is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 30, 27-04-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VROUW EN DE POLITIEK

Er zijn vrouwen, die aan politiek doen, en er zijn vrouwen die niet aan politiek doen.

De eersten staan in een slechte reuk. Bij de mannen en bij de vrouwen. De mannen worden lichtelijk geïrriteerd, wanneer een vrouw zich zo-maar met de landszaken bemoeit, en zij hebben allerlei middelen, om dat, zonder ’t te zeggen, te laten merken. Zij zijn overbeleefd, galant noemen ze dat, jegens een vrouw-in-de-politiek. Zij gaan met een ernstige glimlach zitten te luisteren en behandelen dan verder de zaken, of er niets gezegd is. En onder elkaar maken ze opmerkingen, die grappig zijn. Zij hebben zich een beeld van een politieke vrouw, gevormd, dat een caricatuur is. Dat ziet er zo uit: een dame, iets te mager en te lang, of iets te breed, ongehuwd of een beetje ongelukkig getrouwd, niet geschikt voor het enig vrouwelijke bedrijf, waarvoor ze geschapen is, n.l. de huiskamer en de keuken. En nu hebben die dames denken ze, een ander werkterrein uitgekozen, n.l. de politiek.

Zo denken de mannen, en als ze niet zo denken, hebben ze toch altijd moeite, om die gedachte weg te werken.

Omdat de mannen zo denken, zijn er zeer vele vrouwen, die niet aan politiek doen. Er zijn zeer veel vrouwen, die flink, zelfstandig, geëerd zijn, en die het volstrekt niet met hun mannen eens zijn, maar die zich tóch niet onttrekken kunnen aan het verzet der mannen tegen de politieke werkzaamheden van de vrouw. Dat is dan geen kwestie van overtuiging geworden. Het is niet een resultaat van diepgaand spreken, maar het is meer een gewilligheid tegenover mannen, die zelfs de hardste vrouw nimmer verliest. En zo kan het gebeuren, dat vrouwen, die hun man staan, die hun zoons opvoeden tot kerels, aan een propagandist van wat-voor-partijdan-ook, die om haar stem komt vragen ten antwoord geeft: ik stem, wat mijn man stemt, want man en vrouw zijn één. Dat is waar. Maar nu moet zij niet denken dat die ene de man is!

En nu naderen de onbloedige gevechtshandelingen van Mei 1946. Wij zijn allang genezen van de verwachting, dat de bezettingsjaren de geesten zo diep opgeploegd hadden, dat wij als vernieuwde mensen uit deze nachtmerrie ontwaken zouden. Als wij wat nuchterder waren geweest, dan zouden wij al wel eerder geweten hebben.

dat de menselijke geest taai is, ten goede en ten kwade. Maar dat mag ons niet leiden tot een pessimisme, dat geen enkel uitzicht biedt. Wij mogen geen slaven van de harde werkelijkheden zijn, want dan worden die werkelijkheden tyrannen. Wij moeten ze aanpakken en de baas worden. Want elke „harde werkelijkheid” heeft zijn zwakke plekken. De heerschappij van het geld, van de machtsdrift, van de zinnelust is kwetsbaar voor wie zich niet aan haar onderwerpt.

Nu kunnen wij lange en geleerde redeneringen beginnen over het wezen van de politiek, maar die komen nergens anders terecht, dan hierop, dat het in de politiek erom gaat die „harde werkelijkheden” de baas te worden.

Dat is niet een zaak voor de mannen alleen. De vrouwen hebben op haar wijze aan die harde werkelijkheden geleden. Misschien hebben zij er meer aan geleden, dan de mannen, maar wij hebben geen maatstaven om dat te meten. Zij hebben in ieder geval hun aandeel ruimschoots gedragen. En zou dat nu, nu wij zoveel van de grond af moeten ophouwen in het ganse sociale leven, alleen het werk zijn van de hoofden van het gezin, van de fabriek, van het kantoor, kortom: van de mannen.

Neen, ook de vrouw moet aan politiek doen.

Laten wij, voor wij gaan vragen naar de wijze, waarop dat zou kunnen, op een belangrijk, maar vaak vergeten punt wijzen, dat hier mede beslissend is.

Er is een tijd geweest, dat de politiek een zaak was van juristerij. Een zaak van reglementering van bevoegdheden van het ambtenarenapparaat. Thorbecke, de grote liberale staatsman, heeft eens de staatsexploitatie van de spoorwegen afgewezen, omdat hij het niet met de hoogheid van de staat overeen vond komen, zich met klachten van reizigers in te laten.

Maar thans laat de staat zich met alles in. Hij is werkgever. Hij regelt lonen en prijzen. Hij beveelt, wie uw huis moet huren, ja zelfs, wie u in uw bovenvoorkamer moet laten wonen. Hij zegt, hoeveel wij eten en drinken zullen. Hij heeft een leger artsen, die uw kinderen op t.b.c. onderzoeken. En als hij steunt, wil hij er ook wat in te zeggen hebben. Al die dingen, die de staat doet, raken de vrouwen even onmiddellijk als de mannen. Ja, wie als bizondere taak van de vrouw het leiden van het huishouden ziet (en zo is het ook), zal moeten toegeven, dat dit alles de vrouwen nog meer raakt, dan de mannen. En daarom mogen zij niet blind aan de politiek voorbij gaan.

Maar hoe moet nu de vrouw aan de politiek doen?

Het is een hardnekkige vergissing te menen, dat men alleen aan politiek doet, als men ergens in een college zit. Als men bestuurslid van een partij, gemeenteraadslid of erger is. Aan politiek doen is niets anders dan het hebben van aandacht, het vormen van een oordeel over de dingen, die er in het leven der staatkundige gemeen-

schap aan de orde zijn. Zoals duizenden aan muziek doen, door met innige aandacht te luisteren naar een solist, zonder zelf het instrument te kunnen bespelen, zo kunnen mensen ook aan politiek doen, zonder er nu direct hun dag- en avondwerk van te maken naar vergaderingen te gaan, waar besluiten vallen.

Maar het gaat er wèl om, de krant te lezen, te luisteren wat de radio biedt, niet direct over de bonnen en de dienstboden te beginnen, als er in een gezelschap door de heren het onderwerp politiek wordt aangesneden.

Zeker, daar kan van komen, dat ook vrouwen, die een uitzonderlijke begaafdheid voor deze dingen hebben, zich actiever op dit terrein gaan bewegen. Het is dan helemaal niet gezegd, dat zij tussen mannen zal zitten, die er allen óók zo’n uitzonderlijke begaafdheid voor hebben. Het is nogal eens voorgekomen, dat mannenbegaafdheid voor politiek alleen hierin bestond, dat ze de vrijmoedigheid hadden er met véél nadruk het woord over te voeren. Maar vrijmoedigheid is nog geen deskundigheid.

De vrouwen kunnen, ook al „doen” ze op deze directe wijze er niet aan, toch een gezegende invloed op de politiek uitoefenen. Vroeger meenden sommige strijdsters voor de vrijmaking van de vrouw, d.w.z. sommige „feministen”, wel eens, dat ze alles anders moesten doen en zeggen dan de mannen. Zij waren als het ware doorgeslagen naar de andere kant. Zij hadden allerlei gewoonten van mannen overgenomen. Zij wilden opkomen voor de vrouw. Maar zij vergaten, dat het veeleer zaak is, op vrouwelijke wijze voor het geheel der samenleving op te komen. En dat heeft de samenleving nodig, nodiger dan brood.

Het is reeds uitermate gezond, wanneer vrouwen alleen maar van die verstandigonnozele vragen stellen, waardoor de mannen een beetje van hun zekere allure loskomen. Het zou zo goed zijn wanneer de vrouw niet als opponent, als tegenstreefster, maar als kameraad opkwam voor de dingen, die de man pleegt te vergeten. De vrouw is meer geneigd oog te hebben voor het vloeiende leven, de man voor de besloten vorm. Een man is al blij, als hij, zoals hij zegt, de dingen in kannen en kruiken heeft. Als er een reglement, als er een wet is. De vrouw zal dat zeker niet gering achten, maar zij zal het willen laten leven. Want dat is haar zorg, en deze zorg is een eigenschap, waar de man nooit helemaal bij kan.

Welnu: wil het vrouwelijke element in de politiek tot gelding komen, dan zal de vrouw aan politiek moeten doen. Dat zal er mee beginnen (en veelal mee eindigen), dat zij met verbaasde en geïnteresseerde ogen, vol zorg die uitstraling harer liefde is ook de dingen op het politieke veld gaat aanschouwen.

De wereld kan er alleen maar gelukkiger door worden, dan zij nu is, nu zovele vrouwen dit onderwerp van zorg nog niet hebben opgemerkt. L. H. RUITENBERG.

belofte, de tijd van een nieuw of hernieuwd geloof, de tijd van de goedheid van het leven. De vrouwen maken haar huis schoon, de mannen zijn in het veld. Gezinnen betrekken een nieuwe woning. En boven ons zingen de vogels en trekken de wolken voorbij en er is een reuk van frisheid en kracht in de lucht. Och, wij zijn nette mensen, rustige burgers. Maar in ons ontwaakt het verlangen om als de kalveren te dansen en te springen in de zon of om hier een dag te verdromen in de wallekMll midden tussen het fluitekruid. |

K.