is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 24, 16-03-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PROZA van het verzet

Een boek van Den Doolaard en een boek van Theun de Vries. Beide weer behouden binnen onze grenzen: Den Doolaard, die sprak voor de Brandaris en later voor Radio Oranje en van daar uit het verzet aanmoedigde; Theun de Vries, die in het eigen land kon ervaren wat bezetting betekent, en de laatste jaren doorbracht in het concentratiekamp.

„Europa tegen de Moffen’”) bevat een keuze uit Den Doolaard’s radio-redevoeringen, „De van Theun de Vries is een bundel verhalen uit bezettingstijd. Het breedste overzicht had Den Doolaard, die minder merkte van de bonnen en de Grüne, Zes-en-een-Kwart of de Euterpestraat, maar de zaken trachtte te zien in een Europees verband, zoals ook de titel van zijn boek het aanduidt. Maar de directe ervaring van hoe het voelde onder „De Laars” was het voorrecht van De Vries, en ook de hartstochtelijkste „inleving” kan die ervaring niet vervangen. Wat Den Doolaard gaf was voorlichting en propaganda, bestemd om effectief en niet om mooi te zijn, het boek van Theun de Vries is (in spijt van de wat luidruchtige titel) in het minst niet propagandistisch, en schijnt mij met geen andere dan litteraire bedoelingen geschreven.

Bij overeenkomst dus veel verschil. Maar beide boeken zijn voor mij en ik vermoed voor eiken lezer van nu toch in de eerste plaats document; historisch document van hoe het in die jaren geweest is. Als zodanig vind ik ze beide waardevol, ik zou niet weten aan welk ik de voorkeur geven moest; het aantrekkelijke is misschien juist dat ze elkaar zo prachtig aanvullen.

Afgezien echter van die documentaire waarde: is het wel juist om de speeches van Den Doolaard als „proza” te betitelen, al zijn ze nu toevallig door een literator geschreven? Zijn zij niet eenvoudig een wapen geweest in de strijd?

Zeker, dat waren ze óók. Maar een wapen, door een kunstenaar gesmeed, blijft de kentekenen van zijn herkomst dragen. Den Doolaard was altijd de man wien het binnen de enge vaderlandse grenzen te benauwd werd, die de wereld wijder wilde zien; hij is dat ook hier gebleven, want hij houdt niet op te betogen, dat om de redding van Holland ook bij Stalingrad wordt gevochten, en dat de daad van een Hollands saboteur niet zonder belang is voor de gang van zaken bij El Alamein. Den Doolaard is de man die, revolutionnair in zijn sympathieën, altijd van de abstractie afkerig bleek, en de strijd om het recht allereerst wilde zien als de kleurige, romantische daad van den enkeling, die in zijn persoon het verzet belichaamt; om die talloze kleurige daden van dappere enkelingen gaat het hem ook nu.

Wat cijfers zouden zijn voor een ander kilometers, inwonertallen, bommeneskaders, gesneuvelden het is zichtbare en tastbare, bloedwarme werkelijkheid voor hem, en wat die ander zou weergeven in de stijl van „Hier volgen enige mededelingen”, krijgt bij hem de levende beweging, de volheid van klank, de rhythmische golving van het echte, ónprozaïsche „proza”.

Uit de herdenking van één jaar oorlog tegen Rusland licht ik de volgende passage: „De houwitsers met het hakenkruis, die Kiew bekogeld hadden, raasden verder naar Kharkow, en zij verpletterden de vesting der stalen tankfabrieken zoals zij de heilige stad der gouden koepelkerken verpletterd hadden. En stad na stad en dorp na dorp viel de Russen uit de hand als de warrelende bladeren uit een boom in de late herfst. Hoe konden de Russen nog hopen?”

Zie, nooit heb ik die beide steden, Kiew en Kharkow, in een enkele flits zo vóór mij gezien als door deze aanduiding. En hoe slé,é,t mij

dit proza met zijn allitteratris (de Houwitsers met het Hakenkruis,, die Kiew befcogelen), zijn rijmen (zij verpletterden de vesting), zijn herhalingen, zijn onverwacht en dichterlijk beeld! En dan verderop in hetzelfde stuk het antwoord:

„Zij hadden hoop, omdat achter Kiew en voor Smolensk de bladeren reeds begonnen te vergelen in de kruinen der berken; en de moede Russische soldaten staarden omhoog en zeiden tot elkaar: „De winter komt.” Bij Kharkow waren de velden reeds wit van rijp en in het bitterst van het beleg van Leningrad begon de sneeuw reeds te dwarrelen op de kanonnen.”

Hoe vaak hebben wij het tegen elkaar gezegd in die tijd: „Het moet nu in Rusland toch haast winter worden. Valt er nog geen sneeuw? De winter is het voordeel van de Russen.” Maar met die gelende berken is het als zien we het Russische land, en de moede soldaten zijn a.h.w. onze kameraden geworden, die nog éven moeten volhouden, want straks komt een machtige bondgenoot hun te hulp.

Ik zou meer zulke mooie stukken kunnen noemen; het mooiste misschien dat bij de bevrijding van Parijs. Of Den Doolaard nu van zijn wapenen nooit misbruik heeft gemaakt, m.a.w. of hij nooit in rhetoriek vervallen is? Laten wij het maar eerlijk toegeven: hij is wel eens een keer uitgegleden, en er staan hier wel dingen, die hij zelf over een jaartje al niet meer voor zijn rekening neemt. Maar over het algemeen is hij van het propaganda-gezwets van den tegenstander weldadig ver verwijderd gebleven. Als wij een bezwaar tegen dit boek hebben, is het niet om een enkel déraillement; ook niet om de mentaliteit, die weliswaar wat Den Doolaardachtig romantisch is, maar tevens ridderlijk en royaal, en die meer personalisme in zich heeft opgenomen dan wij voor de oorlog voor waarschijnlijk hadden gehouden. Neen, dan is het omdat deze man, ondanks de oud-testamentische vervloekingen, die vreemd klinken uit deze mond, toch vele dingen van horen-

zeggen heeft, die-voor ons In bezet gebied een kwestie waren van dagelijkse ervaring.

Men constateert het merkwaardig genoeg aan de wijze waarop hij het woord „Moffen” hanteert. Neen, Den Doolaard; er was geen ongeschreven wet hier te lande, die ons verbood van „Duitsers” en „Duitsland” te spreken. Het woord Moffrika klinkt ons vals. Niet omdat onze haat zwakker was dan de uwe, maar omdat onze verachting zo diep was, dat het ons op den duur te min was om te schelden. Zeker, gij hebt de spot gehanteerd, de draak gestoken met Hitler en zijn trawanten, en ge deed het wel eens wat goedkoop. Maar de lach die éven vrijmaakt van slavernij, de stille humor, die met een enkele wiekslag uitstijgt boven den vijand, ik geloof, dat ge ze niet gekend hebt. Uw boek is vol van eerlijke verontwaardiging en van grimmige haat, maar dat geheim verbond van allen die de Moffen „niet zagen”, zomin als men de vuilnisbakken „ziet” aan de rand van het trottoir, de woordeloze verachting, die via een diep, onpersoonlijk verdriet weer met medelijden is verwant, ach neen, hoe hebt ge daarvan kunnen weten? En evenmin wist ge gij die toch altijd het volle pond wilde geven aan het individu van él de kleine ergernissen, al de kleine zorgen van moeder de vrouw, 'die met elkaar misschien zwaarder te dragen zijn dan een grote ramp: de Mof op het trambalcon, de lekke schoenen, de queue bij den groenteboer, zo goed als het ontzenuwend wachten op het tweede front.

Van de verhalen van Theun de Vries heeft géén mij meer getroffen dan dat van de vrouw, die haar dagelijkse boodschappen doet, met het grote verdriet dat aan haar knaagt, en hoe zij tenslotte op het trambalcon blindelings een landwachter op zijn gezicht slaat, omdat haar ellende èrgens een uitweg moet vinden. Ze zijn alle goed, deze verhalen: eenvoudig en pretentieloos, misschien nergens „meesterlijk”, maar overal doorleefd. Maar noch de W.A.-man die wroeging krijgt, noch de weggehaalde Joodse chirurg, noch de illegale werkers die sneuvelen, noch zelfs de geschiedenis van den bescheiden facturist die zijn verdwenen dochtertje wreekt in vlammen en explosie, geen van die alle heeft mij zo getroffen als „De Belediging”; omdat hier zonder enige heroiek, maar met een diep begrip verteld wordt, „hoe het was”, voor deze vrouw en voor honderdduizenden, die in het boek der geschiedenis niet als helden en strijders zullen staan. M. H. VAN DER ZEIJDE

h A. den Doolaard, Europa tegen de Moffen Quendo, Amsterdam 1946, /^3.90, Vries. Van Loghum Slaterus, Arnhem 1945, ƒ 4.90.

Zoals de jonge bloem, tot knop gesloten. Verbergt van innigst leven de belijdenis

En voor wie zorgen teder, onverdroten Belofte troost en heimelijk verblijden is.

Tot eens, bezweken voor het tintlend, smekend Branden van ochtendzon na koele Juninacht,

Hij bevend blootlegt, schuchter openbrekend. Zijn gouden hart en al zijn ongerepte pracht:

Zo ligt de jonge mensenziel gedoken In knop van koele onbewogenheid

En wie hem lief heeft, bidt in stil vertrouwen “Tot eens, door schoonheids warme gloed gebroken

Hij ’t eigen zelf ontvouwt, zelf schoonheid spreidt. Eerbiedig danken, wie het stil aanschouwen.