is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 38, 22-06-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leek, maar het niet was. Hij lag heel stil, de ogen dicht, totdat hij opeens woedende klanken van zich liet. Kerkelijke klanken. En ik herinner mij ook hoe onwaarschijnlijk mij toen reeds zulk een situatie toescheen: een zonnebader met vlak achter zich het prikkeldraad waar de schildwacht zwetend in zijn tuniek achter liep, en deze zonnebader die zo geheel en voortdurend één was met de taak die hij zich zag gesteld dat hij zelfs tussen zon en dood het niet kon laten om het kerkelijk gesprek met zichzelf verder te voeren.

Gravemeijer, dien sommigen voor den duivel zelf houden. En dien anderen trachten te vleien. Men moet dat laatste vooral niet doen: een ruigen beer te vleien is onbehoorlijk en bovendien niet zonder gevaar. En wat die duivelse reputatie betreft: hij heeft die faam gemeen met wijlen Paganini den violist, en de zaak is veel eenvoudiger en beter dan ze op een afstand soms lijkt. Ik heb dat ook moeten leren. Van Paganini wordt verteld dat op een avond, toen hij stond te concerteren, alle snaren van zijn viool knapten, behalve één. En dat er toen een juffrouw voor in de zaal giebelde omdat ze, zeer begrijpelijk, dacht dat het nu uit was met het stuk en met den groten man. Maar dat Paganini toen, na één van zijn zogezegde „duivelse” blikken op haar te hebben geworpen, doorspeelde op één snaar! Om die ene snaar is het me te doen inzake Gravemeijer, den secretaris der Synode in de jaren 1940—1945. Die ene snaar heet met een term uit de dogmatiek: de rechtvaardiging van den goddeloze. Op die ene snaar liet hij, op den keper beschouwd, tenslotte altijd alles aankomen. Onnoemelijk vele malen knapten alle snaren en iedereen schoof zijn stoel al achteruit, denkende dat verder spelen geen zin meer had en het gesprek der „richtingen” weer eens was vastgelopen maar deze ene snaar hield het. Zij bepaalt de theologie, de prediking, het secretarisschap in de oorlogsjaren, ja het hele wezen van deze persoonlijkheid.

Velen zeggen: dit is eenzijdig. Het is. Gravemeijer is een monologiserend mens, wiens stem een klankbodem zoekt die altijd verder ligt dan degene die hij toevallig tegenover zich heeft, hij zoekt: de kerk, en zijn stem is er op uit om de stem der kerk te wekken uit de verstijving van enkele eeuwen. Dat is voor dengene die in het gesprek zijn partner is vaak irritant, toegegeven, maar zo alleen weet hij, die geen echte dialoog vermag te voeren, zijn ene doel altijd te onthouden: op gang te brengen de dialoog der kerk met zichzelf die het kenmerk is der levende kerk. Beter dan om van duivelswerk en dergelijke oncontroleerbare dingen te spreken of, vleiend onbillijk, van de „dynamiek ener persoonlijkheid”; of, boosaardiger, van het gebeten zijn door het hondje dat ~leidersprincipe” heet is het om zich af te vragen van welk een grote betekenis deze ene snaar dan toch wel is op het instrument van de kerkelijke verkondiging der eeuwen dat zij bij voortduring op de keerpunten van de weg der kerk de bijbelse melodie weet vast te houden en haar dan gehoor, algemeen gehoor, het oor der verloren schare, weet te verschaffen. Dat is de verdienste van Gravemeijer dat hij het op die ene snaar liet aankomen, het met haar alleen waagde. Zijn onwaardeerbare verdienste. Die niet zijn verdienste is. En hij weet het.

Maar, ontegenzeggelijk, van „de grote drie” lijkt hij het meest op Don Quichotte. Banning brengt zijn diepe blik in de moderne mens en de moderne samenleving mede, Kraemer zijn wijde perspectieven uit de Wereldkerk en van het Zendingsveld

Gravemeijer brengt eigenlijk alleen mede wat de Fransen, onvertaalbaar, noemen ~son panache”. De vijanden vertalen dit dan met „zijn lef” en zij die wat al te exclusief zich zijn vrienden noemen met „zijn geloof”, maar nergens dan juist hier is die Italiaanse zegswijze zo verhelderend en die zegt dat alle vertalen eigenlijk verraden is. Gravemeijer zelf echter pleegt, als het gesprek dan in dit slop raakt, dat welhaast ondefinieërbare en toch zo sprekende gebaar met zijn handen te maken, lege handen die weggeven, prijsgeven, loslaten, overlaten dat gebaar dat ik onmiddellijk herkende toen ik het hem zag maken, herkende van een etsje van Rembrandt: Petrus knielend, Petrus met de ene sleutel in die geopende hand, wegglijdend de sleutel als het ware, hij kan hem niet vasthouden en wie zai hem nu opvangen, „neem hem terug. Heer, ik ben immers toch altijd de loochenaar, wat kan het mij ook eigenlijk schelen, het is Uw zaak alleen. Uw zaak hóórt Ge, üw zaak...” Dr. Kohlbrugge is zijn leraar bij uitnemendheid geweest. En in die tijd die er ligt tussen Kohlbrugge’s promotie en die van Gravemeijer is er heel wat veranderd. Kohlbrugge promoveerde in 1829 te Utrecht. Over Psalm 35 handelde hij in zijn dissertatie en legde die Psalm uit op Christus als den bruidegom en de kerk als Zijn bruid, en dit was toentertijd een zeer ongehoorde en evenzeer ongewenste zaak geworden. Hij kreeg dan ook genoegzaam op zijn nek voor dit stoute stukje om zulke gedachten uit de nachtschuit te durven lanceren voor zulk een ernstig-wetenschappelyke aangelegenheid als een promotie. Wetenschappelijk! Hoe lang is dat woord niet een soort van papieren vloek geweest; ieder die zich te netjes vond om maar dadelijk en voluit en eerlijk g.v.d. te zeggen zei dan „wetenschappelijk”, en ik ken hele boeken uit die tijd welker zware pantsering van droge geleerdheid en zogenaamd exacte wetenschappelijkheid nergens anders toe moet dienen dan om met papier te bemantelen hetgeen niet anders is dan: een vloek. Maar wie niet rechtop vloeken kan, die kan ook niet oprecht bidden, had Luther, wiens gestalte achter de rug van Kohlbrugge verrijst al gezegd; en zo bleef het vloeken achterwege, evenals het bidden; wat restte was een baal papierpap en de eindeloze verveling ener theologie die

haar thema kwijt was en de nationale ramp ener kerk die met haar eigen opdracht overhoop lag. Kohlbrugge’s promotie bracht hem dan ook allerminst de hoogste eer; ze bracht hem wel zijn vrouw, hetgeen wederom iets is dat niet past in de wetenschappelijke stijl maar bij Kohlbrugge zeer wel aansluit, omdat een vrouw soms voor een man een „summa cum laude” van Godswege kan betekenen.

De promotie van Gravemeijer echter geschiedt eershalve, dus zonder dat er een baal papierpap op tafel ligt. Wetenschappelijk gesproken is het een kale bedoening. Maar misschien rust ook hier, bij de grote eer die hem wordt aangedaan, niet anders en beter dan dat gebaar van die handen die verklaren leeg te zijn, want eens was er immers een tijd dat ook het ambt der doctores een kérkelijk ambt was. En misschien is dit dan toch de uitnemend wetenschappelijke aanduiding ervan wat zich heden begint te voltrekken aan verschuiving in de opvatting aangaande de verhouding van kerk en staat.

Maar evenmin ais dat aan Kohlbrugge te beurt viel, zal voor Gravemeijer de eer onverdeeld en onvermengd zijn van bijgeluiden. Nog steeds is de halfzachte orthodoxie de venijnigste en heimelijkste en daardoor de gevaarlijkste tegenstander van een ieder die zich in Kohlbrugge’s Schriftuurlijke sporen keert tegen de burgerlijke verstijving der kerk. Daar is het grootst de haat tegen dit thema der ene snaar die heet: de rechtvaardiging van den goddeloze. Want deze doorbreekt zingend alle schema’s, en hier heeft men zijn schema’s zeer lief! Maar het is een goede haat die men niet bevreesd moet zijn op zich te laden al zal men het niettemin steeds weer opnieuw zijn, en hopelijk ook steeds met die huivering die het gebaar der lege handen doet maken! hij staat heel dicht in de buurt van die haat waarmede in het Evangelie Jezus zelf wordt gehaat en tenslotte kan het er toch alleen maar om gaan om die vreemde en ons wonderlijk wedervaren nabijheid niet te verliezen

Honoris causa! Rijdt voort. Dan Quichotte. Uw eer ligt veilig in dezelfde handen die de rechtvaardiging uwer droeve en geliefde figuur vast bewaren. Gij weet het, dit zijn niet de erende handen die U deze welverdiende doctorshoed opzetten! F. R. A. HENKELS

Buitenland

SOWJET-RUSLAND NA DE OORLOG

Naast onze binnenlandse politiek en de talrijke en gecompliceerde internationale verwikkelingen vormen de interne problemen der grote mogendheden de stof van ons dagelijks nieuws. ledere morgen kan de radio u de bijzonderheden vertellen over de Amerikaanse stakingen, de Engelse nationalisaties, de Franse verkiezingen en de Chinese wapenstiistanden. Alleen uit Moskou komt weinig binnenlands nieuws. Dat wil niet zeggen, dat er in Rusland niets of ook maar niets bijzonders gebeurt. Moskou houdt er niet van de wereld met zijn problemen te laten meeleven. Van tijd tot tijd blijkt wei eens met opzet wat naar buiten, maar liever dopt men zijn bonen zonder pottenkijkerij. Enerzijds is dat het gevolg van wantrouwen jegens het buitenland, anderzijds moet er een stuk propaganda in zitten; welk een krachtige, onverzettelijke indruk moet niet de Sowjetunie maken naast ianden als de U.S.A., Engeland en Frankrijk, waar in herhaalde convulsies het openbare leven zich na de

oorlog slechts met moeite herstelt. In dit iaatste opzicht kan men het Rusland van na 1815 vergelijken met het huidige: het was toen mede zo’n belangrijke factor in de internationale politiek dank zij zijn door geen naar buiten biij kende rimpeling verstoord prestige.

Men kan zich nauwelijks voorstellen dat het binnenlandse leven in de U.S.S.R. zonder beweging is. Wat een veranderingen zijn er in dat land niet geweest! Na 1900 de Japanse oorlog, de gisting, de eerste wereldoorlog, de diep ingrijpende revolutie, de langzame consolidatie, opnieuw oorlog met ontzettende volksverhuizingen, ontbering en krachtsinspanning. En van wat in zo’n volk leeft en woelt, zou niets te vertellen zijn? De kunst is maar betrouwbare gegevens te vinden over de feiten in kwestie. Enige in de laatste tijd verschenen artikelen in de Zwitserse pers kunnen hier helpen; ook al valt hun betrouwbaarheid van hier uit moeilijk te , (Vervolg op pagr. 6).