik niet ontkennen alleen: het slaat niet op ons probleem. Er waren tijden, waarin „men” nog besefte, dat geboorte, huweiyk en dood iets van het mysterie aan zich hadden, waarvoor een mens eerbiedig stil stond terwijl deze, onze tijd, dit besef ten enenmale mist. Er waren tyden, waarin algemeen erkend wordt, dat achter dit smartelijk verscheurde en nochtans grootse heerlyke leven een heilige Liefdewil stond, die de kleine mens met zijn bestaan had te gehoorzamen en te dienen. Er waren tijden, waarin men wist, dat een mens, een groep, een volk, eerst op de knieën moet, eerst geslagen moet worden door een verheven geestelyke werkelijkheid, eer iets waarlijk groots kan worden geschapen. Dit alles missen wy, en wij missen het zonder er om te treuren, zonder aan het gemis onze armoede te ontdekken. Dat is niet van alle tijden, dat is „modern”. En dus? Laat ik dan het laatste woord aan mijn spottenden, honenden, nuchteren vriend? en aan deze nuchtere, brutaal on-

barmhartige, moderne maatschappij, die alle diepere geestesleven doet verkommeren? Er staan in dit artikel al een vrij groot aantal vraagtekens, er kan aan het slot nog wel een groot vraagteken bij.

Dezer dagen las ik opnieuw beschouwingen over de verbijsterende ontdekking van deze jaren: de atoombom. Een aantal Amerikaanse en Engelse natuurkundigen, die het weten omdat zij volkomen op de hoogte zijn, hebben tamelijk dreigend tot hun regeringen gesproken, en voorzorgsmaatregelen geëist neemt de regering deze niet, dan zullen zij, de natuurkundigen, spreken en de gevangenisstraf niet vrezen. Deze mensen weten niet alleen, hoe verwoestend de atoombom zijn zal, zij zijn in hun geweten verontrust en spreken een taal, zoals de Bijbel die kent als het gaat over het laatste oordeel en het einde aller dingen. Uit de beschouwing, die ik las, blijkt met geen woord, dat deze natuurkundigen godsdienstig of Christen zijn. Maar wèl, dat zij spreken uit verantwoordelijkheid. Is het misschien zo, dat wij verborgen heilige diepten in geboorte, huwelijk, dood niet meer zien, maar nog wel een huivering kennen om de „verantwoordelijkheid” voor het mensenleven, voor gerechtigheid, voor den naaste? Wij hebben het over de religie in onze moderne maatschappij. En ik bedoel, ook na de hoon van mijn vriend onder vier ogen dat wij de moderne wereld te lijf moeten, dat wij de harde, bittere worsteling in Gods naam moeten aanvaarden. Waèr zullen wij dan de leiders van deze wereld moeten en kunnen aanspreken? Zij geven zelf een voorbeeld: zij spreken uit verantwoordelijkheid en worden op hun wijze profetisch. Ik kijk dat zwaargeladen woord opnieuw aan, met in mij heugenis aan schending, misdaad, onrecht, moord van oorlog en bezetting. Ligt er niet ergens een anker uitgeworpen, waarvoor dit scheepje van onze verantwoordelijkheid vast ligt, verankerd in Gods eeuwige werkelijkheid, die ons uit onze armoe roept? En geeft niet het Evangelie aan de verantwoordelijkheid haar diepste Inhoud? g