is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 37, 15-06-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pathlseerden” terstond moeten gaan gevoelen, hoe bedenkelijk die Protestantse Unie is; 4e. achten wij het buitengewoon oncollegiaal .van den schrijver om collega’s, waarvan hij weet, dat zij na ernstig overleg meenden tot de Protestantse Unie te moeten toetreden, op dergelüke manier In het publiek verdacht te maken.

Wij verwachten derhalve, dat door de redactie in het eerstvolgendjnummer voor dit artikel, zowel wat de inhoud als wat de betoogtrant betreft, verontschuldiging wordt aangeboden.

In afwachting.

W. H. A. NELCK

J. M. SNETHLAGE

F. G. TANNA

J. R. WOLFENBERGER

Dr. Schipper zegt onder het opschrift „Feiten over de Protestantse Unie” het volgende:

Het gebeurt niet vaak, dat collega B. er voor 100 pet. naast is. Het tegendeel komt wel voor. Ik ben hem ontzaglijk dankbaar voor wat hij na de bevrijding heeft geschreven, voor elk woord, artikel of geschrift. Het is een uitzondering als het anders is, zoals in „Kerk en Wereld” over de P.U. van 1 Juni j.l. Dit stukje was voor mij volkomen onbegrijpelijk en diep grievend. Niet vanwege de toon. Als een tegenstander mijzelf en mijn partij met het ergste vuil treft, geeft mij dit hetzelfde gevoel alsof hij de mooiste dingen gezegd had, hier ben ik immuun tegen. Enkel en alleen als het om feiten gaat, doet het mij pijn.

Een feit is het dat de P.U. een verbeterde uitgave van de H.G.S. is. Ik ben zelf nooit H.G.S.-er geweest, maar sinds 1928 tot nu toe, heb ik deze H.G.S. als een grote Godsgave voor ons volk gezien. Zij was het geweten van de C.H.U. en van de N.H.K. Zonder haar is de nieuwe koers der kerk in pcllticis niet te denken, noch de pogingen tot doorbraak der valse antithese, en zonder dit alles zou het Prot. Chr. Werkverband in de P. V. d. A. er niet zijn, of onzin zijn. Terwijl juist dit verband principieel de doorbraak moet doorvoeren, waar er tot nog toe te veel onzakelijk over gepraat is. Dat is de eerste reeks feiten.

Dan is er dit. Er is in ons land geen partij die ons als P. v. d. A. inzake principiële overwinning der valse antithese, en de strijd voor sociale gerechtigheid, zo na staat als de P.U. Toen ds. A. v. Ruler en prof. W. Banning over kerk en politiek spraken op de Herv. predikantenvergadering, stonden zij in deze zaak zozeer theologisch en vooruitstrevend sociaal naast elkaar, dat wij daar de P.U. en de P. V. d. A. hebben ontmoet, naar hun eigen beginsel, en niet naar wat de roddelende pemeente er van maakt. Dat is een tweede reeks feiten.

Ik kom tot de derde. De vroegere stemmers op de N.S.B. bestaan uit twee hoofdgroepen: reactionnaire en dolende progressieve mensen. De eerste hoofdgroep heeft weer op de conservatieve partijen gestemd: P. v. d. Vrijheid. A.R. of K.V.P. (reactionnaire vleugel). De tweede stemde P. v. d. A„ C.P.N. of P.U. Ik weet daarvan vele voorbeelden uit mijn omgeving en elders, m.a.w. het stemmen van wie vroeger N.S.B. koos is geschift: een deel „bekeerde” zich.

Niet alleen met het oog op deze feiten ben ik gegriefd. Ook om ds. B. zelf. Ik kan niet hebben dat terecht kwaad van hem gezegd wordt. Ik beschouw iedere aanval op de persoon van ds. B. als een aanval op de P. v. d. A., op het ontwaken der N.H.K., en daarachter op het evangelie zelf, vanwege het beginsel der belijdende volkskerk, dat ds. B. zo fier en verantwoord in practijk brengt. Daarom had ik ontzettend graag gehad dat dit schrijven over de P.U. nooit geschreven was. Maar nu het eenmaal gedrukt is, wil ik ook graag dat de verkeerde indruk over de P.U. gev/ekt, wordt weggenomen, door onverkorte weergave van mijn correctie.

Genoeg over het gegriefd zijn. Nog iets over het voor mij onbegrijpelijke. Collega B. zegt: een geslaagde P.U. betekent fascisme. Dat is

een contradictio in terminis. Of hij bedoelt een door A.R. en Tilanus-mensen beoogde Protestantse concentratie der valse antithese die wordt het meest fel door de PU. in aansluiting bij de P. v. d. A. bestreden of hij bedoelt de P.U. zelf. Maar dan is het geen fascisme, daar zij Immers, in één front met de P. V. d. A., door het liquideren der valse antithese het enigst bruikbaar bolwerk tegen crypto-fasclsme en reactie vormt.

Heel eerlijk moet ik erkennen, dat ik van de reacties op mijn stukje geschrokken ben. Die schrik geldt niet zo zeer de reacties als wel mijn stukje.

Laat ik het voigende mogen verklaren. le. Ik heb er nooit over gedacht. Christenen, die de beginselen der P.U. zijn toegedaan, voor hele of halve N.5.8.-ers uit te maken. Ik heb er niet alleen nooit over gedacht, maar ik heb het ook nooit gedaan, ook niet in het gediskwalificeerde artikeltje. Tegenover Dr. Berkhof en Ds. van Ruler zou dit inderdaad in hoge mate grievend zijn. Ook tegenover mijn Amsterdamse collega’s.

2e. Ik ontken, dat ik „terwijl door kerk en overheid werd gestreefd, om vrijgelaten gevangenen met barmhartigheid te ontvangen”, op „de laagste instincten” van de heren van T. enT. „gespeculeerd” heb. Deze wel wat tendentieuze tegenstelling, die mijn collega’s hier maken, heeft ten opzichte van mij geen zin. Waar het kon, heb ik kerk en over-

heid in het door hen genoemde streven in woord en daad gesteund. Wanneer zij T. en l'. kennen, weten zij bovendien, dat er geen reden is, om bij mij een „speculeren op de laagste instincten” van mijn lezers te veronderstellen.

3e. Zonder enige reserve erken ik, dat mijn stukje er naast was. Het spijt mij, dat ik het geschreven heb. Ik begrijp, dat het mijn collega’s gegriefd heeft. Het was mijn bedoeling niet. Het is wel mijn schuld. 4e. „Naar mijn overtuiging betekent een geslaagde P.U. een politiek en geestelijk fascisme”. In dit zinnetje heb ik mijn bezwaren tegen de P.U. samengevat. Het was fout, dat ik deze waardering aan de uitlating van den veroordeelden N.5.8.-dominé ophing en haar zonder argumentatie publiceerde. Zy vindt intussen haar grond niet in deze uitlating, maar in de geschriften van den geestelijken leider van de P.U.: Ds. van Ruler. Met zakelijke argumenten hoop ik myn oordeel in een breder artikel uiteen te zetten. In dit nummer bepaal ik mij echter tot een verontschuldiging. Mijn Amsterdamse collega’s spreken de verwachting uit, dat deze zal worden aangeboden. Ik vervul haar van harte en voor 100 %, zij het met schaamte. Zij mogen intussen weten, dat de aanbieding ook geschied zou zijn, indien zij deze verwachting niet hadden uitgesproken. J. J. B. Jr.

HONGER, VREDE EN.... GOD

Het dringt maar uiterst moeizaam door, zelfs tot ons Nederlandse volk, dat, althans in het Westen, toch wel weten kon, wat honger betekent een cijfer van 20 millioen ondervoede en zieke kinderen in Europa zou ons toch wel iets moeten zeggen. Maar voorlopig hoe lang nog? zit ons volk stevig bevangen in een sterk collectief egoïsme: eerst zorgen voor je zelf, de ellende van anderen is ver

Overigens schijnt het nóg moeizamer door te dringen tot de leiders van het economisch leven der wereld, wat dit verschijnsel „honger” voor problemen en eisen stelt. Hoover en vooral de felle La Guardia proberen wel voortdurend „het geweten” der bevoorrechte volkeren te wekken voor de schrijnende nood in andere delen der wereld, maar dat lukt maar matig... zó matig, dat je er historisch-materialist van zou worden! Want maar al te duidelijk is, dat de wereldsituatie ons voor deze keuze stelt: óf millioenen eenvoudig laten verhongeren, óf naar economische samenwerking over de wereld, m.a.w. naar geleide .economie; en daartegen verzetten zich zeer duidelijke ondernemersbelangen, gemaskeerd achter het vaandel der vrijheid. Voor mijn deel ben ik overtuigd, dat een van de oorzaken van de mislukking van de oude Volkenbond gelegen heeft in de onmacht of onwil tot economische samenwerking in de wereld te geraken ... en de U.N.O. vindt het zelfde probleem, maar in nog grotere afmetingen, op haar weg.

En rechtstreeks met deze problemen hangt samen het volstrekt beslissende probleem van de organisatie van de vrede. Ook hier constateer ik, hoe moeizaam tot ons volk (de volkeren?) doordringt de gevaarlijke situatie, waarin de wereld verkeert. Men kan of wil blijkbaar niet erkennen, wat de „atoombom” betekent. Misschien is er wel bij de leiders der intellectuele-en poli-

tieke wereld een inzicht aanwezig omtrent de vernietigingsmogeiijkheden, misschien leeft er in de massa’s een onbewuste angst maar deze zijn op zichzelf nog geen positieve krachten. Wie tracht te peilen wat de „atoombom” betekent, komt al heel spoedig te staan èn voor de economisch-politieke noodzaak tot samenwerking der volkeren, èn voor een aantal diep-insnijdende zedelijke en geestelijke verschijnselen. B.v. de verregaande onverschilligheid voor de waarde van het mensenleven. Of het vol-i ledig ontbreken van geestelijk gezag, dat deze waanzin kan bedwingen. Of de heerschappij van on- en antimenselijke machten, niet in de achterbuurten, kroegen en bordelen waar de verworpenen en vernederden een triest bestaan en wat zielige vreugde genieten, maar in de kringen der zo hoog vereerde en aangebeden wetenschap en techniek. M.a.w. men zal, wril men realistisch en tevens bewogen met het lot der bedreigde mensheid de vrede organiseren, of voorzichtiger: een eerste stap zetten op de lange en moeizame weg tot organisatie van de vrede, èn economisch-politieke samenwerking tot stand moeten brengen, èn geestelijke en morele leiding aan de volkeren geven. Het één kan niet zonder het ander. |

Het lust mij niet het is voor onze lezers ook overbodig om nog eens weer te betogen, dat de Kerk zich dus wèl met politiek bemoeien moet. Er is waarlijk vruchtbare, radicaal-genezende politiek mogelijk zonder geestelijke en morele leiding, zonder een wereld omvattende en bezielende visie. De Kerk, levende uit het Evangelie, d.i. uit de goddelijke bewogenheid met een wereld die haar zelfvernietiging tegemoet holt, heeft haar visie van een leven op aarde in gehoorzaamheid aan Gods heilige wil, die broederlijke gemeenschap insluit, óók voor het economisch-politieke leven concreet te