is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 48, 07-09-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BRIEVEN

uit Zwitserland

Gelijk aan het einde van mijn vorige brief reeds is gezegd, wordt volgens Ragaz het sluitstuk van de geschiedenis van Christus’ zaak door de cosmische verlossing gevormd; dit wil zeggen de overwinning niet slechts op maatschappelijke, maar ook op physische en boven physische machten, welke vooral in ziekte en dood belichaamd zijn, ja zelfs op het kwaad, dat de natuur veroorzaakt, de overwinning van het ganse demonenrijk, waarin zich de sfeer van de af val, het tegenrijk van het Godsrijk openbaart. Want de levende God kent geen fatum.

In beginsel is reeds de oude wereld en haar ordeningen door de verschijning en opstanding van Christus overwonnen. Door Diens daden is het Rijk Gods aan de dag getreden. Zelf wijst Jezus erop in Zijn antwoord aan Johannes den Dooper, die de vraag gesteld had, of Hij degene was, die komen zou, waarop Hij hem liet boodschappen: ~Blinden zien weder en lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden worden opgewekt en armen ontvangen het Evangelie” (Matth. XI vg. 5). Overeenkomstig Christus’ belofte breekt een nieuwe wereld in de Pinkstergemeente door, waarbij het niet slechts gaat om bijzondere geestelijke gaven, maar ook om genezing van zieken, ja zelfs om opwekking van doden, de openbaring van een buitengewone macht over natuur en lot.

Groots en paradoxaal is de overwinning op de dood, welke de tegenpool vormt van God, die het leven is. De dood beheerst de ganse wereld, maar Christus is de opstanding en het leven, niet slechts van den enkeling, doch van de gehele schepping.

Bijna even groots en paradoxaal is de verlossing van de natuur; de ganse schepping is als in barensnood (Rom. VIII vs. 18), om aan de vergankelijkheid ontheven te worden.

Deze cosmische verlossing is het werk van den Heiligen Geest, wiens specifieke taak gelegen is in het scheppen van een nieuw wereldrijk uit God.

Ook van deze cosmische verlossing draagt de geschiedenis de sporen, al is het geloof erin ook dikwijls schuil gegaan. De gemeente van Christus heeft het lange tijd vastgehouden. Het zalven der zieken met olie (Jac. V vs 13-15) getuigt er van, zo ook het toedienen van het laatste oliesel, waarin het Protestantisme met zijn rationalisme ten onrechte niets dan bijgeloof ziet. Heiligen hebben steeds macht over ziekte en natuur gehad: men denke slechts aan een Franciscus van Assisi. Maar er zijn niet slechts mensen, doch ook plaatsen en tijden, vanwaar Gods heelkracht uitstroomt, als het ware een overplanting op het gebied des geestes van hetgeen in de natuurlijke geneeskundige bronnen gegeven is. En is bij alle ontaarding ook niet in de Katholieke transsubstantiatieleer, de verandering van brood en wijn in vlees en

bloed van Christus, iets van de Goddelijke waarheid bewaard gebleven?

In Renaissance en Hervorming is dit geloof verloren geraakt, hoewel ook daar niet geheel. In de Renaissance toch leeft, behalve de geweldige drang naar beheersing van de natuur, wat ook een vorm van de opheffing van het fatum is, een nieuw geloof aan de wonder- en geneeskracht der natuur: men denke aan Paracelsus en Boerhaave, aan de nieuwe heelkunde met haar sociale geneeskunde en haar preventieve zorg.

En op het terrein van de Hervorming herinnert Ragaz in het bijzonder aan het optreden van de beide Blumhardts, aan Möttlingen en 801 l de plaatsen waar zij hebben gewerkt, waar dank zij een nieuwe uitstorting van den Heiligen Geest, geweldige genezingen hebben plaats gehad, misschien in enkele gevallen tot de overwinning van de dood toe. Ook de Christian Science met haar wonderlijke theologie is ondanks veel dwaling en overdrijving, als een opspuiten van wateren uit de diepte en als een nieuwe lente, een wederopleven van het geloof in de boodschap van het Rijk Gods voor de aarde te beschouwen. Zelfs de ontwikkeling van de techniek is in dit licht te zien, al geldt misschien ook hier, dat de zwarte magie daarom gekomen is, omdat de witte magie van het Rijk van Christus ontbroken heeft. In ieder geval bewijst haar ontwikkeling (men denke aan de atoombom), dat de wereld niet zo afgesloten en zo af is, als men vroeger onder de invloed van rationalisme en naturalisme wel dacht.

In wezen betekent dit alles het binnendringen van den levenden God van de bijbel in de heidense wereld van het fatum en de onttroning der góden door God.

De vervulling van deze paradoxaalste revolutie van Christus is echter aan een voorwaarde gebonden: aan de verwerkelijking van de gerechtigheid van het Rijk Gods; zij kan zich niet realiseren, zolang op andere gebieden, speciaal op het politieke en sociale gebied de tegengoddelijke krachten heersen. Mammon, geweld, oorlog, ongerechtigheid in elke vorm. Want al is het een zaak van de Vrijheid Gods, toch is het komen van het Rijk Gods aan bepaalde wetten gebonden: het komt in phasen en trapsgewijze; bepaalde verwerkelijkingen kunnen niet plaats grijpen, voordat andere tot stand gekomen zijn. Principieel, niet zuiver chronologisch gesproken, moet de religieuze revolutie aan de politieke en sociale voorafgaan, de politiek-sociale aan de cosmische. Telkens moet voor een bepaalde revolutie een zekere rijpheid aanwezig zijn, hetgeen niet in strijd is met de bewering, dat reeds vóórdien op beperkt gebied veel verwezenlijkt kan worden.

Van oudsher heeft men het einde van

deze verlossing het herstel van alle dingen genoemd, wat niet een vrucht is van een automatisch-noodzakelij ke ontwikkeling. Men moet daarbij vasthouden aan de vrijheid van God en mensen, de heiligheid Gods en de ernst van kwaad en gericht. Maar het geloof erin en de hoop erop zijn noodzakelijk.

Niemand kan zich van de voltooiing der cosmische verlossing een voorstelling maken. In het bijzonder geldt dit de opheffing van de dood, waarvan Paulus getuigt, dat ook deze laatste vijand Gods overwonnen zal worden (1 Cor. XV vs. 26).

Eén ding staat echter vast, deze overwinning Gods kan niet de vorm van een blote verdoemenis en vernietiging aannemen, maar moet die van redding, voltooiing, vervulling zijn.

In de twee wereldoorlogen, vrucht der goddeloosheid, hebben wij een ijzingwekkende heerschappij van de dood beleefd. Zou deze openbaring van de dood niet de voorloper van een nieuwe, machtige overwinning op de dood zijn? Hoe dit zij, en met deze woorden eindigt dit hoogst merkwaardige boek: „Christus is overwinnaar dat is het laatste woord van de geschiedenis der zaak van Christus, gelijk van de Geschiedenis in het algemeen.”

Dit geschrift van Ragaz heeft een grote indruk op mij gemaakt: het trilt van fel bewogen geloof, dat God bezig is Zijn Rijk op aarde te verwezenlijken, van intens verlangen, dat Zijn volmaaktheid zich zal manifesteren, van heilige verwachting, dat Gods tijd niet verre meer is. Het is doorgloeid van een diepe liefde voor de zaak van Christus, waarmee Ragaz zich heeft vereenzelvigd.

Ook van dit boek hoop ik, dat het in ons vaderland vele lezers vinden zal. Het prikkelt in hoge mate enerzijds tot verdieping van het eigen geestesleven, anderzijds tot een onderzoek naar de fundamenten van het persoonlijk geloofsbezit.

Evenwel, een grote waardering voor het hier gebodene en een hoge eerbied voor de mens, die het ons geschonken heeft, behoeven er niet toe te leiden, dat men Ragaz in alle opzichten volgt. Persoonlijk ligt mij veel in zijn denkbeeld verre. In het bijzonder zeggen mij zijn apocalyptische, aan Daniël en de Openbaring van Johannes vastknopende toekomstverwachtingen weinig of niets, al moet ik bekennen, dat dit ook te wijten is aan een gebrek aan waarlijk verlangen naar de komst van het Rijk Gods. Maar het positieve, dat Ragaz bovenal biedt, is, dat dit verlangen door hem gewekt en gesterkt wordt, en hij ons gebed: „Uw Koninkrijk kome”, inniger en krachtiger maakt, om niet te spreken van het gevoel van schaamte over eigen kleingeloof.

Ik kan echter niet aannemen, dat Ragaz steeds billijk is in zijn oordeelvellingen, zo bijv. over de Kerk, doch zij zijn altijd ingegeven door een smetteloze liefde voor de zaak, waaraan hij zijn ganse leven heeft gewijd. Zijn uitspraken zijn vaak van een absoluutheid, die geen tegenspraak duldt. Het heeft dikwijls de schijn, of hij het monopolie bezit van de wetenschap, wat bijbels is en wat niet. Bij anderen kan men echter even absolute opvattingen vinden over wat de bijbel leert, die precies het tegenovergestelde inhouden van wat Ragaz beweert. Ik moet de lust bedwingen naast categorische uitspraken van Ragaz enige citaten te geven uit een boek van een Frans-Zwitsers predikant over de „Nieuwe Orde”, die daarin lijnrecht in strijd zijnde denkbeelden over de door Ragaz behandelde stof verkondigt. Beiden beroepen zich op de bijbel en komen tot