is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 45, 17-08-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BRIEVEK

uit Zwitsertand

„Die Botschaft vom Reiche Gottes” leent zich uitstekend voor het doel, waarvoor het geschreven werd: een catechismus voor volwassenen te zijn. Ik zou wensen, dat het in het Nederlands vertaald werd en tot leidraad strekte voor onze leesavonden. Het boek heeft een rijke inhoud, veel te rijk dan dat hij in een overzicht als in mijn vorige brief gegeven tot zijn recht zou kunnen komen, het biedt ruim stof tot denken en grijpt ons in het geweten. Wel is bij de behandeling ervan bekwame leiding gewenst, die in staat is met een critisch oog te leren lezen. Want, al meent Ragaz, dat het anderen zijn, die zich aan eenzijdigheid schuldig maken, naar mijn overtuiging is ook hij daarvan geenszins vrij te pleiten. Trouwens, kan men anders van een profeet verwachten? Ligt in die eenzijdigheid niet een groot stuk van zijn kracht?

Hoe gaarne ik persoonlijk naar Ragaz luister en naar hem zal blijven luisteren als naar een meester, toch kan ik niet verhelen, dat mijn inzichten hier en daar niet onbelangrijk van de zijne afwijken. Misschien heeft het zijn waarde naast enkele van zijn denkbeelden de mijne te plaatsen, waardoor ik tevens gelegenheid heb de aandacht te vestigen op elementen uit zijn gedachtenwereld, die nog niet of niet voldoende naar voren kwamen.

Mijn eerste hoofdbezwaar tegen Ragaz’ opvattingen is, dat hij het Rijk Gods zuiver dynamisch ziet en geen andere dan woorden van minachting over heeft voor de statische wereld van de godsdienst ‘) en voor een statischen God. Die stammen uit het heidendom. Het heidendom verstaat de godheid als hoogste idee, welke boven de wereld troont in zichzelve rustende, en daardoor niet in staat, ja ongeneigd de wereld te veranderen.

Anders Christus, die den levenden God predikt, welke Zijn Rijk op aarde wil stichten en daarvoor een onafgebroken strijd voert met de tegengoddelijke krachten. Zelfs de doden worden erbij betrokken. „Ik geloof niet aan een blote rust voor gestorvenen”, aldus Ragaz, „Weliswaar zal er rust zijn, voor leder naar behoefte, grondig herstel van krachten, maar dan, vroeger of later, medearbeid, medestrijd voor het Rijk. Anders kan Ik het mij van het geloof aan het Rijk Gods uit niet denken. Het Rijk Gods Is overal leven en strijd” (S. 317). De godsdienst kent volgens Ragaz slechts een statische wereld en In die wereld bouwt zy tempels en altaren, sticht zij kerken, stelt zij regels voor geloof (dogmatiek) en zedelijk leven (ethiek) op, hoofdstukken na hoofdstukken, paragraphen na paragraphen.

Afgescheiden nog van de vraag, of Ragaz’ denkwereld tenslotte ook niet een dogmatiek moet heten en een ethiek In zich bergt, komt mij zijn opvatting van den leve'nden

‘)ln mijn vorige brieven heb ik .Jieligion” met „religie” vertaald. Achteraf, lijkt mij „godsdienst” juister, omdat het officiëler’ klinkt, wat meer aan Ragaz’ bedoeling beantwoordt.

God eenzijdig voor. Zou de levende God niet tegelijk de hoogste beweging en de hoogste rust, dynamisch en statisch, beweging in de rust en rust in de beweging zijn? Zouden wij door ons zo uit te drukken niet dichter de waarheid benaderen, die boven onze bevatting ligt, dan wanneer wij het leven Gods slechts zien in de beweging en in Zijn strijd om Zijn aarde te veranderen?

Neen, de rust is niet slechts een moment, dat den vermoeide gegund wordt om op krachten te komen, maar een wezenlijk bestanddeel van het godsdienstig leven of, om Ragaz’ taal te gebruiken, van het Koninkrijk Gods. Christus roept ons allen, die vermoeid en belast zijn, en wil ons rust geven. Die rust is in het kennen van God en Jezus Christus, dien Hij gezonden heeft, wat volgens het hoge priesterlijk gebed het eeuwige leven is. De ganse mystiek is vol van die rust in God, welke uit de verborgen rust van God voortvloeit. Met Jacqueline van der Waals zingen wij: „In God rust mijne ziele; zij leeft en rust in God”. En met Jan Luyken belijden wij: „Als stilheid woont in mijne diepste grond, dan vloeit Gods woord in mij uit Zijnen mond”.

Ik zou niet gaarne beweren, dat dit element In het persoonlijk geloofsleven van Ragaz geheel ontbrak, maar aan het andere hangt zijn hart. Hij laat tenminste weinig uitkomen, welke een waarde het heeft. Evenwel, de dynamlcl hebben behoefte aan de be’invloedlng van meer statisch gerichte gelovigen, gelijk ook het omgekeerde het geval Is. Ragaz noemt Charles Klngsley: „één der groten In het Rijk Gods” (S. 53), maar diezelfde Klngsley, die heerlijke revolutlonnalre prediker van een mannelijk Christendom, vond zijn geestelijken vader In Frederlck Denlson Maurlce, dien hij In dit boek niet noemt, den stillen vromen en wijzen Godzoeker, die nooit het élan heeft gehad van een Klngsley, omdat hij tot zijn eigen Innig verdriet altijd de twee zijden van een zaak zag, maar juist daardoor diepte van gemoed openbaart, die een Klngsley niet heeft gekend en waarschijnlijk daarom des te meer heeft bewonderd. Onlangs las Ik In een bespreking over het boek „Le Sacrlflce du Matln” van den Fransen verzetsman Gulllaln de BénouvlUe, dat hij In zijn soldatenransel steeds een exemplaar van de Imltatlo Chrlstl van ( Thomas è, Kempls bij zich droeg, waaraan geestig en raak werd toegevoegd: „Over de Imltatlo als tonicum (opwekkende drank. M.) voor vaderlandsliefde, daarin zit een merkwaardig onderwerp voor een rede vol tegenspraak”. Inderdaad; toch heb Ik mij daarbij af gevraagd, of velen de pijnlijke reacties na de emoties van het verzetsbestaan niet beter zouden hebben verwerkt, wanneer zij als de BénouvlUe de verborgen rust In God door de dagelijkse lectuur van de Imltatlo hadden Ingenomen.

Over een tweede bezwaar een volgende brief.

M. J. A. MOLTZER.

Labour en de kerk

Dat de Engelse arbeiderspartij anders is dan de socialistische partijen op het continent waren, weten allen. Eén der oorzaken van het feit, dat de ontwikkeling daar te lande een andere is geweest, is deze, dat de Engelse Christenen meer sociale interesse hebben gehad dan elders.

Die andere houding spiegelt zich duidelijk af in de leidende mannen van de partij. In de Britse regering van het ogenblik zitten haast alleen belijdende Christenen. De premier Attlee heeft het uitgesproken, dat de beginselen van de arbeiderspartij niet gegrond zijn op de leer van Karl Marx, doch op die van Jezus Christus.

Attlee hoort tot de Anglicaanse Kerk, maar voelt zeer oecumenisch. Samen met aartsbisschop Fisher sprak hij op de jaarconferentie van de raad der Vrije Kerken en constateerde met blijdschap, dat de oude strijd tussen de Anglicaanse Kerk en de Vrije Kerken is bijgelegd.

De minister van marine, Alexander, Is Baptistenpredikant. Hij heeft verschillende boeken geschreven over christelijke onderwerpen. De minister van oorlog, Lawson, Is Methodistenpredikant en reist aan het einde van de week naar zyn gemeente, Durham, om te preken. Hij Is, zoals zovelen van de leiders van de arbeiderspartij, opgegroeid onder de mijnwerkers. De minister voor openbare arbeid, George Tomllnson, Is ook predikant bij een Methodistengemeente.

Stafford Cripps komt uit de hogere standen, maar behoort tot de meest radicale vleugel van de partij. Hij is een zeer bekend jurist en heeft overigens ook een zeer grote ontwikkeling. Zo heeft hij. o.a. theologie gestudeerd. Hij behoort tot de Anglicaanse Kerk en men zegt van hem, dat hij meer godsdienstige heeft gehouden dan politieke. Kort geleden heeft hij een boek uitgegeven, waarin hij aantoont, dat democratie moet rusten op het Christendom.

De minister voor Schotland, Joseph Westwood, een vroegere mijnarbeider, behoort tot het Heilsleger; de minister van onderwijs is Methodist; J, B. Hynd, de minister voor Duitse aangelegenheden, is vastbesloten te trachten het nieuwe Duitsland weer op te bouwen op christelijk fundament; Noel Baker, die l«)rtgeleden gekozen werd tot voorzitter van de partij, is Quaker en heeft gewerkt voor internationale christelijke samenwerking. Hij was zeer bekend met Nansen en spreekt ook Noors. Hij is een overtuigd pacifist en werkt ook thans mede aan de oecumenische arbeid.

Ontleend aan: „Svenska Journalen”.

INHOÜD

pag. De les Van Texel (J. J. Buskes Jr.) 1 Een nieuwe doorbraak te vrezen? (L. H. Ruitenberg) – 2 Barth en Niemöiler (J. J. B. Jr.) 2 Sproke van Amsterdams behoud (Phiiippe Groeneveld) 3

De wereld spreekt (H. Wielek) 4 Leestafelnieuws 4—5 Verdwenen vreugden (N. G. J. v. Schouwenburg) 5 Agressiviteit en positief gerichte driften (P. E. Boele) 6

Aan de jongeren wier droom werd vervuld (P. Reddingius) 0 Brieven uit Zwitserland (M. J. A. Moltzer) 7 Labour en de kerk (ontleend aan: „Svenska Journalen”) 7