is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 45, 17-08-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sprole ¥ii Amstenliiis liißliid

Dat de verhoudingen in Gods werelden anders liggen dan in de onze, is zo langzamerhand wel tot het bewustzijn der mensen doorgedrongen.

Dat de mensheid gaarne de dingen op een accoordje gooit en probeert met God te sjacheren, het is bekend.

Doch wat weten wij van oorzaak en gevolg?

Laat mij U in dit verband de sproke mogen vertellen van het behoud van de goede stad Amsterdam temidden van de chaos der tijden, naar men zegt, omdat haar bewoners het met Onzen Lieven Heer op een accoordje hadden gegooid ....

Toen de eeuwige strijd tussen licht en duisternis weer eens een uitweg vond in een gruwelijke oorlog en de geesten des lichts met de demonen der duisternis om het bezit van de aarde worstelden, is het volgende geschied . . .

Ergens op de aarde was een stad.

Schoon was die stad als geen andere in de ogen van velen. Schoon was ze bij dag bij nacht en in de wisseling der jaargetijden, bij klare en bewolkte luchten; temidden van veel water, altijd bereid om te kaatsen wat in het wolken- en kleurenspel boven haar torens en daken zich afspeelde.

Haar geest was als haar uiterlljk, dynamisch als het water harmonisch en weideend voor het gemoed.

In die geest koesterden zich de engelen, die als bewakers en verzorgers over haar waren gesteld. Zy hadden hun plaats in het water, in de bomen, in de huizen en kerken, in de oude torens, die sinds honderden jaren haar hadden zien groeien, zy wiegden zich óp de kabbeiingen van de brede stroom, waaraan zy als deinende lag. Als de avondlucht rossig-rood werd door de ondergaande zon, maakten zy een waterfestyn van kleur en dans om het feest dat de stad was.

In het hart der stad hadden vorige generaties in een schoon verleden een machtig gebouw geplaatst, dat in zuivere vormen en viakken een plein beheerste. In de koepel daarvan verbleef de beschermengel van de stad.

Wanneer op bepaalde dagen van de koepel klokketonen beierden, was het of de zon klaarder begon te schynen, wanneer de engelen opstegen en in de blauwende lucht met de zilverwitte wolken hun accoord zongen in het lied van de stad. Vreugde wiekte uit, alierwege, en greep de mensen aan. Feest was het dan, en niet alleen omdat er vreugde was in hft nationale bestaan, maar omdat de stad zelf een feest was.

Toen kwam de oorlog en de vlammen van de afgrond lekten ook aan haar bestaan. Meer dan ooit werkten de beschermers voor haar behoud.

Doch, hoe zwaar werd ailengs hun taak, toen hele scharen demonen zich voegden by hen, die hier altyd waren geweest. Door haat en egoïsme gevoed, waren zy krachtig geworden. En zij deden hun werk zo goed. Dank zy hun hulp vierden eigenbelang en kwade ti'ouw hoogty. De stad werd belaagd door achteruitgang van haar vitale bronnen. Zou zy ook ten offer vallen aan de oorlog? Soms vreesden de engelen hun beschermende taak niet tot een goed einde te zullen kunnen brengen.

Toen zy tezamen raad hielden, besloten zy als laatste middel daartoe de hulp in te roepen van de groten uit hun ryk, van de geesten, die voor Gods troon staan. Misschien dat zy dan zouden slagen. ■ Zo stegen zy op naar de hemelse sferen, toegang vragende tot de engelen van Kracht en Macht. By hen uitten zy hun verzoek.

zy pleitten voor de stad aan het eeuwigwiegende water met al de kracht van hun liefde. Toen zy zwegen ontstond er grote stilte in de hemelzaal. Dan kwamen er de vragen. Waarom deze stad? Was zy rechtvaardiger? Waren haar bewoners beter, minder behept met het kwade dat moest worden uitgebrand? Op al deze vragen hadden de pleiters geen antwoord. Zij hadden slechts hun liefde, hun wens, hun hoop. Dan, aarzelend om het buitengewone van hun wens, .... zou hun Opperheer misschien zelf willen beslissen over hun verzoek? Zouden zy het Hem mogen voorleggen?

Het werd toegestaan. De hemelse accoorden zwegen een ogenblik en de engelen der muziek staakten hun spel. Slechts de gebeden der mensen bleven opwolken als wierook en de zielen der gestorvenen stegen zonder ophouden tot voor Gods troon, toen de engelen voor Hem traden. Woordeloos pleitten zy, met hun vleugelen zich het gelaat dekkend om de ontzagwekkende heeriykheid van hun Heer. Toen glimlachte God en Hy breidde zyn bewustheid uit over de getrouwen. Toen wisten zy en glimlachten met Hun Heer. En fn die glimlach lag al de mildheid van hen, die weten.

Want, in het ogenblik van de glimlach in de hemelse sferen ontsproot in het brein van de mensen op aarde een plan. zy zouden God een offer brengen, een offer van dank, wanneer hun stad zou worden gespaard. En nu zou zy worden gespaard. Niet omdat zij beter was. Niet omdat haar gebeden inniger zouden zyn dan die van andere. Niét omdat zy dank beloofden. Maar, omdat een wonder zou zyn. Een wonder van liefde, van toewy ding. Een glimlach van God voor Zijn dienaren.

Met de kleine engelen verliet een vyftal Machten en Krachten de hemelpoort. Dwars door de donkere‘wereld vielen zy als lichtende sterren naar het dal, dat de aarde was. Van verre al zagen zy de stryd op de aarde. Zy hoorden het gekrys der demonen in de sferen. Bommenwerpers doorploegden de lucht met hun dodende lasten. Zoeklichten flitsten aan en uit. Gevloek en gekerm steeg op, gezucht en gebed.

En de mensen wisten niet, dat hun gebed het gevolg was van Gods besluit om te sparen. Zij wisten niet oorzaak en gevolg, noch van de glimlachen, noch van het wonder van liefde en toewijding van hun beschermende engelen. Maar zy baden. En hun gebeden werden gedragen omhoog ...

De Machten en Krachten namen hun plaatsen op verschillende punten van de stad in en zo deden zij met de anderen hun werk tot haar behoud. Overal was de strijd van de geesten des

lichts met die van de duisternis. Waar de laatsten hun slag probeerden te slaan, zetten de eersten hun krachten in. Terreur, onrecht, geweld en barbaarsheid waren er naast goede zorg, pogingen om recht te doen, zachtheid en liefdevolle hulp. Helden werden er geboren en daden van moed en trouw verwarmden de harten der mensen. Onverschrokken traden de helden voor het vuurpeloton, met een laatste woord hun zielen wijdend aan God en het vaderland. De engelen des lichts stonden bij hen in de moeilijkste ogenblikken en voerden juichend hun zielen naar hun eeuwige oorsprong terug, liefdevol troostend hen die achterbleven . . .

Mensen stierven van honger en gebrek. Er was ziekte en dood, en vele gevaren bedreigden de burgers, maar de stad als stad met haar eigen wezen, bleef gespaard. Toen kwam er een dag, dat het woeden der demonen zijn einde begon te naderen.

Een vleug van vrede dreef over de aarde, dreef over het land, dreef over de stad aan het water in de donkerende avond. Zij deed het water rimpeien, de beschermende engelen verblijd glimlachen, omdat hun doel was bereikt en hun taak was volbracht. Boven het plein kwamen zij om hun machtig accoord te zingen in het gonzende lied dat de stad aanhief. Zij stonden daar, reikend tot in de hemelen, de Machten en Krachten, de kleine getrouwen, die hadden gevraagd om het behoud van de stad. Zij glimlachten en straalden.

Zo lieflijk was hun straling en zo groot hun lichtende invloed, dat de mensen die ondergingen als een bad van licht. Onwillekeurig werd hun geest er door opgeheven en zij dankten om de komende vrede. Dankten ook, omdat zij hun gebeden verhoord dachten. De hunne wel, hoewel zij zich niet rechtvaardiger wisten dan de vele anderen!

Schoon was de stad als tevoren. Als bruiden hadden zich de bomen langs het water getooid met sluiers van voorjaarsgroen in tere tinten. Soms was er een zacht windje, dat door de bomen blies en dwarrelend van de bruidstooi de bloesem op het groenige deinende water deed vallen. De grote stroom lag zilverig glanzend tussen zijn boorden. Zacht avondrood kleurde allengs de wolken en, kaatsende, het wiegende water. Tegen de avondhemel stonden de silhouetten van de torens, waarop de vlaggen vreugdevol wijduit wapperden. Op de stroom was het feest. Dansend waren er de lichtende engelen, dansend hun eeuwige dans in harmonie met het rhythme van de stad, waarvoor zij bescherming inriepen en verkregen in een glimlach van God.

Voor Zijn troon keerden terug de Machten en Krachten met de dankbaarheid der kleine dienaren. Doch, hun aandacht blijft voor de stad aan het water. Een aandacht, die vrede is en zegen, en vol klank voor de toekomst ...

Dit Is dan de sproke van Amsterdams behoud in een tijd, dat wonderen alleen nog in sprookjes gebeurden, en sprookjes behoren tot een ver verleden. Amsterdam Mei 1945.

PHILIPPE GROENEVELD.