is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 23, 09-03-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Welke vogels zijn hier in de winter?

Verschillende uilen zijn wij in de winter eveneens rijk; de steenuil, een algemene broedvogel in nagenoeg geheel ons land, is dan uit de aard der zaak een gewone verschijning, daar hij standyogel is en hoogstens wat rondzwerft. Hij is vermaard als muizenverdelger, doch versmaadt vogels evenmin. De jagers zijn nogal op hem gebeten. Wat de Nederlandse ransuilen betreft, deze zijn gedeeltelijk trekkers, gedeeltelijk honkvast; vogels uit Noordelijk Europees gebied brengen hier bovendien de winter door, soms zeer talrijk. Het „gezelligheidsinstinct” is bij hen sterk ontwikkeld, zodat men ze soms in clubjes in hun slaapbomen kan zien zitten. Tot de overwinteraars behoort voorts de velduil, die ook vaak in troepen wordt waargenomen (aan de Eemmond komt hij talrijk voor), de bosuil en de kerkuil. In strenge winters komen door voedselgebrek soms heel wat uilen om.

De vogels, waarmee wij ons tot dusver bezig hielden, waren zo goed als alle landdieren, d.w.z. soorten, die op de vaste grond of in het geboomte hun voedsel plegen te verzamelen. De volgende notities hebben echter betrekking op soorten, die verblijven in moerassen en plassen, langs de kusten en op de zeeën en die over het algemeen aangewezen zijn op het water, dat hun voedsel verschaft.

De grauwe gans, de soort, die in het begin van de twintigste eeuw nog in midden-Friesland broedde, maar er nu als zodanig uitgestorven is, overwintert in beperkten getale in ons land; uit het vorenstaande blijkt, dat dit buitenlandse vertegenwoordigers zijn. Algemener ten onzent als winter-

gast Is de kolgans, een toendrabewoner, wiens broedgebied o.a. In het Noorden van Rusland en op Nova-Zembla Is gelegen, zeldzamer dan laatstgenoemde soort komt In het winterseizoen bij ons de dwerggans voor, die In de Siberische toendra’s thuishoort. De meeste ganzen, die wij hier ’s winters waarnemen en wier vlucht, vaak in V-vorm, zozeer tot de verbeelding spreekt, zijn Intussen rletganzen, die In grote massa’s de slikken en overige kuststreken bevolken; ook ettelijke kleine rietganzen frequenteren’s winters hetzelfde gebied; vooral de Zeeuwse stromen oefenen een grote aantrekkingskracht op hen uit.

De vorengenoemde soorten waren alle vertegenwoordigers van het geslacht Anser, doch wij moeten ook nog enkele Brantasoorten noemen: de roodhalsgans weer een vogel van de Siberische toendra, die m deze contreien echter niet bijster vaak overwintert, de witgekopte brandgans met het zwarte borstschild, een dier, dat Spi sbergen. Groenland en Nova-Zembla bewoont; fel winterweer bevordert hier de waarnemlngskansen; kwelders en gorzen kunnen dan wemelen van de vogels.

Regelmatiger en In nog groter scharen vertoeven ten onzent, voornamelijk in het Waddengebied, de rotganzen donkere figumet een witte halsvlek, die zich bij voorkeur voeden met de wortels van zeegras (Zostera rnarlna L.), maar in de jaren 1931 en 1932 stierf het zeegras op zeer grote schaal af, zodat er aan de Zostera-overvloed een einde Is gekomen. De vogels moeten, door de nood gedwongen, nu met gewoon gras genoegen nemen.

Wij laten op de ganzen nu de bergeend volgen, omdat deze, de naam ten spijt, nauwer aan de ganzen dan aan de eenden is verwant. Schitterend steken de witte, zwarte en roodbruine kleuren van de vogel tegen elkaar af en het is een prachtig gezicht, wanneer men de bergeenden in onze kuststroken, waar zij ook broeden, in groten getale, kan gadeslaan. O.a. overwinteren zij gaarne in Zeeland, bij de Sloedam.

Het aantal wilde zwanen, dat bij ons de winter doorbrengt, is niet heel goed en hetzelfde kan van de knobbelzwaan worden gezegd, maar bij honderden vertoeft hier ’s winters de kleine zwaan. Het voornaamste concentratiegebied vormt het IJselmeer, waar zij zich te goed doen aan de wortels van het fonteinkruid.

Thans willen wij een ogenblik stilstaan bij de groep der zogenaamde zwemeenden, met andere woorden: In hoofdzaak de vertegenwoordigers voor het geslacht Anas. De rij openen wij met de wilde eend, ten aanzien waarvan opgemerkt kan worden, dat de meeste Nederlandse exemplaren van deze soort zich als standvogels gedragen; buitenlanders komen zich hier eveneens vestigen; o.a. vormen de Wadden ’s winters voor de vogels een belangrijk verzamelgebied. Massaal Is hier ’s winters bovendien het optreden van de wintertalingen, meest buitenlandse exemplaren, die soms bij honderden In de eendenkooien worden gevangen. De voormalige Zuiderzee oefent op de trekkers een geweldige aantrekkingskracht uit en zij doet dit ook op de smienten, die verder o.a. In grote aantallen overwinteren op de Wadden en de brede wateren tussen de Zeeuwse en Zuldhollandse eilanden. Verder kan men ze waarnemen In ons plassengebled.

Vaak bevinden zich In hun gezelschap pijlstaarten, die, mogen zij zoet boven zout en brak water prefereren, niettemin veel geziene gasten zijn In de kuststreken en op de grote rlveren. ’s Winters vertoeven daar ook wel slobeenden, maar hun aantal valt In het niet, wanneer men dit vergelijkt met de massa’s wintertalingen en smienten; bovendien Is de slobeend meer een dier van het zoete water.

Ook van de tafeleenden wat hebben die woerden prachtige kastanjebruine koppen! valt In de winter te genieten, omdat zij, echte zoetwater dieren als zij zijn, In sommige jaren zeer talrijk onze veenpiassen bevolken, waar dlkwljls-grote scharen kulfeenden, gemakkelijk herkenbaar aan hun witte zijden, hen gezelschap houden; wanneer het zeer fel gaat vriezen en de plassen met een Ijsvloer worden bedekt, zoeken de kulfeenden de kuststreken, waar nog open water Is, als voedselgebled op. Het Is ook In laatstgenoemde streken, dat men uit moet kijken naar de toppereenden, al mijden deze ’s winters geenszins de binnenwateren.

Een veel voorkomende overwinteraar op* zee, die echter ook In het binnenland op de rivieren herhaaldelijk wordt waargenomen, Is de brlldulker. In ongelooflijken getale verschijnen des winters boven de zee de zwarte zee-eenden; de aantallen lopen meermalen In de duizenden; wie langs de kust wandelt, ziet In de verte soms zonder ophouden de vogels In grote troepen over de golven scheren. In hetzelfde milieu kan men dan kennis maken met de bruine of grote zee-eend, maar deze soort Is door veel minder Individuen vertegenwoordigd. De zee- en kustgebieden bieden ook met betrekking tot de eldereend, die In ons land

REBEL MIJN HARL

Rebel, mijn hart, gekerkerd en geknecht, die aan de tralies van den al-dag rukt,

weest om Uw tijd’lijk lot geenszins bedrukt, al zijn Uw kluisters hard, de muren hecht.

Want in den aanvang werd het U voorzegd, dat het aan enkelen steeds gelukt

het juk te breken, dat hun schouders drukt, laat dus niet af, maar vecht en vecht en vecht.

Breekt uit en blaast de doove sintels aan, die zijn verdoken onder rookend puin;

vaart storm-gelijk over den lagen tuin, die Holland heet: slaat dood’lijk toe en snel,

opdat het kwaad schrik’lijk zal ondergaan, o hart, mijn hart, o bloedroode rebel.

Jan Campert f