is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 37, 15-06-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET AANSCHOUWELIJK MAKEN VAN HET BIJBELSE VERHAAL

De zogenaamde „Cathedral Films”, die 1 thans hier en daar in ons land in groter of kleiner kring zijn vertoond, stellen de ■' vraag of op dit ogenblik de techniek van : de film reeds mag —of misschien ook ' jnoet worden gebruikt om het bijbelse 1 verhaal aanschouwelijk te maken. Laat ons vooreerst vaststellen, dat de begeerte om dit te doen alierminst nieuw is.

Wie bekend is met de „Christelijke” kring en zijn jaarfeesten van jongelingsen meisjesvereniging, weet wel, dat reeds bij wijze van spreken van de grondlegging der wereld af (en die begón, zij het in ander opzicht, voor velen met de jongelingsvereniging!) pogingen daartoe gedaan zijn en nog steeds worden ondernomen. In „het tableau”. Die „grote, stomme pantomime-zonder-spreken”. Zoals ik dat eens op een programma van zulk een jaarfeest in Friesland ergens heb zien aangekondigd. Dat was dan, met primitieve middelen, bijvoorbeeld een uitbeelding van de ontvangst door Jozef aan het Egyptische hof van zijn broers en hun ouden vader. Het kon ook een ander tafereel zijn, dat „mooi was aangedaan” en dat uit Zondagsschool en Bijbel aan allen onmiddellijk liet zien, wat het moest voorstellen. Er werd niet bij gesproken. Alleen maar geposeerd en allerlei vreemd licht, van hel wit tot donker rood, moest de diepe indrukken geven, die dit op een primitief publiek, aan niets gewend en principieel gespeend van het toneel, dan dikwijls ook gaf. Vergeet niet, dat er nog geen bioscoop was. Er was slechts de toverlantaarn. Die ging een stap reeds verder. Waagde men het niet in een tableau bijvoorbeeld de figuur van Jezus uit te beelden, de toverlantaarn mocht dit om een of andere ~duistere” reden doen. En voorafgegaan door draaiende sterren, kwam er soms een ganse serie bijbelse voorstellingen, naar Doré of Durand, met een toelichting. En dat werd geaccepteerd. Want dat stond ook in de statenbijbel thuis.

Er kwamen maar wij zijn dan al in onze jaartelling de kinderbijbels, die geïllustreerd werden. Er bleven, nu reeds bijna 100 jaar de „beloningsplaatjes” van de Zondagsschool. Die, als ze enigszins goed waren een episode uit een bijbelse geschiedenis gaven. En als ze niet goed waren, een anjelier met een tekst er onder. En dan had het natuurlijk niets met die aanschouwelijkheid te maken. Intussen, het tableau heeft zich van lieverlee tot,iets ontwikkeld. Tot iets merkwaardigerwijs dat niét aanstonds geaccepteerd werd in de kringen van het tableau, maar daar buiten. Buiten de kring van de jongelingsvereniging, die in ons land, ontsproten aan het réveil, typisch piëtistisch was (en dikwijls nog is), en in elk geval daardoor ook rechtzinnig. Het vervolg, de ontwikkeling in het tableau werd in zekeren zin het lekespel. Dat vereiste handeling en spreken, het vereiste een tekst. Het bewoog zich spoedig rondom de Christelijke feesten. Om Pasen vooral. En het werd voorlopig in hoofdzaak een uiting dier aanschouwelijkheid in het nieuwere, vrijzinnige jeugdwerk der Kerk of der vereniging. Het zal voor een deel zitten, dit verloop van zaken, in het feit, dat de lekespelen door

bv. de V.C.J.B. naar voren werden gebracht. Voor een ander deel, dat het te verkrijgen was bij een bepaalden uitgever en aangezien in Nederland alles een klank heeft, was het misschien ook daarom wel contrabande, omdat de uitgever in rechtzinnige kring geen rechtzinnige naam had. Waar het toneel zich met deze vraag bemoeide, ging het volstrekt heen langs de behoudende, rechtzinnige schare. Ik weet wel, dat ik, leerling van een gereformeerd gymnasium, voor mijn zakgeld op de ~schelling” kroop in Amsterdam, op Zaterdagmiddag, om Vondels treurspelen te zien. Adam in ballingschap, dat mijn kinderen waarschijnlijk onuitstaanbaar saai zullen vinden, vergeet ik toch nooit. En de vragen, de godsdienstige-psychologische vragen, opgeworpen door Ibsen, door Strindberg ook men kan zeggen: wij zijn daar voorbij. Maar wij volgden ze toen. En zij pakten ons aan, vooral in de jaren der onstuimigheid. En wat ik nu zeggen wil: de echte gereformeerde jongens uit mijn jaren mochten er niet heen! De Bijbel, zijn levenssfeer, zijn les en zijn taal, waren voor de Kerk en voor de huiskamer. Daarbuiten was de zonde. En denk niet, dat er in de onderlagen van ons conservatieve Christenvolk veel veranderd is. Er kwam het Passiespel. In Oberammergau. Wij waren eens in Beieren. En ik heb mijn vader, predikant, moeten overreden om er heen te gaan. Hij deed het. Hij ging met tegenzin. Maar kwam min of meer ontdaan weer met ons terug. Kon lange tijd zelfs niets zeggen. Tot hij eindelijk zei: zó kan het, en zó moet het haast wel zijn geweest.

Ook dat Passiespel is een schrede op de weg der aanschouwelijkheid. Zoals het, door de tijden heen, de klassieken zijn geweest, die de Bijbel tot onderwerp kozen. En Remtarandt, die het ongeziene heeft gezien, vooraan. |

En nu is de film. Indien er de bijbelse film is uit de zucht alles te verfilmen en alsof er gebrek aan onderwerp ware—het is er ook dikwijls!, maar dat is een andere zaak —■ dan hoort de Bijbel op het witte doek nog niet thuis. Dat is geen argument. Wel is er het argument der aanschouwelijkheid. Er is het brede en moeilijke terrein der Evangelisatie. Hoe zal men hen, die buiten het besef leven, dat het Evangelie hen raakt, iets, ook met hun vleeselijk oog, laten zien van die toch eigenlijk „andere wereld”, die in de Bijbel gestalte heeft gekregen? Het kan dan al aanstonds geen „prediking” meer zijn, indien opzet en tendens van zulk een film niet uitlopen op de geestelijke reden, waaróm een bepaald verhaal in de Bijbel staat. Want, vergeet men dat of ziet men het niet, dan is zulk een verhaal in feite uit de Bijbel genomen en heeft het geen andere waarde dan elk ander aangrijpend of stichtelijk of mooi of spannend verhaal. Kdn de film dat? Kan een film, laat ons zeggen, het geestelijk moment naar voren brengen van de bekering van Zacheus, den man, die in de boom zat en van wiens huis Jezus zegt, als Hij het verlaat; dezen huize is zaligheid geschied. Want... die bekering breekt in de tekst met zoveel woorden niet eens dóór.

Kan, ander voorbeeld, in Jezus’ ontmoe-

ting met de grote zondares, het geestelijk moment worden duidelijk gemaakt, dat de Heer éérst deze vrouw ver van zich afduwt, als Hij zegt (tot de omstanders): wie van u zonder zonden is, werpe op haar de eerste steen. Het oordeel dus over dit leven. En kan de film de genade daarover uitbeelden, als Jezus zegt: als niemand u veroordeelt, Ik ook niet. Het feit dus, dat God dan Zijn hand op de schouder dezep vrouw legt en zegt: En kom nou tóch maar hier! De film, zonder meer, kan goed zijn en kunst ook. Maar als zij de Bijbel verfilmt, moet wel haast om bovengemelde reden, het Bijbelwoord dikwerf secundair worden, naar het tweede plan worden gebracht. En om dat woord gaat het meestentijds. Als in de gelijkenissen. Als dat er is, komt er ten hoogste een misschien Christelijke roman op het doek. En dan is het slechter dan de verfilming van een goed, doodgewoon boek, met een bijbelse, of als ge wilt. Christelijke strekking. Liever zie ik dan in beeld gebracht het onvergankelijke „Oostloorn” of een boek van Van Randwijk. En de keus is dan oók nog zeer beperkt.

Daarom, het komt ons voor, dat de film nog niet in het stadium verkeert harer ontwikkeling, dat om het doel der aanschouwelijkheid te bereiken, een aanschouwelijkheid, die dan toch zeker ook het geestesoog zal dienen te bereiken, thans reeds naar haar gegrepen moet worden. Dan zegt voorlopig de voorstelling van Rembrandt’s Verloren Zoon meer en juister en evangelischer, waarom het ging en gaat dan wat de Cathedral film ons hiervan liet zien. En de Passiemuziek van Bach, het muziek-drama in zekere zin „in beeld” doet dit vooralsnog juister en aangrijpender. En... het toneel zal het nog beter kunnen doen, waar de mogelijkheid ligt het godsdienstig moment te vertolken, en niet de louter visuele flits. Als wij thans denken aan „Paulus onder de Joden”, dan prefereren wij dit verre boven de film. En wij zouden wel willen, dat zovelen, die toch dag aan dag „met de Bijbel” leven, eens daarheen gingen, om Paulus en zijn strijd te verstaan, om de sfeer, waarin hij handelde en wandelde te leren kennen en om voor het heden te beseffen, welke problemen in dat verleden ook voor ons, moderne mensen, de voornaamsten zijn. N. G. J. V. SCHOUWENBURG.

BENTVELDNIEUWS

De vlag wordt gehesen.

Zaterdag 29 Juni, des namiddags om drie uur, zal het A.G.-huis te Bentveld weer officieel in gebruik genomen worden. De vlag gered uit de vernieling zal dan gehesen worden. Banning zal ons toespreken. Er zal gezongen, gedeclameerd en thee geschonken worden. En daartussendoor zullen wij elkander spreken, wij zullen handen schudden en schouders kloppen. En om een uur of zes gaan we weer naar huis. Wij beginnen sober, maar goed. Onze oude en nieuwe vrienden zijn allen hartelijk welkom.

Maar... hoewel hieraan geen kosten verbonden zijn, vragen wij toch een bijdrage. Wij verwachten, van wie het enigszins missen kan, een handdoek, een theedoek, een mes, een vork, een lepel. Serviesgoed is er nog wel, -maar voor de rest hangen wij van onze vrienden af.

Tenslotte: voor het goed functionneren van het werk hebben wij een schrijfmachine en een stencilmachine nodig. Liefst te koop, anders in bruikleen. Wie doet een aanbieding?