is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 47, 31-08-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WELLS OVERLEDEN

Wells was een schrijver, waar je op de duur van ging houden. Hij imponeerde niet door zijn genialiteit, hij prikkelde vaak tot tegenspraak, maar al was je het ook niet met hem eens, dan nog bewonderde je zijn vernuft -en zijn groot goed hart. En hoe heerlijk kon hij vertellen! Het is niet gering in Engeland een groot romanschrijver te zijn. De Engelsen bezitten in hoge mate een talent, dat ons volk slechts spaarzaam toegemeten is: de kunst een boeiend verhaal op te zetten. Neem een willekeurig Engels romannetje, zoals er duizenden zijn; het is wellicht niet scherpzinnig in zijn ontleding der menselijke karakters, het is misschien erbarmelijk geschreven, maar wat is het aardig verteld en hoe blijft het den lezer boeien.

In de jaren voor de eerste wereldoorlog hoort Wells tot de grote Engelse romanschrijvers. Men kan niet zeggen, dat hij eenzaam zijn tijd beheerste. Naast hem schieten u, als ge wat belezen zijt, de namen te binnen van Arnold Bennett, John Galsworthy, Hugh Walpole, Somerset Maughan, Compton Mackenzie, Joseph Conrad e.a. De lijst is op goed geluk samengesteld, en ik zal er wel vergeten hebben, maar zelfs deze toevallige opsomming doet ons beseffen hoe rijk de romanproductie in Engeland is, want al deze schrijvers hebben hun eigen hoge kwaliteiten en zijn het lezen overwaard.

Nu is het niet waar, dat de goede roman alleen maar een prettig verhaal is, geschreven om de lezers aangenaam bezig te houden. Van de moderne roman geldt dit in geen geval. Met of zonder opzet, de roman heeft ons iets te leren. Een romanschrijver is een leraar, een sociale profeet, een zeden-meester, een criticus der samenleving. Dickens is het, Tolstoy, Dostojewsky zijn het, maar ook Balzac en Zola. Wells heeft dit van de aanvang geweten, en kondigde vóór 1914 aan, dat de roman, die alleen als kunstwerk bedoeld was, af zou sterven, maar dat de roman van de toekomst preekstoel en redenaarstribune zou worden. Zo’n uitspraak is waar, doch misleidend. Romans, die alleen maar aansporing of critiek zijn, leven weinig langer dan verkiezingspamfletten. Kunst als zodanig heeft niets te maken met de voorbijgaande problemen der politiek, der moraal of der economie, maar in de behandeling van deze kwesties gebeurt het soms, dat de fundamenten bloot komen, waar deze vraagstukken op rusten: de menselijke natuur; dan wordt de behandeling van zo’n

vraagstuk een hartstochtelijk antwoord van het menselijk hart op een ervaring. De kunstenaar heeft dan een vonk doen ontspringen aan het dorre materiaal en deze lichtflits heeft in de wereld een nieuw visioen vertoond. Het was Wells soms gegeven zo’n kunstenaar te zijn.

Herbert George Wells, die 15 Augustus 1946 overleed, was de 21e September 1866 geboren uit eenvoudige ouders en het zag er naar uit dat zijn loopbaan achter de toonbank van een winkel zou liggen. Maar zijn energie, zijn begaafdheid en zijn enthousiasme doen hem studeren, hij wordt schoolmeester, hij geeft bijlessen, hij schrijft artikels voor kranten, loopt college aan de Universiteit van Londen o.a. in de biologie. Zijn zwakke gezondheid echter laat hem in de steek. Hij is pas getrouwd en ziet geen andere uitweg dan schrijven. In 1895 verschijnt zijn eerste boek: „The Time machine”. Voor veel lezers is Wells bovenal de schrijver van fantastische verhalen over wonderen der techniek en grootse toekomstfantasieën. „De gestolen bacillen”, „De oorlog der werelden”, „De onzichtbare man” (bewerkt voor de film) e.a. behoren hiertoe. Levendig verteld, vernuftig bedacht, verkwikkend 'door humor, hebben deze boeken hem een grote populariteit bezorgd. Hij werd de Engelse Jules Verne. Plotseling hield hij er mee op. Hij is niet langer meer een schrijver, die aangenaam bezig houdt, zijn lezer naar verre fantasie-landen voert, maar hij brengt hem dichter bij huis en put uit eigen ervaring. Hij vertelt het eenvoudige leven van den „Engelsen burger”. Het zijn geen helden, die hij opvoert, maar de alledaagse belevenissen van liefde en van dood en van de zorg voor het dagelijks brood; hij vertelt er zo hartelijk van, zo uitbundig is hij in schilderachtige détails, maar tevens zo ferm in zijn maatschappelijke critiek, dat m.i. deze boeken vooral hem recht geven op een bescheiden plaats in de galerij der romanschrijvers van de wereldliteratuur. Ik denk aan boeken als „Love and mr. Lewisham”, „Kipps” met zijn prachtige beschrijving van het leven in een manufacturenwinkel, „Anne Veronica” en „Tono Bungay”.

Hij had een tijdlang omgegaan met de Fabian-socialisten, en hij groeit meer en meer uit tot een overtuigd socialistisch propagandist. Hij heeft behoefte niet alleen in roman-vorm, maar ook rechtstreeks hiervan te getuigen. Nog steeds schrijft hij romans, maar hun gehalte lijdt aan teveel opzettelijke theorie; ik maak een uitzondering voor het gezellige boek, waarin verteld wordt hoe de doorsnee Engelsman zich oriënteert in de wereldpolitiek en de Duitsers poogt te verstaan: het milde. „mr. Brittling sees it through”. Maar naast deze romans schrijft hij knappe socialistische verhandelingen en een schitterende beknopte wereldgeschiedenis: historie en vermaning tezamen, die uitzicht geven op een toekomst, van gemeenschapszin, een volkerenbond van waarachtige verbroedering. Er is geen ruimte om al zijn boeken te vermelden, het moeten er minstens 80 zijn. De tweede wereldoorlog zette hem opnieuw aan het denken over het eeuwige vraagstuk, hoe dat wanordelijk schepsel, mens geheten, een orde zou kunnen vinden, die zijn enige redding zal betekenen. Wells had zijn typische beperkingen. Hij deed mij vaak denken aan die optimistische hervormers van het einde der 18e eeuw, de tijd der Verlichting. Ook hij verwachtte alles van een redelijke orde, ook hij geloofde aan een onbeperkte vervolmaaktbaarheid van den mens, ook hij had geen gevoel voor het tragische der menselijke situatie en voor

de traditionele godsdiensten koesterde hij weinig eerbied: ze stonden zijn wetenschappelijke verlichting in de weg. Maar zijn diepe bewogenheid met het moeizame leven der armen, zijn onvermoeid pleiten voor maatschappelijke hervorming, zijn scherpzinnige critiek op dwaze conventies van zijn tijd en de geweldige vlijt, waarmee hij zijn grote gaven hanteerde, maakten hem tot een schrijver, dien men gaarne leest, niet alleen omdat hij een groot artist, maar ook omdat hij een goed mens was. J. G. BOMHOFF.

Een bladzijde van Wells. In een van zijn laatste boeken „The outlook for Home Sapiens” (1942), bepleit Wells een socialistische wereldorde, gebaseerd op een verklaring der rechten van den mens, een nieuwe Magna Charta, maar hij voorziet moeilijkheden. Meeslepend van argumenteerkracht en prachtig van ironie vervolgt hij dan: ~Daar is geen regel in deze Verklaring (der rechten van den mens) die, naar ik geloof, een mens niet beschouwen zal als een redelijke eis, voor zover het hemzelf betreft. In deze geest zal hij er gaarne mee accoord gaan. Maar wanneer men hem vraagt er niet alleen mee in te stemmen als in iets, dat ieder ander in de wereld toekomt, maar als in iets, waar hij ook offers voor moet brengen, vereist om deze verklaring in de practijk om te zetten, dan zal hij een zekere weerzin ontdekken om zover te gaan. Hij zal dan een ernstige weerstand voelen, die opkomt uit zijn onderbewustzijn en die poogt zichzelf te rechtvaardigen door zijn gedachten.

De dingen, die hij u zal zeggen, kunnen heel verscheiden zijn, maar het woord „voorbarig” zal er een grote rol in spelen. Hij zal een geweldige bezorgdheid en achting vertonen, die ge nooit bij hem vermoed had, voor dienstmeisjes, voor arbeiders, voor vreemden, en in ’t bijzonder voor vreemden van andere huidskleur. Ze zullen zich vreest hij bezeren aan die gevaarlijke vrijheid. „Zijn ze wel rijp”, zo zal hij u vragen, „voor al die vrijheid? Zijn ze er, eerlijk gezegd, wel rijp voor?” Hij zal lichtelijk geraakt zijn, als gij zult opperen. „Maar hoe kunt ge dat zeggen?” en dan ineens van koers veranderen: „Ik ben toch bang dat jij je medeschepselen idealiseert.”

Als ge dan doorzet, zult ge bespeuren, dat zijn vriendelijke gezindheid heel en al uit zijn weerstand verdampt. Nu is hij ineens bezorgd voor de algemene schoonheid en liefelijkheid der wereld. Hij zal betogen, dat deze nieuwe Magna Charta heel de wereld zal herleiden tot „een doodse gelijkvormigheid”. Ge zult hem vragen, waarom een wereld van vrije mensen nu juist eentonig moet zijn en op een doods peil van gelijkheid. Ge zult geen behoorlijk antwoord krijgen. Het is voor hem van vitaal belang er aan vast te houden en hij moet er zich wel aan vastklampen. Hij heeft zich gewoon gemaakt „vrij” en „gelijk” met elkaar te verbinden en is nooit genoeg helderziend geweest, om deze twee woorden afzonderlijk te nemen en ze eens aandachtig afzonderlijk te bekijken. In dit stadium zal hij waarschijnlijk terecht komen bij die bijbel van impotente deftigheid, Huxley’s „Brave new world” (het Soma-eiland”) en u smeken het eens te lezen. Ge schuift die aaargeestige fantasie terzijde en gaat door. NTu beweert hij, dat de natuur de mensen jngelijk heeft gemaakt, en gij antwoordt, lat dit nog geen reden is dit feit te over-Iryven. Hoe groter ongelijkheid en verwheidenheid van gaven, des te meer beloefte aan een Magna Charta, om de een »gen den ander te beschermen. Hij gaat