is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 44, 10-08-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TER DANKBARE NAGEDACHTENIS AAN DORA DE JONG

Geboren 23 Jan. 1877, overleden 29 Juli 1946

Honderden onzer lezers kennen Dora, en toch „schreef” zij niet in „Tijd en Taak”. Men kent haar als secretaresse van de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers, als medeleidster van het werk in Barchem Bentveld Kortehemmen. Er zou over haar te spreken zijn in haar werk voor de drankbestrijding voorzitster gedurende lange jaren van de N.V., afdeling Nieuwendam, lid van de N.H.P.C., lid van het hoofdbestuur der N.V.; er kan haar dank worden gebracht namens de soc. dem. vrouwenclubs, vooral die van Amsterdam, wier voorzitster zij was. Wij gedenken haar in haar werken zijn in de A.G. en verdere religieussocialistische kring als een der sterk meedragende figuren uit de periode tussen de beide wereldoorlogen.

Ik meen te mogen zeggen: geestelijk leefde zij uit Barchem, uit de verdiepte en verinnigde godsdienstigheid van de Woodbrookerskring, die zo velen onzer een sterk stempel heeft opgedrukt. Zij was reeds in de eerste jaren, ik meen voor het eerst in 1915, in Barchem geweest en daar sterk gegrepen. Toen in 1919 de Woodbrookers Ver. besloot afzonderlijk werk in het leven te roepen, dat „de arbeidersbeweging zou dienen in religieuzen geest” was Dora bij de commissie van 5 die het werk opzette en later het bestuur zou vormen tot 1940 toe nam zij het secretariaat waar. Zij heeft het werk, waarin zij met haar voUe hart geloofde, zien en helpen groeien, en in dienst van deze gedachte enorm veel verzet, óók het ondankbare werk van veel administratie, maar vooral het uiterst dankbare van te mogen zijn onder de mensen zij heeft er ook, als wij allen, een verrijking gevonden, waarover wij nimmer zonder ontroering kunnen spreken. Wij Dora en anderen hebben wel in meer „besturen” gezeten. Maar ik ben er volstrekt zeker van: aan geen samenwerking denken wij met zo innige dankbaarheid terug als die in de A.G. en Barchemkring. Niet dat alles van een leien dakje ging er is in deze kringen diep geestelijk geworsteld, er zijn ook wel wonden geslagen. Maar voortdurend werd gestreefd naar eerbiediging van den ander, die men ook wist kind van God te zijn, werd volledig ruimte gelaten aan den ander, en nimmer gedwongen, werd samen gebeden om de voorlichting van Gods Heiligen Geest bij ons gebrekkig mensenwerk en zo zijn banden gelegd, die buitenstaanders nimmer op de juiste waarde kunnen schatten. Daarom ook heb ik het gevoel, dat ik het wezenlijke van het verlies van Dora niet kan zeggen. Ach ja, wij verliezen een vriendin al sinds 1909, toen wij samen met een groepje jongeren Nieuwendam en Waterland op stelten zetten door onze drankbestrijderspropaganda . . . een vriendschap van zó lange jaren, die ons gehele gezin mee omvatte is natuurlijk heel veel waard. En wij verliezen een warme, gave, spontane, voortdurend gevende persoonlijkheid in onze kring, aan wie we ons telkens weer konden optrekken zulke zijn nu eenmaal niet dicht gezaaid, en worden bij het wegvallen van anderen te waardevoller! En toch is dit niet het wezenlijke voor mijn gevoel ... ik heb in deze dagen mij wat overgegeven aan herinneringen, en zie haar in allerlei situaties. Ik zie haar als leidster van cursussen, openen en sluiten, zie het ietwat nerveuze

gebaar met de lorgnet, het strijken over het hoofdhaar, en hoor haar bewogen stem als zij, wij in de kring om de lessenaars gezeten, voor wij van de berg terug gingen naar de wereld en haar nood getuigde van het Licht over haar leven, de Grote heilige Liefde van God. Ik zie haar wandelen, met enkelingen langs de eenzame paadjes, luisterend naar wat een andere ziel tot de hare sprak van leed en strijd. Ik zie haar druk-beredderend, driftigbewegend wanneer huishoudelijke karweien moesten opgeknapt, b.v. in die razend drukke zomer van 1931 toen het grote huis in Bentveld moest worden geopend; of stil aandachtig met gesloten ogen in de wijdingsstond, waarin voor zovelen onzer diepe geheimenissen zijn opengegaan. Ik zie haar te midden van onze arbeidersvrouwen in de werklozen-internaten: de leidster die met een grap er de wind onder had en die de vrouwen stil wist te krijgen in eerbied wanneer zij sprak over het zoeken en vinden van God ieder voelde, ook al kon zij niet verstaan: dit was echt, persoonlijk doorleefd. Ik zie haar in onze bestuurskring, waar de mannen wel eens heel zwaar konden praten, en Dora ons meer dan eens tot stille beschaming voerde; ik zie haar daar vooral in wel eens pijnlijk insnijdende conflicten, waarbij mensen voorgoed uiteen dreigden te gaan: dan was ze er met haar hele hart bij en in, als een gebed om zuiverheid.

Ik weet: velen, die het bericht van haar dood met ontroering ontvangen, hebben hun eigen, dankbare herinneringen. Laat mij mogen zeggen: zeker, wat Dora voor ons allen was, ligt in het geheim van haar persoonlijkheid maar zij lééfde uit „Barchem” en zij wordt pas verstaan, door wie daar met haar hebben mogen leren het geheim van waarachtige geestelijke worsteling, van dienen en doorgeven, van bidden

in de stille wijding en gezegend worden. Dat zij, na de laatste weken intens te hebben genoten van het Achterhoekse land, in Barchem stierf, wordt ons, die haar daar geworteld weten, tot symbool zo is het goed. De baar was gedekt met de vlag van de Arbeiders Gemeenschap, door haar in 1931 bij de opening van het Bentveldhuis ontworpen, de vlag die waar zij zelf schreef, „de kleuren heeft èn van de Engelse Woodbrookers èn van het socialisme” zo was het goed.

Haar leven overziende, blijft dat de overheersende toon: door wat God in Barchem aan haar deed, werd het zo goed voor ons. Onze droefheid om een groot verlies wordt aldus doorstraald van dankbaarheid . . . W. B.

KLEINE ERGERNIS

Ik ben er neerslachtig van geworden. Ik kan niet meer op eigen benen staan. Het begon met een Prot. Christ. verkiezingspamflet, waarin ik lezen moest: „In de strijd tegen het Communisme staan wij voorop. Zou Rome ooit onderhandelen met de Revolutie, wij zullen nimmer transigeren. De Communisten weten het. De felste aanvallen richt de C.P.N. dan ook op de P. V. d. A. Daar vallen de slachtoffers.” „Dat ziet er voor mij niet mooi uit”, dacht ik. „Daar gaan wij, de onbetrouwbare strijders.” Toen las ik in een Communistisch drukwerk: „Naar de afgrond der reactie sleuren ons de A.R. en de Vrijheidsbonders. Moeizaam poogt de R.K.V.P. zich aan hun worgende omhelzing te ontworstelen. Maar ook de P. v. d. A. ontkomt niet aan haar dodelijke greep. Pal in de strijd voor het proletariaat staan wij alleen.” Weer ben ik betrokken in een hachelijk avontuur en weer ben ik bijna verloren. Maar nog onthutst lees ik verder in een R.K. weekblad: „De af val van God voltrekt zich sedert de Renaissance met verhoogde snel-

heid: éérst het Protestantisme, dan de Verlichting en de Vrijzinnigheid, en tenslotte het Atheïsme en Communisme ” Ik kreeg een duizelig gevoel. Reeds vanaf de Renaissance was ik aan het glijden en nu werd mij de afgrond getoond, waarin ik noodlottig terecht zou komen.

Hebt u gemerkt lezer, dat mensen als wij altijd in de rij geplaatst worden ergens achter aan, arme sukkels, die wij zijn. Telkens dreigen wij af te glijden naar diepe afgronden, de laatste strijd te verliezen, aanstonds overstag te gaan. Maar zij staan voorop, onwrikbaar en pai gefundeerd op hun stoere beginselen en met een oprecht medelijden met die zwakke, glijdende, schuivende broeders.

Als ze er maar aan denken, dat wij geen bouwstenen zijn voor hun apotheosen; dat andere mensen op een rijtje te zetten en zelf voorop te gaan staan, wel de hoge dunk aantoont, die men zelf heeft van eigen voortreffelijkheid, maar daarvan geen bewijs is; en dat.... wij best op eigen benen kunnen staan. J- G. B.