is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 35, 01-06-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BxKhENLANO

FANTASIE EN MOED GEVRAAGD

De massa is conservatief. Wij moeten ons niet vergissen, wdnneer wij op de trambalcons hete plannen horen afblazen. En het is heel begrijpelijk, dat de massa conservatief is. Immers: vooruitstrevendheid eist in de eerste plaats fantasie en in de tweede plaats moed. Waarmee niet gezegd wil zijn, dat ieder die deze twee eigenschappen bezit, vooruitstrevend is. Fantasie is een zeldzaam voorkomend verschijnsel. Fantasie ziet in de verte en maakt zich los van het heden. Het veilige heden moet niet alleen doorzien worden in zijn dynamiek, maar het moet ook in zijn betrekkelijkheid worden herkend. En nu stuit dat juist den gewonen mens die wij allen op z’n tijd zijn tegen de borst. Van nature hebben wij het heden lief, want wij weten wat wij hebben en wij zijn er nooit zeker van, dat wat komt, beter is.

Moed is evenzeer zeldzaam. Dat strookt met wat wij zeiden over de fantasie. Moed is de zedelijke zijde van de fantasie. Fantasie zonder moed mondt uit in dadenloos dromen. Moedig zijn betekent: dat men wil, wat men ziet. Dat men in het heden de toekomst ziet, en daarop zijn energie richt, ook als anderen het niet zien en niet willen.

Onder bepaalde spanningen kan iets ontstaan, dat op moed en op fantasie gelijkt. Wanneer in het heetst van het gevecht de gewone man alweer: die wij allen vaak zijn! in een kritieke situatie wordt gebracht, dan wordt hij „moedig”. Maar die moed is de moed der wanhoop. Hij is in wezen uiting van angst.

En als in de maatschappij ontwrichtingen dreigen, als duizenden in de engte worden gedreven van de zorg voor het dagelijks brood, als velen in tijd van verschuivingen zoeken naar veiligheid en ruimte, dan krijgen vage verlangens klaarder vorm. Maar noem deze nog geen fantasie. Zij zijn wensdromen. Deze wensdromen, ontstaan onder maatschappelijke druk, tot een maatschappelijke kracht te maken, is het streven van het Marxisme; en het is er voor een deel in gelukt. Maar als dan stukken van die droom verwezenlijkt zijn, dan blijkt, hoe spoedig de grens bereikt is, hoe er „verburgerlijking” optreedt. En burgerlijkheid is vaak een ander woord voor gebrek aan fantasie en moed. De grote meerderheid van een volk is

conservatief! Men is dat in alle kringen. Want wij moeten ons niet laten misleiden door woorden. Wanneer woorden in een bepaalde periode het streven van een beweging uitdrukken, dan zijn zij in een volgende periode verstarde begrippen geworden. Wie b.v. in Frankrijk bij de Radicaal-Socialisten aan radicale socialisten zou denken, vergist zich volkomen. Onverbloemd komt het conservatisme tot uiting in het streven om een „oude S.D.A.P.” op te richten. En wie zich op kerkelijk erf beweegt, weet, hoe graag de meerderheid zich veilig voelt bij de aloude formuleringen, terwijl de dynamiek van het profetische en het evangelische woord hem ontgaat.

En nu doet zich dit tragische voor: wij hebben thans uit de leidinggevende organen vooruitstrevende mannen en vrouwen nodig met fantasie en moed. Leiders, die méér, verder zien dan de geleiden, en die durven, meer durven dan de massa.

Wij hebben ze nodig in de staat. Lange tijd hebben ze ontbroken. Toen was het al heel erg. Maar thans zal het rampspoedig zijn. Want nu gaat het erom, Nederland het echte, goede Nederland met zijn geestelijke-culturele zending in de rij der volkeren zijn bevruchtende rol te doen spelen nu gaat het er om met wereldwijde visie de problemen op te lossen, die wij niet gesteld hebben, maar die in de internationale situatie gelegen zijn.

Kan de beweging van het nieuwe socialisme deze mannen met moed en fantasie leveren? Ja! Moet de beweging van het nieuwe socialisme deze functie weigeren, omdat de massa van het Nederlandse volk hun fantasie en hun moed niet op prijs wist te stellen? Ziehier een vraag, die ons in de komende weken gesteld zal worden. Onze eerste neiging is te zeggen: ja, zij moet weigeren, want het volk moet de Regering hebben, die het verdient. En mogelijk spelen bij hen, die regeringsverantwoordelijkheid willen afwijzen, ook argumenten van partijbeleid een rol. Een partij immers, die in de oppositie is, kan méér succes verwachten, dan een, die de

last van een schier ondragelijke verantwoordelijkheid draagt.

Maar als wij toch tot de conclusie komen, dat de leiding van de brede, nieuwe socialistische beweging in Nederland niet bij voorbaat mag weigeren aan de regering deel te nemen, dan is dat, omdat zij de gelegenheid moet nemen, moed en fantasie te tonen. Want dit heeft een volkspedagogische betekenis, ook als dit nu niet verstaan wordt.

Tenslotte is het zo, dat de leiding inderdaad moet leiden. Met fantasie en moed. Daarbij behoort, dat men in een tijd, waarin alles week is als was, de mogelijkheden om wending te geven aan het volksleven, niet uit doctrinaire of engere partij-zuchtige overwegingen zich laat ontglippen.

Wij ontveinzen ons riiet, dat hier moeilijke problemen liggen. Moeilijk, niet zozeer vanwege het afwegen van machtsverhoudingen. Dat is een apart vak, waarvan wij het belang noch onderschatten noch overschatten. Maar vooral moeilijk, omdat hier de vraag aan de orde komt, hoe wij hebben te denken over de plaats van den leidinggevenden enkeling binnen de massa. Nimmer mag er te grote spanning zijn tussen beiden. Nimmer mag er wrok gewekt worden. Maar het persoonlij k-visionaire, de edele drang om zedelijke verantwoordelijkheid te dragen, mag niet ondergaan in de strijd om machtsposities. Wij moeten de fantasie en de moed durven leveren!

K ERK EN WCREUD

Een oude rot Tom Rot zond mij na de verkiezingen de volgende brief:

Per omgaande zond ik hem dit antwoord: A’dam, 20 Mei 1946.

Hoera, wij leven nog! Een oude rot laat zich niet vangen, een oude rot gaat zich niet hangen.

een oude rot doet nooit onhandig, een oude rot wordt nooit losbandig.

een oude rot herstelt zich vlug en komt na vier jaar weer terug! Met vr. partij groet.

U37 “m

De Prolcslantse Lnic

Een Hervormd predikant stond terecht voor de Zesde Kamer van het Tribunaal te Apeldoorn.

Hij werd beschuldigd blijk te hebben gegeven van nationaal-socialistische gezindheid door in de kerk te bidden voor S.S.- lieden, die „voor ons volk waren gevallen”. Hij gaf een onbestemd antwoord, toen de president hem vroeg, of hij over de Jodenvervolging verheugd was geweest.

Uitspraak: internering voor een jaar, met aftrek van voorarrest, zodat deze collega, die reeds vrij was, nog weer voor enkele maanden naar een interneringskamp moet verhuizen.

Maar nu komt het. Aan dezen verbe divini minis ter, die koos voor het nationaal-socialisme werd gevraagd, op welke partij hij zou hebben gestemd, indien hij aan de verkiezingen had mogen deelnemen.

Prompt kwam het antwoord; de Protestantse Unie!

Het is niet de eerste keer, dat ik ontdek, dat christenen, die voor en tijdens de oorlog in meerdere of mindere mate met het nationaal-socialisme sympathiseerden, zich na de oorlog tot de Protestantse Unie wenden. Ik wil aan het getuigenis van mijn veroordeelden collega niet al te groote waarde hechfen. Toch wel enige waarde. Naar mijn vaste overtuiging betekent een geslaagde Protestantse Unie een politiek en geestelijk fascisme. Zij is intussen niet geslaagd. Zelfs de stem van mijn Nijbroeksen collega zou haar geen zetel in het Parlement geleverd hebben. J. J. B. Jr.