is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 29, 20-04-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tijd en Taak

ZATERDAG 20 APRIL 1946 No. 29

Aan God behoort de aarde en haar volheid. Psalm 24:1 I

Ì ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN (SOCIALISMEV

I ONDER REDACTIE VAN Dr. W. BANNING EN Ds. J. J. BUSKES Jr. HEKELVELD 15, AMSTERDAM-CENTR.

VERSCHIJNT VIJFTIG MAAL PER JAAR – 44ste JAARGANG VAN DE BLIJDE WFPEI n

ABONNEMENT BIJ VOORUITBETALING PER JAAR ƒ8.00. HALFJAAR f4 25 KWARTAAL f 7 PM K n ic ikw-acc/-» i .... 2IS7. – S.MEENTE SIRO V4SOO J ADMINISTRATIe/n.V^'

OP DE WEG NAAR EMMAÜS

Dmitri Mereschkowski gaf jaren geleden een bundel essays uit onder de titel: „Op de weg naar Emmaüs”. De bundel begint aldus:

tus IS opgestaan! Wat denken en voelen WIJ daarbij? Misschien hetzelfde als de discipelen van Jezus voelden, toen zij op de weg naar Emmaüs met den onbekenden reisgenoot over den gekruisigden, begraven en met opgestanen Heer spraken? „Wij echter hoopten...”

vandaag is Christus opgestaan en morgen zal de zatte aan den uitgehongerde

Vandaag is Christus opgestaan en morgen zal de prostituée langs de straten lopen, zoals zij het ook gisteren gedaan heeft. Christus is opgestaan en alles is bij het oude gebleven. Gelijk de wereld toen in het boze lag, zo doet zij het ook vandaag.

„Wij echter hoopten...” ~Indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof vergeefs.” Is het niet ook vergeefs, indien Christus wel opgewekt is?

Velen zitten in onze dagen te tobben met de vraag, hoe een mens tot het geloof komt. Een moeilijke vraag.Toch niet een gevaarlijke vraag. Een gevaarlijke vraag, die heden ten dage duizenden irT verwarring brengt, is de vraag, waarom en waartoe wij geloven zullen, wat voor zin het heeft in deze wereld te geloven.

Er zijn er, die vragen: hoe komen wij tot het geloof in den levenden Christus? Maar er zijn er ook, die vragen: waarom en waartoe zullen wij in den levenden Christus geloven?

De laatsten verkeren in een veel gevaarlijker situatie dan de eersten. De situatie, waarin zij verkeren, is levensgevaarlijk. De zin van Pasen is voor hen verloren gegaan. Zij zeggen: de christenen vieren Pasen maar de wereld blijft toch altijd dezelfde’, er verandert niets. Men kan wel beweren, dat het oude voorbijgegaan en alles nieuw geworden is, maar dit getuigenis breekt stuk op de werkelijkheid van het leven. Gesteld, dat Pasen het nieuwe is, dan getuigt de werkelijkheid: het nieuwe is voorbijgegaan, het is alles bij het oude gebleven!

Er zijn theologen, die bestuderen hoe lang de weg van Jeruzalem naar Emmaüs was en hoe hij er uit zag. Dat kan heel belangiijk zijn, maar het heeft met het ver-

Maar in het leve™ de werkS deze dag. De weg van Jeruzafem na?r eT maüs is onze levensweg

Ach, dat Hem de vijand kende met een kus.

en dat Hij Zijn vrienden vreemd bleef tot Emmaüs!

Ach, waren dat wij niet? Ach, ik niet? Ach, jij niet?

Zo wordt dit verhaal uit het evangelie van Lucas transparant. Het spreekt ons aan. Wij worden er in betrokken.

Ik heb beslist: nu zij dit Volk gemeden. Hem en Zijn volgelingen moordt de Stad

en keer weerom, en loop het oude pad terug naar de zachte schemer van ’t Verleden.

Diep binnen de Herinnering geschreden, zoek ik in Dromen die ik lang vergat.

troost voor die éne die werd af gesneden: van Jezus’ Overwinning in de Stad.

Vreemdeling, die mij vraagt en

onderricht, is V de nood van deze tijd wellicht ontgaan? (mijn God! Zijn kalme

woorden wekken verwachting tot nieuw Leven uit de Dood.)

Ziet: Jezus’ handen zegenen het brood... en ik, moet aanstonds naar de Stad vertrekken!

Wij hebben alles van Christus verwacht, maar het werd een grote teleurstelling. Alles brak stuk. Geen enkele verwachting werd vervuld. De stad heeft Hem vermoord. In het werkelijke leven vindt Jezus geen plaats. Wij hoopten, maar wij hebben ons vergist. Nu gaan wij de weg terug naar het Verleden. Wij leven .woortaan in de oude herinneringen, de oude dromen. Zo troosten wij ons zelf in het verdriet om die éne droom, die niet vervuld werd: de Overwinning van Jezus in de Stad, de overwinning van Christus in het werkelijke leven.

Wij laten Christus los, maar Christus laat ons niet ios.

Hij komt bij ons en vergezeit ons, maar

Hij blijft ons vreemd. Hij is zo anders dan de anderen. Hij schijnt zo onwerkelijk. Kent Hij het leven wel? Is de nood van deze tijd misschien langs Hem heen gegaan? ... Maar, mijn God, het is Christus! Hij blijft spreken als één, die zeker is van de Overwinning en Zijn kalme woorden doen het bijna uitgedoofde vuur in ons hart ontbranden. Zij wekken verwachting tot nieuw Leven uit de Dood.

Straks zit Hij met ons aan en Zijn handen zegenen het brood... En wij? Wij moeten dadelijk terug naar de Stad. Want Christus wil niet, dat wij als teleurgestelden ons zullen terugtrekken om ons in de zachte schemer van het Verleden te koesteren. *

In de Stad, die Hem en Zijn volgelingen moordt, en onder het Volk, dat zich van Hem afkeert, vinden wij onze taak. Het gaat om Jezus’ Overwinning in de Stad.

Geen droom, die wordt afgesneden.

De geest van de moord zweeft boven Europa.

De volken zijn eenvoudig bereid zich als wilde dieren op elkander te werpen. Het wordt, indien het weer begint, een slachting, zoals de wereld er nog nooit één gezien heeft. De atoombom!

De geest van de moord zweeft boven Europa en de geest van de zelfmoord. Wie is beter: de moordenaar of de zelfmoordenaar?

In elk geval heeft noch de één noch de ander de opstanding nodig.

Maar waarom is dan toch op dit Paasfeest, waarop de kerk getuigt, dat Christus is opgestaan, ons hart brandend in ons, alsof nog altijd die niet gekende vreemdeling bij ons is, gelijk éénmaal bij de twee discipelen op de weg naar Emmaüs? Geloven kunnen wij niet?

Laten wij dan dit weten: wanneer Christus niet is opgestaan, is de laatste vijand, de dood, niet overwonnen, is de laatste zin van het leven onzin en de geest van de moord en de zelfmoord is in Europa onafwendbaar.

Willen wij dat?

Laten wij, voordat wij beslissen, het verhaal van de Emmaüsgangers lezen en zien in de ogen van dien nietgekenden reisgenoot.

Zullen wij Hem dan niet herkennen? Zullen wij niet zeggen: de Heer is waarlijk opgestaan?

J. J. BUSKES Jr.