is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 32, 11-05-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jj , __ ,

DE KOMENDE VREDESVERDRAGEN

Zeer spoedig komen na aanmerkelijke vertraging op de oorspronkelijk vastgestelde datum de ministers van Buitenlandse Zaken der grote mogendheden te Parijs bijeen om te beraadslagen over de aan de z.g. kleine vijanden op te leggen vredesvoorwaarden. Het betreft hier dus niet Duitsland, dat in nog geen jaren voor vrede rijp geacht wordt (ook al gaan er geruchten dat de Russen hiertoe bereid zouden zijn, zodra in het door hen bezette deel de socialistische eenheidspartij een verkiezingsoverwinning heeft behaald), evenmin Japan. Het gaat hier ook niet om de Aziatische bondgenoten van Japan; de onafhankelijke staten Mansjoekwo, Nanking-China en de door de Jappen onafhankelijk verklaarde bezette gebieden hebben een nieuwe status gekregen, terwijl de vrede met het thans onder een nieuwe regering weer Siam hetende Thailand reeds vorig jaar gesloten is.

Blijven dus over Duitslands Europese bondgenoten, te weten Italië, Hongarije, Roemenië, Boelgarije en Finland. Op de Duitse oorlogskaarten hoorden hier nog andere landen bij; maar die hadden in verband met het verloop van de oorlog een bijzondere positie. Slowakije . immers was onder Duitse druk losgescheurd; Kroatië en Montenegro waren na de ondergang van Joegoslavië nieuw gevormd, terwijl Albanië onder Italiaanse druk stond.

Het is met de voorbereiding van deze vredesverdragen met de kleine belligerenten allesbehalve vlot gegaan. Zij, voor wie de geschiedenis van het vorige jaar nog niet tot een roezige chaos van ijlings vervlakte gebeurtenissen verworden is, zullen zich de conferentie van Londen herinneren, waar voor het eerst de scherpe belangentegenstellingen tussen de grote drie het sluiten van een accoord verhinderden. De daarop volgende conferentie van Moskou, waar de Fransen en Chinezen ontbraken, hield zich in hoofdzaak met andere, toen actueler problemen (Perzië 0.a.) bezig. Ondertussen bleven de vredesverdragen in studie bij vertegenwoordigers van de verantwoordelijke ministers, maar veel konden die niet uitrichten zolang de hoge heren het over de algemene richtlijnen oneens bleven en weinig aanstalten maakten dat duel uit te vechten.

Ten dele had men deze ontwikkeling verwacht en zelfs gehoopt. In de illegale lectuur uit de oorlogstijd kon men herhaaldelijk critiek aantreffen, op de haastige wijze waarop de verdragen van Versailles, St. Germain enz. in elkaar waren gezet. Al te zeer, meende men, was de verse haat aan het woord geweest en had de bezinning ontbroken. Terwijl in 1919 twee maanden na de wapenstilstand de vredesconferentie bijeenkwam, beperkte men zich nu tot de conferentie van Potsdam, waar zeer voorlopige besluiten omtrent Duitsland genomen werden en bovendien een laatste waarschuwing tot Japan werd gericht.

Achteraf blijkt evenwel, dat ook het thans gevolgde systeem van uitstel ernstige bezwaren heeft. De vredesverdragen worden ten gevolge van de onenigheid der mogendheden op de lange baan geschoven; daarmee worden ze tevens tot voorwerp

van de politieke agitatie van de ene mogendheid jegens de andere gemaakt. Het uitblijven van een toestand van vrede, verzwakt de zenuwen van de toch reeds zo beproefde volken en bemoeilijkt het regeren in hoge mate. Dit laatste argument heeft een bijzondere klem. In haast alle gevallen immers heeft een staatsgreep een eind gemaakt aan de collaboratie met de nazi’s en is daarna een regering opgetreden, die de krachten van het volk naar vermogen richtte op samenwerking met de geallieerden, veelal zelfs in militair

verband. Blijvende bezetting en vernedering, voortdurende uitsluiting buiten de Organisatie der Verenigde Volken, moeten ernstig schade doen aan het gezag van de huidige regeringen, die, zij het soms in al te eenzijdige en weinig representatieve samenstelling, alle bestaan uit mensen, die met gevaar voor hun leven, jaren lang tegen de nazi-collaborateurs onder hun landgenoten gestreden hebben. Men kan ook cynisch vragen: waarom nog vredesverdragen sluiten? Wat de overwinnaars uit de vorige oorlog aan herstelbetalingen uit de verslagen landen puurden, halen ze nu als bezetters wel weg. Inderdaad, de economische bepalingen van de verdragen zullen niet zo gewichtig zijn; die zijn reeds in de wapenstilstandsovereenkomsten opgenomen en men krijgt de indruk, dat met name de Sowjetunie daar t.o.v. Finland en Roemenië strikt de hand aan houdt. Waar nog wezenlijk om gevochten zal worden, zijn de territoriale bepalingen. Geen wonder in het ethnografisch zo mozaïekachtig gestructureerde midden en oosten van Europa. ledere kwestie van territoriale aard Savoye, Zuid-Tirol, Triëst, Zevenburgen, Epirus, Macedonië, Thracië, om er van west naar

oost haastig een paar te memoreren heeft zijn lange, pijnlijke geschiedenis. Als het nu maar uitsluitend kwesties bleven tussen Italië en Joegoslavië, Griekenland en Boelgarije enz., dan viel er met inschakeling van commissies van volkenkundigen, economen en andere eerlijke en onbevooroordeelde elementen wel een regeling te treffen, die tenminste het voordeel had niemand in plaats van slechts één der belanghebbende partijen te bevredigen, en waarbij de wereld zich na twintig jaar wel zou leren neerleggen, omdat het al zo lang op de kaart stond. Maar de zaak is ernstiger doordat de territoriale geschillen bestaan tussen landen die tot verschillende invloedssferen behoren. En dan wordt de vraag of Triëst Italiaans of Joegoslavisch moet wezen, tot het probleem of Engeland, dat de Middellandse Zee als zijn domein pleegt te beschouwen, kan toelaten, dat Triëst een „Russische oorlogshaven wordt”!

De posities zijn al maandenlang ingenomen. De Engelsen, beseffend dat ze zwakker uit de oorlog zijn gekomen dan ze er ingingen, trachten hun politiek-strategische positie te behouden. De Amerikanen, tuk op economische voordelen en steunpunten, schijnen nog te weifelen tussen een koloniale politiek jegens Europa of een krachtig steunen van Engeland. De Russen willen uit de situatie halen wat ze nog kunnen; jegens de landen die zich reeds in hun macht bevinden, tonen ze zich inschikkelijk, en des te barser tegen Italië, waarvan ze ongehoorde herstelbetalingen eisen, die practisch door de Amerikaanse kapitalisten zouden worden opgebracht. De eis van een Russisch mandaat over Tripolis is niet eens meer tegen Italië maar rondweg tegen Engeland gericht, Realistisch als de politici heden ten dage zijn, pakt men thans eerst de kleine zaken aan en dan pas de grote. Maar dat kan niet verhinderen, dat de dreigende schim van Duitsland de Parijse besprekingen niet verlaten zal. Alles hangt samen; elke kunstmatige scheiding, hoe opportuun ook, is een gevaarlijke vereenvoudiging van de kritieke toestand. 25 April 1946. A. E. COHEN.

AMBTENAAR

EN GEMEENSCHAP

de diepste bevrediging in het arbeidsleven voor hem ligt in zijn dienst aan de volksgemeenschap. Troonrede, 20 Nov. 1945.

De overgang van de mens uit het vrije bedrijf naar een Overheidsinstantie, brengt dikwijls psychologische gevolgen met zich mee. Velen vallen van het ene uiterste in het andere: een angstpsychose, die hem steeds bij bleef, n.l. hoe behoud ik mijn betrekking, is dan plotseling omgeslagen in een zekere weldadige rust, die men het beste kan vergelijken met een vredig landschap na een hevig onweder. Deze intieme met zorg bewaarde rust, waarvan het menselijk egoïsme de grondslag vormt, is niet alleen funest voor het gemeenschapsleven, maar bovenal ook voor zijn persoonlijkheid. Immers, met eigen hand snijdt hij de draden door, die hem verbinden aan een levensdoel, dat hem energie gaf en wilskracht en hem in staat stelde zijn persoonlijkheid ten volle te kunnen ontplooien. Aanvankelijk zijn vele ambtenaren bij de aanvang van hun dienstbetrekking nog wel van goede wil, maar al spoedig werden ook zij meegesleept in de maalstroom en verloren hun strijd-

baarheid. De sociale, maatschappelijke en politieke vraagstukken lieten hen dikwijls onbewogen; bij de arbeiders in het vrije bedrijf vond men vaak meer enthousiasme en bezieling, dan bij hen, die zich om deze probiemen weinig bekommerden, omdat zij zich gedekt wisten door een Overheidsbetrekking. De arbeider heeft één overheersende gedachte: hoe moet ik aan levensmiddelen komen en hoe kan ik mij zelf en mijn kinderen huisvesten, kleden, enz. Door mensen met een vaste betrekking, wier leven rustig verioopt, wordt dit feit maar al te vaak over ’t hoofd gezien. In de fabrieken, werkplaatsen en op de werven, waar de arbeiders voortdurend bij elkaar zijn, hebben zij veelal dezelfde belangen en noden. Bij deze zorgen vinden zij elkander veelal beter dan de kleine burger, boer of ambtenaar, die voor zijn gezin zorgt en zich om sociale problemen en verhoudingen niet bekommert. Dit is duidelijk een onjuiste en a-sociale houding.

Het sociale vraagstuk is voor een volk een levensvraagstuk. Als mens behoren wij tot de gemeenschap en aangezien wij zonder die gemeenschap niet kunnen bestaan, hebben wij ons voor ogen te stelien wat wij die gemeen-