is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 24, 16-03-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Amerika op zijn best

Vijf jaren lang is de ontwikkeling van de cinegrafie een juistere aanduiding van de gehele filmbedrijvigheid dan het nog altijd min of meer exclusieve begrip filmkunst aan ons oog onttrokken geweest. Eerst nè. de bevrijding hebben wij weer aansluiting gekregen met de internationale cinegrafische productie. Aanvankelijk zeer eenzijdig in de vorm van meer of minder aanvaardbare propaganda voor de zaak der Verbonden Volken.

De eerste indruk is, dat er voorlopig weinig verrassends zai kunnen worden verwacht. De cinegrafie in de oorlogvoerende landen werd als opwekkend en verklarend middel in het krijgsbedrijf betrokken. Wij hebben de resultaten daarvan in ons land te zien gekregen. Toen Nederland bevrijd werd, was er een geeuwhonger naar laten wij zeggen: geallieerd nieuws in woord en beeld, in dicht en ondicht. In de aanvang werden de eerste films over de geallieerde oorlogvoering dan ook welwillend bekeken gedramatiseerde documenten over de prestaties van leger en vloot. Ja, dat was wel interessant, doch men raakte er snel op uitgestudeerd. Spoedig werd het oordeel critischer, groeide het verlangen naar een minder eenvoudige probleemstelling, naar een meer verantwoorde uitwerking en een logischer argumentatie, naar een verfijnder zielkundige behandeling van de onderwerpen. Merkwaardige ervaring, bevestiging van een overtuiging: leed, uitgedrukt in afgetrokken, kwantitatieve grootheden, in duizelingwekkende cijfers, zegt niets. Millioenen doden, nóg meer verminkten, wie kan zich daarvan een voorstelling maken? Er is slechts één manier om leed duidelük te maken, het aan te voelen, het te begrijpen, en dat is door het te individualiseren, het te demonstreren aan en in personen, individuen. En dan op een w’ize. die de realiteit, de werkelijkheid, zo dicht mogelijk nadert. Dat veronderstelt verdieping van de problemen en verfijning van de psychologie, de zieikundige verantwoording van de geschiedenis, de fabel. Op dit punt vond men opnieuw aansluiting bij vóór-oorlogse maatstaven. Men verlangde terecht naar mijn mening weer naar vóór-oorlogse films, of juister naar films van vóór-oorlogse kwaliteit. En ik geloof, dat men dan niet in de eerste plaats bedoelt, dat men het vóór-oorlogse repertoire terugverlangt, doch dat men wenst, dat actuele vraagstukken met dezelfde ernst, dezelfde zorg en dezelfde finesse (of raffinesse) behoren te worden behandeld als vóór de oorlog in de beste voorbeelden op filmkunst geschiedde.

Inmiddeis is de op 10 Mei 1940 in ons land aanwezige voorraad Franse en Amerikaanse films vrijgegeven. De vertoning daarvan schenkt niet in alle opzichten bevrediging, zelfs vergeleken met die films uit de oorlogsjaren, die actuele problemen behandelen. Hierbij geve men zich er rekenschap van, dat „oudere jongeren” van de generatie, die tussen de twee wereldoorlogen werd gevormd, anders op de oude films reageren dan de „jongere jongeren”, die in de bezettingstijd volwassen werden. „Ik zie dezelfde films met andere ogen en een andere waardering”, zeggen de laatsten. Dat is begrijpeiijk. Er is allerwege een vraag naar iets nieuws, vaag en onbestemd. Men weet niet precies, wat men wil. Men verlangt van den kunstenaar, dat deze zich

met hedendaagse vragen en problemen uit een recent verleden zal bezighouden. Wij kunnen er slechts het beste van hopen en afwachten, wat er te voorschijn zal komen. Het is stellig zo, dat een deel van het vóóroorlogse repertoire thans onwerkelijk aandoet. Met andere woorden, dat de mensheid vóór de bezettingstijd besognes bleek te hebben, die ons thans wat onwezenlijk voorkomen en den toeschouwer van thans irriteren. Ik heb een Franse film teruggezien, die mij nü het gevoel gaf van een verloren avond. Er waren andere, die zich bleken te handhaven. Dat waren de beste films uit de vooroorlogse tijd. Eén Amerikaanse film echter heeft mij bijzonder geamuseerd. Het weerzien daarvan was een verrassing. En tevens de bevestiging van de stelling, dat een kunstwerk van importantie niet veroudert, niet aan tijd gebonden is. Het was de film „Je kunt ’t toch niet meenemen...” (You can ’t take it with you) van Frank Capra, bewerkt naar het gelijknamige toneelstuk van Moss Hart en George S. Kaufman, door Robert Riskin. De namen Capra en Riskin vertegenwoordigen in de Amerikaanse cinegrafie een zeer respectabele traditie. Capra, Italiaan van afkomst, die reeds op jeugdige leeftijd een grote ervaring opdeed, onder meer in de studio’s van den Amerikaansen kluchten-fabrikant Hall Roach, beheerste, toen hij Robert Riskin ontmoette, het handwerk van de regie volkomen. Mede dank zij Riskin, vestigde Capra zijn reputatie als filmkunstenaar èn zijn traditie met „Lady for a day” (wij moeten op ons geheugen afgaan), o.m. gevolgd door „Mr. Deeds goes to town”, algemeen erkend als zijn meesterwerk. Capra en Riskin staan aan de aanvang van een hausse in de Amerikaanse lichte comedie. De onderhoudende en soms zéér boeiende fabel, de geestige en gepointeerde dialogen van den bijzonder begaafden blijspelschrijver Riskin, werden door Capra geënsceneerd met die lichte toets, die meesterlijke beheersing van sentiment en humor, die het genre in zijn beste vorm bepalen en kenmerken. Zo stonden de prestaties van dit bijzondere tweetal In mijn herinnering.

Men heeft inmiddels Capra’s werk als supervisor over de bekende serie Waarvoor wij vechten kunnen waarderen als goede en belangwekkende documentatie over het voorspel tot de oorlog. Doch voor mij was de vraag, waarop ik het antwoord met spanning tegemoet zag: hoe zal deze film, die minstens acht jaar oud is, het doen? Een film veroudert snel. En bovendien liggen er vijf jaren oorlog tussen, die naar veler mening, alle verhoudingen hebben gewijzigd. Betoogde niet onlangs een

onzer prominente toneelspelers, dat het vóór-oorlogse repertoire zou zijn verbleekt? Welnu, ik heb deze film weergezien met vreugde. Ik heb ervan genoten. Het was na ai de min of meer acceptabele oorlogsfilms, na al de middelmatigheid, die na de bevrijding ons povere deel werd, na al de min of meer teleurstellende en spoedig vervelende propaganda, het was werkelijk een lafenis deze film weer te zien. Het was één van de beste comedies uit de vóóroorlogse Amerikaanse productie. Wij weten niet, welke eisen men wenst te stellen aan het toneel- en filmrepertoire na de bevrijding, doch hier heeft men een voorbeeld van een kunstwerk, dat niet alleen de afstand van vóór en na de oorlog overspant, doch dat uit het hart van vandaag gegrepen is. De moraal van de film: wat heb je aan geld, je wordt er niet gelukkig door want je kunt ’t tóch niet meenemen, is van een ontwapende simpelheid en juistheid, die ieder rechtschapen mensenkind weldadig aandoet. Deze moraal geeft geen „oplossing” van het ingewikkelde vraagstuk van de organisatie der menselijke samenleving met zijn talrijke moeiiijkheden, doch zij appelleert aan hart en geweten van een ieder. Van Schendel’s Rijke Man is een „onmogelijk” mens in de ogen van het officiële christendom, doch niettemin staat deze figuur nader bij den martelaar van Golgotha, wien het bittert ernst was met zijn „roeping om mens te zijn”, dan tal van gezalfden en èindere zéér verstandige lieden. Zo ook de figuur van Chaplin, zo ook de beminnelijke personages uit Opa Vanderhof’s gelukkige familie, die stuk voor stuk „geschift” worden verklaard door het „verstandige” deel der natie. Want hier is niet meer of minder aan de orde dan het probleem der menselijke waardigheid, dat ook en met name in Amerika, waar: „verdien vooral veel geld, m’n zoon”, bovenaan de catechismus van de Babbitts geschreven staat, in de verdrukking komt. De critische toon, dit besef van verantwoordelijkheid, dat den kunstenaar onopzettelijk de weg naar hart en rede van zijn publiek doet vinden en dat zijn werk boven de nijpende greep der alledaagsheid verheft, bepaalt voor een belangrijk deel mede de waarde van een kunstwerk, met name ook van deze en van dit soort voortreffelijke Amerikaanse films. De soms ietwat robuste, doch altijd frisse, beminnelijke en milde humor, de fijne over gangen van de komische in de tragische situatie, die in het gewone leven óók onmerkbaar in elkaar overvloeien, gevoegd bij de knappe cinegrafische vormgeving, die zich op de belangrijkste momenten vooral tot de betekenis van het beeld beperkt (het stille spel met de mondharmonica als symbool van de „andere” wereld der Vanderhofs!), de geestige dialogen, maken het zien of weerzien van deze brillante film tot een sinds lange tijd ontbeerd genot.

JAN HARKESZ,

De acteurs uit de voortreffelijke film „Je kunt ’t tóch niet meenemen ” van den Amerikaans-Italiaansen regisseur Frank Cavra, die in onze filmkroniek wordt be» sproken.