is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 43, 03-08-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ignazio Silonc

Zaad onder de sneeuw

Eindelijk een nieuwe Silone! Weliswaar nog geen Nederlandse uitgave die pas over enkele maanden zal verschijnen maar toch: enkele exemplaren van deze in 1942 gepubliceerde roman „II seme sotto la neve” en van de in New York en Zürich verschenen Duitse uitgave zijn naar Nederland gekomen.

Herinnert u zich nog Pietro Spina, den balling, die naar Italië is teruggekeerd, om zijn politieke werk in het vaderland voort te zetten en wiens lijdensweg in „Brood en Wijn” werd geschilderd? Het nieuwe boek „Zaad onder de sneeuw”, een afgerond geheel, vertelt ons veel over dezen Pietro Spina, zijn leven als onderduiker, zijn zoeken en hunkeren naar waarheid en vriendschap die hij vindt; niet bij de „groten”, maar bij een ezel, maar bij een doofstomme, maar bij primitieve cafoni (landarbeiders). Waarom strijdt hij tegen het fascisme? Omdat hij mens is gebleven en beseft, dat het fascisme het meest duivelse kind van een verworden mensheid is. Tegenover de enkele waarachtigen plaatst Silone de wereld van het rhetorische, de redenaars en hun luisteraars die zich een roes drinken aan holle bedriegende woorden.

Gedragen wordt deze roman van Silone door Franciscaanse liefde; Spina is een dolende Don Quijote; en de vorm wordt bepaald door de dialoog, door vele gesprekken die aan Grimmelshausen’s driehonderd jaar oude boek „Simplicius Simplicissimus” doen denken: wijsheid en spot staan achter die dialogen. Drie klassieke namen heb ik genoemd namen van heiligen en romanfiguren: zij é.llen traden op en werden geboren in tijden van crisis. En wij hebben wij de crisis onzer dagen overwonnen? Is het donker verslagen ....? Hier volgt een gedeelte van een gesprek tussen Pietro Spina en de vriendin Faustina:

Pietro zegt: .... „Zolang de mens alleen om de op-

lossing van de naakte levenskwesties strijdt, voor eten, werk, gezondheid, de geslachtsdriften, zólang verheft hij zich niet boven het dier. Hij begint pas waarachtig mens te zijn, wanneer hij begint zichzelf te vragen: wat is dit ons menselijk leven? En wanneer men geen antwoord vindt, dat het bewustzijn bevredigt, mag men niet nalaten met te vragen, tot aan de dood, tot aan de laatste ademtocht. Sommigen vrezen daarbij misschien, zodoende hun leven te verknoeien; in wezen echter maken zij er een beter gebruik van, een beter en waardiger gebruik, dan wanneer zij er op uit zouden zijn om Commendatore te worden.” Faustina zegt: „Ach, Pietro, waar neem jij zoveel moed vandaan? Heb jij de waarheid? Geloof jij, in het bezit van de waarheid te zijn?” Pietro zegt:

„Neen, Faustina, maar ik ben van enkele dingen zeker. Kan men eigenlijk, Faustina, in het bezit van de waarheid zijn? Wij kunnen zeggen, wij bezitten een huis, een wijnberg, kleren; maar kan men zeggen: ik bezit de waarheid, zij behoort mij toe? Ik weet, de priesters zeggen het; en aangezien zij zichzelve zien als de meest bevoegde eigenaren van de waarheid, houden zij zich volgens het Romeinse recht ook bevoegd, haar te verkopen en iedere dwaasheid met haar te plegen. Ik geloof, Faustina, dat de waarheid groter is dan wij; de bomen laten ons het bos nog niet zien. Ik bezit niet de waarheid, maar misschien bezit zij mij. Ik bemin haar, dat staat vast, en zodra zich voor mij het kleinste deeltje van haar openbaart, een kleine zekerheid, tracht ik haar te beminnen, doe ik moeite haar te dienen. Het gelukt mij helaas niet altijd. Ik zou dom moeten zijn, Faustina, om niet de beperktheid van mijn weten waar te nemen...” Faustina zegt: „Maar, Pietro, je kan toch niet steeds blijven vragen: wie ben ik, wat is het leven? Je moet ook leven, alleen het leven zelf kan het antwoord geven.” Pietro zegt:

„Ook voor mij, Faustina, was het zwaarder en knellender dan ik je nu zou kunnen mededelen, niets te kunnen doen, nadat ik uit het buitenland was teruggekeerd om te werken, om tegen de dictatuur te strijden; ook voor mij was het onzegbaar zwaar haast een jaar in deze streek te moeten vertoeven, zonder iets te kunnen ondernemen, vastgebonden en me alleen bezig houdend met mijn eigen, innerlijke beslissingen. Maar ik heb, tot mijn eigen schande, moeten leren, dat men eerst zichzelf moet bezitten, voordat men zich kan geven. De mannen, die innerlijk slaven zijn, kunnen geen werkelijk werk der vrijheid volbrengen .... Uiteindelijk is er toch geen hoger en belangrijker bezigheid dan die het bewustzijn van zichzelf te verwerven en het weten om de betekenis van zijn eigen bestaan op deze aarde. Al het andere komt later, zoals de kar achter de os. Ik voel nu, dat twee van de diepste beweegredenen van mijn leven uit gene smartelijke beslissing gesterkt naar voren zijn gekomen: mijn afwijzing van de heersende sociale orde en

mijn saamhorigheidsgevoel met de armen. Twee beweegredenen die in ’t diepst samensmelten. De liefde tot de armen is zo diep geworteld in mij, als was zij in een vroeger leven met mij vereenzelvigd. Ik kan mij voorstellen zonder handen en voeten te zijn, maar niet zonder dit gevoel. De liefde tot de armen was mijn heil. Realiseer je, Faustina, zonder haar was ik misschien regeringsspreker geworden.” Faustina zegt:

„Ook ik ken de armen, Pietro. Ik begrijp je liefde voor hen, je medelijden met hun smarten, maar ik vrees, dat het beeld dat je je van hen hebt gemaakt, te mooi is.” Pietro zegt:

„Ik hou van de armen niet uit medelijden, Faustina, zoals de dames van de weldadigheidsverenigingen; ook niet om politieke redenen, omdat zij de meerderheid zijn, de massa, en omdat men heden ten dage de massa achter zich moet hebben om macht te verkrijgen ik geloof de armen niet alleen uit een onverklaarbaar, onverbrekelijk saamhorigheidsgevoel, een onverklaarbaar, onverbrekelijk gevoel van broederschap (waarover ik je niet meer zou kunnen zeggen) te beminnen, maar daarom voornamelijk, omdat de menselijke waarheid tot hén is gevlucht.” Faustina zegt: „De menselijke waarheid, Pietro, is dit niet het kruis?”

Pietro zegt: „Het is zo, Faustina, maar zwaarder dan de anderen, dragen de armen het kruis, de fabrieksarbeiders, de Cafoni, de Fellah’s, de koelies, de arme Joden zonder land, die overal worden vervolgd. Niet zonder reden v/erden de armen de leden van Jezus genoemd. In een land als het onze, waar alles in ’t werk wordt gesteld om het drijfwerk

van de maatschappij te verbergen (alles: kerk, kunst, onderwijs, pers, justitie), is er, dunkt mij, maar één manier om te leven, om het wezen der dingen, de ware samenhang te leren kennen: men moet tot de armen gaan, met hen leven, voor zover het mogelijk is: worden zoals zij. Ik verbeeld mij niet dat iedere arme de waarheid bezit. Ik weet heel goed dat hun geestelijke ellende, gekweekt en goed onderhouden door de vruchtgebruikers van deze ellendige toestarid, zeer vaak even groot is als hun lichamelijke behoeftigheid. Helaas zijn ze zeer vaak kleinzielig, bijgelovig, ruw, egocentrisch, en wanneer zij op de sociale ladder een kleine trede hoger stijgen en een weinig bezit kunnen bemachtigen, worden zij bepaald wild; ofschoon ik ook onder de armen enkele uitzonderingen heb leren kennen. Wie echter beheerst wordt door de onweerstaanbare behoefte te begrijpen, zich rekenschap te geven, zal ontdekken, wanneer hij tot de armen gaat en te midden van hen leeft, wat verborgen is achter de traditionele drogredenen van onze klassieke cultuur, hij zal een schrikwekkend aantal verboden waarheden ontdekken. Een jaar geleden keerde ik uit het buitenland terug als iemand die zoekt wat hij verloren heeft; het was, geloof ik, het gezelschap der armé lieden, dat ik in het onechte leven der ballingschap onder de ambtenaren van mijn partij miste.”

Faustina zegt:

„Misschien heb je gelijk, Pietro. Men moet weggaan en terugkeren, dan ontdekt men vele dingen. Mijn fout is dat ik in Ortha ben gebleven. Men moet zich losmaken en dan weeromkomen; daarna ziet men de dingen anders”

(Vertaling: H. Wielek.)

sssl..

laten slapen

Er is een lichte deining rondom „Onze Kerkklok”, het gemeenteblad van de Ned. Herv. Gemeente van Huizum, ontstaan.

Ds. Smits had er in geschreven naar aanleiding van de verkiezingen. Hij had gezegd, dat de uitslag, christelijk gezien, een teleurstelling was. En toen sprong een Christelijk Historisch gemeentelid op de ketting. Want het blad is voor de gehele gemeente, en het wordt geredigeerd mede onder verantwoordelijkheid van den voorganger der Evangelisatie, Ds. G. Wassenaar.

De „Christelijke Historische Nederlander” maakte zich tolk van de verontrusting van dit gemeentelid, den heer P. v. d. Vlerk te Huizum. Hij vroeg: hoe is het mogelijk, dat onze dominé dat duldde?

Nu, Ds. G. Wassenaar antwoordt daarop in het nummer van 4 Juli. Hij zegt: ziet, ik heb C.H.U. gestemd. Maar toch ben ik helemaal niet gelukkig met de uitslag van de verkiezing. Hij zegt dit: „Beslist onhistorisch en niet-christelijk is het als beweerd

wordt, dat de aftakeling van vele gemeenten een gevolg is van het feit, dat de voorgangers de politiek in de Kerk brachten. De oorzaak ligt toch oneindig veel dieper. Wij raken hier aan de nood van onze hele Kerk, aan de nood van haar prediking. Ook rechtzinnige gemeenten vertoonden een aftakelingsproces. En hebben zij de arbeiders binnen de Kerk kunnen trekken? Neen(' zij evenmin! ”

En nu het antwoord van den heer P. v. d. Vlerk.

„Ja, Ds., de Politiek heeft veel dieper ingevreten in de Kerk, dan U meent. Waar het Socialisme het sterkst is, zijn de Kerken het leegst en waar de rechtse partijen het sterkst zijn, zijn de Kerken het volst. Mij hunkt, Ds., zulke bewijzen zijn toch doorslaand genoeg.

Daar Ds. schrijft, dat ook Rechtzinnige gemeenten een aftakeling vertoonden, moet hem zeggen, dat ik zulke niet ken.” Hier is geen commentaar mogelijk verder. ®HI laten doorslapen! l. H. R.

We moeten hem nu maar even helpen door hem te dragen, in plaats van hem drie hoog te laten klimmen. Hij is zó moe van al ’t nieuwe, dat hij heeft beleefd vandaag, onze bijna twee-jarige zoon.

Het begon al met „uit-direct-na ’t ontbijt” in het ivagentje en pappa ging mee en niet op de fiets naar school met de kinderen, zoals anders. De rit door de stad bood weinig opwindends: geen trams en auto’s ’t is Zondag en nog maar enkele mensen op straat. Maar we hebben de voorpret van een tochtje met een boot op t water, düt belooft wat!

En daar is de boot. We rijden er zo maar op, met.wagentje en al en zoeken dan een plaatsje aan de kant. En nu begint ’t. De boot ligt vlak bij een brug Alle verkej niordt benoemd. Het is voor hemzelf nog elke keer uwer Ten beLtnL nnfZZ opeens onder de brug een en enen later een kano! Hij raakt niet uitgekeken. Wat is er met petten op en hengels in de hand, soms vergezeld van vrouw en kinderen en opa en omoe, die ook wel eens een dagje TpZ'dfk"’ honden, hollende kinderen: het is een gezellig

SM, de kapitein heeft wat te zeggen. Hij spreekt ons vaderlijk toe: „Nou moeten laatste boot teruggaan, want dan kunnen we vast niet f volgende zal nog wel voller zijn en al die lui moeten veer terug naar Amsterdam. Nou, dan begrijp je het wel.” We begrijpen het en we pen. We liggen los en varen! De kleine jongen is er even stil van maar nu gaan WIJ onder de brug. ’t Wordt donker, het water is weg en dan is ’t >eer licht. En als om het ons goed in te prenten, is er alweer een brug en we komen nogeens-in t donker. Als we dan weer in ’t licht komen, zien in het water, eendjes, die we al zo dikwijls op een plaatje hebben gezien en eeZjeZ hebben gezongen en onze jongen jubelt: alle eendjes, alle

clf nog een half uurtje, nu over de Amstel, we wandelen in Ouderkerk we c rinken karnemelk in een uitspanning en hij gooit met het grint-van de naden van dat grint in moeders glas karnemelk en hij mag van ten mevrouw koekjes stoppen in de bek van een grote hond en we varen weer allemaal fijn, maar als we weer thuis zijn en kij een poosje gerust heeft en wij zeggen: weet je ’t nog van de bnnf? tinn hoof* hij z’n antwoord direct klaar:„vaje boot, onde bug doZe.”

M. L. B.—v. R