is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 44, 10-08-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Arabische ksrestie

In mijn vorige bijdrage, die handelde over de huidige Engelse buitenlandse politiek in haar aarzelen tussen een nationaalgeografische en een beginselvaste richting, eindigde ik met vast te stellen dat een ideologische lijn wel geheel ontbreekt bij de behandeling der Arabische kwestie.

Arabische kwestie, dat is stellig geen algemene gebruikelijke zegswijze. Kwesties in de internationale politiek komen immers meestal niet zomaar naar voren; integendeel, als van zekere zijde' een actualiteit als kwestie wordt beschouwd en in het leven gehouden of zelfs geroepen wordt zij zo door een deel van het publiek gekwalificeerd. Met andere woorden: wie geneigd is een bepaalde situatie nog niet of niet meer als vaststaand te beschouwen, spreekt van een kwestie; wie dezelfde toestand niet aan verandering onderhevig acht, bestrijdt het kwestiekarakter. Voorbeelden: voor wie de Indonesische Repoeblik geen tastbaar feit is, bestaat er een Indonesische kwestie; Hitler schiep de Sudetenkwestie welker bestaan de Tsjechen zo lang mogelijk ontkenden.

Wie nu van Palestijnse kwestie spreekt, geeft daarmee te kennen dat hij alleen let op het kleine stuk land waar de beroering heden ten dage zo groot is. Spreken van Palestijnse kwestie zou doen veronderstellen dat een oplossing ervan afhankelijk is van factoren binnen de landspalen. Dat is niet het geval, verre van dat. De zogenaamde Palestijnse kwestie is betrokken bij: 1) de structuurverandering van de Arabische wereld na de vorige wereldoorlog; 2) het internationale vraagstuk der Joodse displaced persons in Europe; 3) de algemene en vooral de maritieme staatkunde van het Britse Tijk; 4) de Britse Mohammedanenpolitiek vooral in verband met de ontvoogding van India; 5) de Amerikaanse buitenlandse economische politiek, vooral met betrekking tot de Arabische olievelden; 6) de Amerikaanse binnenlandse politiek, waarin de stemmen van onvoldoende geassimileerde groepen van ex-emigranten als leren, Polen, en in dit geval Oosteuropese Joden (enige millioenen) bij de komende presidents- en congresverkiezingen de doorslag kunnen geven; 7) de nog ondoorzichtige maar althans in potentie aanwezige Middellandse Zeepolitiek der Sowjetunie.

Het zou te ver voeren en te veel plaats eisen elk dezer factoren afzonderlijk en in zijn samenhang met alle andere nader te beschouwen. Hier wil ik ditmaal volstaan met de zaak te bezien in het licht van de Engelse houding tegenover de Arabische structuurwijzigingen.

Als men voor 1914 van Arabieren en Arabisch sprak, dacht men aan geografische en taalkundige begrippen die elkaar niet dekten. Aan politieke begrippen dacht men niet. Dat kwam tegelijk met het vacuum na de Turkse nederlaag. De Turken hadden op het eind der Middeleeuwen de grote erfenis uit de Mohammedaanse veroveringstochten overgenomen en heersten, hetzij in feite, hetzij in naam over de Noordkust van Afrika, het schiereiland Arabië en een groot deel van Voor-Azië. In het begin van de vorige eeuw viel het Turkse machtsgebied ongeveer samen met

de landen waar Mohammedanen woonden (uitzonderingen: India, Perzië, Indonesië). Maar enerzijds breidde de Islam zich uit, anderzijds verloren de Turken terrein. Aan de afbraak van de Turkse macht werkten de Engelsen in de vorige oorlog ijverig mee door het nationale gevoel der Arabisch sprekende onderdanen van het Turkse rijk te prikkelen. Het is tenslotte niet tot de vorming van een enkel Arabisch rijk gekomen; behalve bepaalde onvoorziene omstandigheden mag men hier gerust veronderstellen dat de Empirebuilders liever een reeks zwakke staatjes zagen, die door de gewapende Engelse macht, welke aldus het oostelijk bekken van de Middellandse Zee beheerste, zonder moeite in toom gehouden werden. Het ontvoogdingsproces dat meteen begon, heeft zich echter in een snei tempo voortgezet, ja, van de tijdelijke machteloosheid van Engeland en de andere mandaatmogendheid Frankrijk (voor Syrië) is een goed gebruik gemaakt. Egypte, dat een twintig jaar geleden in de Volkenbond opgenomen werd om er achteraf te zitten, maakt nu deel uit van de Veiligheidsraad en wel als vertegenwoordiger der Arabische liga. De Arabische staten hebben zich namelijk tijdens de oorlog georganiseerd en oefenen aidus een veel groter macht uit dan waartoe ze tevoren in staat waren. Verbonden hebben ze meer macht, dat wil zeggen, zijn ze minder afhankelijk van de grote mogendheden, vooral Engeland, enf kunnen ze den één tegen den ander uitspelen. Verdere gemeenschappelijke belangen hebben ze praktisch niet; geen economische of het moest een kapitaalgebrek van allen zijn; militaire in het huidige stadium evenmin; culturele naar het schijnt ook al niet. Zo blijft er niet veel anders over dan het in gemeenschappelijke agitatie te zoeken ter handhaving van het Arabische karakter van Palestina, dat dank zij de Joodse immigratie een geweldige bloei beleeft, die ook de inheemse en eveneens in sterke mate binnengekomen Arabieren ten voordeel is, maar die het karakter van het land aantast. Zij steunen hierbij de organisatie van den voormaligen groot-moefti van Jeruzalem, die eerst bij Hitler en nu in Kairo zijn anti-Engelse en anti-Joodse politiek poogt te voeren.

De Arabische macht heeft de Engelsen reeds gedwongen hun nationalisme te ontzien. In India hebben zij de medewerking van de Moslims nodig om het land eindelijk tot onafhankelijkheid te brengen; uitvoering van het plan van de vorming van het z.g. Pakistan (de twee Indische gebieden die in hoofdzaak door Mohammedanen bewoond zijn) zou India uiteensplijten en tot anarchie en wellicht zelfs overheersing door anderen voeren. Tevens maken de Engelsen zich gereed hun enorme militaire installaties uit Egypte terug te trekken om dit land werkelijk het gevoel van vrijheid te geven. Waarheen moet dan de vloot? Cyprus en Haifa. Met andere woorden: de Engelsen kunnen Palestina niet verlaten, willen ze hun empireverbindingen niet iii gevaar brengen. Maar een rechtsgrond voor hun blijven kan slechts het mandaat zijn en dat heeft alleen zin zolang de beide Palestijnse volksgroepen het oneens blijven. Maar liefst zo oneens dat slechts een

I macSt nodig zou zijn om de weeg»! I schaal in evenwicht te houden. i In de huidige omstandigheden staan d«| ' Engelsen onder zware druk van Arabischd I zijde; de opofferingen, die de Joodse ; de in de oorlog bracht, hebben generlei j vrucht gedragen. Constructieve plannen : ten aanzien van Palestina heeft de Engelse regering niet naar voren gebracht, gebon-L-i den als ze zich steeds voelde door haar , onzekerheid ten opzichte van de gehele ' Arabische kwestie waarin voor 1939 de : Engelsen alleen mee te spreken hadden en die nu ook voor Amerikanen en Russen een punt van gewichtige overweging geworden :

Een standpunt van nationale politiek derhalve. Het is echter even evident als verwonderlijk en betreurenswaardig dat de Engelse Labourregering geen oog blijkt te hebben voor de sociale spanningen, die de Arabische en Palestijnse aangelegenheden begeleiden. Wat van leidende Arabische zijde nationalistische staatkunde genoemd wordt, staat ten dienste aan de heersende groepen van grootgrondbezitters. Dezen vrezen in Palestina niet zozeer het Joodse als wel in dezen het westers-socialistische element. Verbroedering tussen Joden en Arabieren op ideologische basis is niet uitgesloten. Maar een socialistische politiek wordt nimmer gevoerd door generaals, die hun soldaten zo laten optreden als dezer dagen in Palestina gebeurd is. Ik vrees dat Engeland’s prestige en macht in het Midden-Oosten in deze weken zijn gedaald. En dat door gebrek aan zelfvertrouwen, visie en vooral moreel gezag en zelftucht van regering, ambtenaren en militairen.

2 Augustus 1946.

A. E. COHEN.

Monopolies op het kerkelijke erf

Dat er kleine gemeenten zi.jn waar families het speciale kerkbanken bezitten weet Dat er in een van onze grootste steden een monoaankondigen van predikbeurten bes>aat, weet met iedereen.

hef monopolie is. dat het door de Kerkeraad wordt gesanctionneerd Men kan een broeder uit de gemeente, die een twintigtal jaren geleden zo gul was om een contract af te sluiten met de kerkeraad toch niet voor het hoofd stoten, temeer daar deze broeder een wpp inens is. Het volgende is dan ook waar gebemd. Op een goede Zondagmorgen ging dc broeder ter kerke, doch bemerkte tot zijn schrik dat de kerkeraad zich niet hield aan het contract omdat er aan de deur van de kerk op een bord met krijtletters de predikbeurt was vermeld. Natuurli,]k moest dat er af omdat de broeder zich hield aan de letter van het contract.

Dagblad des Zaterdagsavonds de predikbeurten van alle kerkjes en secten kan lezen en niet de predikbeurten van de Volkskerk aanKt men ook aan dit monopolie. Als de mensen dus niet weten waar het Evangewordt, dan is dit nu eens niet de schuld van de communisten. g

Ambtenarij

Het is kort geleden gebeurd, op een dag, zo heet zo warm, dat bij een ieder aile lust tot werken moest vergaan. Een zekere Mijnheer X., ambtenaar bij departement Z kreeg het revolutionnaire idee om zijn coltertjasje uit te trekken, zodat zijn overhemd zichtbaar werd.

Dit was te veel voor den betrokken chef. Sommeerde Mijnheer X. zijn jasje weder aan te doen en vroeg toen of hij de ambtelijke stand zomaar naar beneden wilde halen. De ambtenaar heeft zijn jasje aangetrokken zoals een goed ambtenaar betaamt.

Volgons de wet van Bartjens Is dit een vonn van ambtenarij, waar de ambtenaar zelf gelukkig de meeste hinder van heeft. g